De komende Koning

Aantekeningen bij het evangelie van MattheŁs

(2)

J. VAN STORMBROEK

 

"Zij zal een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven; want Hij zal zijn volk verlossen van hun zonden. Dit alles nu is gebeurd, opdat vervuld zou worden wat door de Heer gesproken is door middel van de profeet, die zegt: "Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam EmmanuŽl geven, wat betekent God met ons". MattheŁs 1 : 21 t/m 23

 

Na de vermelding van het geslachtsregister in de eerste zeventien verzen van MattheŁs 1 wijdt de evangelist slechts acht verzen aan de geboorte van de Messias. Een groot verschil met de evangelist Lukas, die aan dit onderwerp twee hele lange hoofdstukken wijdt. Dat is ťťn van de aanwijzingen dat Lukas in zijn evangelie de Heer Jezus heel speciaal beschrijft als Zoon des Mensen; de geboorte is nu eenmaal het begin van de mens-wording.

De enkele verzen die MattheŁs aan de geboorte van de Heer Jezus wijdt, hebben echter een diepte die door geen mensenhart gepeild kan worden.

In het evangelie van Lukas wordt heel veel aandacht geschonken aan het Goddelijk contact met Maria als moeder van Jezus. In het evangelie van MattheŁs, dat de Here Jezus voorstelt als de Koning van IsraŽl, als de Zoon van David, zien we dat de engel komt bij Jozef, want er was maar een wijze, waarop de Heer Jezus Zoon van David kon worden, namelijk door de "Zoon" van Jozef te worden. Dat is dan ook de duidelijke reden waarom de engel Jozef in vers 20 aanspreekt als de Zoon van David. Alleen als de Heer in de wettelijke rechten van Jozef trad, kon Hij de Messias van IsraŽl zijn. Maar tegelijkertijd - ondoorgrondelijke en aanbiddelijke wijsheid Gods!-, als de Heer de lichamelijke Zoon van Jozef was geweest, had Hij nooit de Messias kunnen zijn. Want de Heer Jezus is niet alleen de Zoon van David, maar ook Diegene van wie God Zelf in Psalm 2 zegt: "Mijn Zoon zijt gij, Ik heb u heden verwekt"; en ook: "Ik heb mijn Koning gesteld over Sion". In Lukas 1 : 35 zegt de engel tot Maria: "De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal ook dat Heilige dat geboren zal worden, Gods Zoon genoemd worden".

MattheŁs beschrijft verder dat de zwangerschap van Maria aanvankelijk een groot innerlijk conflict bij de rechtvaardige Jozef veroorzaakte. Er ligt in de verborgenheid en de onbewijsbaarheid van Christus' wonderbare geboorte, die als zodanig slechts door een bijzondere openbaring kan worden onderkend, reeds iets van de ergernis van het kruis.

De Zoon van God heeft voor het onverlichte oog de schijn uit ontucht geboren te zijn. Maria heeft dit stellig als heel pijnlijk ervaren. Het zwaard, dat door haar ziel zou gaan (Lukas 2 : 35), begint haar vůůr de geboorte van het kind reeds diep te wonden.

Jozef is van plan Maria in stilte (d. w. z. zonder het gerecht erin te betrekken; vgl. Deut. 22 : 13 - 21) te verlaten. Voordat hij dit plan echter ten uitvoer kan brengen, grijpt God in. Het opmerkelijke woordje "zie" duidt op het verrassende element dat er was voor Jozef, toen een engel des Heren zijn overleggingen om Maria te verlaten, onderbrak en tot hem zei: "Vrees niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want wat in haar verwekt is, is uit de Heilige Geest".

Vervolgens spreekt vers 21 over de naam, die Jozef als officiŽle vader aan Maria's kind moet geven. De naam Jezus is in het Hebreeuws Jozua, wat betekent Jahweh is Redder. In die naam ligt de betekenis van Christus' werk opgesloten. Jezus wil zeggen: de Here is heil, verlossing, zaligheid. Waarin dat heil bestaat, blijkt uit het tweede deel van het vers: in de verlossing der zonden. En met zonden wordt hier gedoeld op zonden in de meest uitgebreide zin van het woord. Niet alleen de schuld en de straf, ook de macht en de gevolgen der zonde zijn bedoeld. Het morele karakter van deze verlossing wordt uitdrukkelijk vermeld in tegenstelling tot de Joods-vleselijke verwachtingen.

De inhoud van vers 22 behoort niet meer tot de woorden van de engel. De evangelist wijst hier op de vervulling van de profetie, die in dit alles uitkwam. Dit wijzen op de vervulling der profetie is ťťn van de hoofdkenmerken van MattheŁs' geschrift. In de wijze, waarop de evangelist MattheŁs de profetie aanhaalt, komt bijzonder uit, dat de Here de auteur der profetie is; de naam van de aangehaalde profeet wordt niet eens genoemd.

De in vers 23 aangehaalde woorden zijn afkomstig uit Jes. 7 : 14. Ze zijn daar gericht tot koning Achaz van Juda, toen de koning van SyriŽ en de koning van IsraŽl tegen Juda waren opgetrokken. De profeet eiste van Achaz geloof en toen deze daartoe niet bereid bleek, vergunde hij hem een teken van de Here te begeren. Maar Achaz bleef weigeren: zijn verwachting was niet van de Here, maar van een andere helper, namelijk de koning van AssyriŽ. Toen gaf Jesaja zelf een teken: een maagd zou een kind voortbrengen en hoewel het een bange tijd was en een jonge moeder en haar kind het toonbeeld van zwakheid vormen zouden zij het bewijs leveren, dat God degenen, die op Hem vertrouwen, niet zal begeven. Het Godsvertrouwen van de vrouw komt uit in de naam, die zij aan haar kind geeft: God-met-ons.

Hoewel het in Jes. 7 : 14 geprofeteerde niet rechtstreeks op de geboorte van de Messias doelt (hetgeen blijkt uit de hierboven gegeven verklaring), wijst de evangelist hier aan, dat het ten diepste toch pas in Hem vervuld is.

Als we ons afvragen wat de heerlijkheid van de Heer Jezus in MattheŁs is, is dat bovenal dit EmmanuŽl is verschenen, de "God met ons" is temidden van zijn volk gekomen.

Alhoewel we er theoretisch weet van hebben, zullen we eigenlijk nooit voldoende beseffen, dat Hij die tot ons kwam, die voor ons zondaren, bloed en vlees aannam, die voor ons leed en stierf, niet alleen is de volmaakte Zoon des Mensen, de rechtmatige Zoon van David en zelfs de Zoon van God, maar dat Hij ook is God-Zelf, te prijzen in alle eeuwigheid. "Ongetwijfeld, de verborgenheid van de godsvrucht is groot: God is geopenbaard in het vlees" (1 Tim. 3 : 1).