De tempelbeek

J. VAN DER BIJL

In het januari-nummer van de Bode op bl. 18 stond te lezen dat de tempelbeek "uitmondt in de zee, waarschijnlijk de Rode Zee bij Elath".

Het was de bedoeling dat in een noot naar een andere uitleg verwezen zou worden, maar door plaatsgebrek is dat niet gebeurd. Ik denk dat velen met mij overtuigd zijn dat hier niet aan de Rode Zee maar aan de Dode Zee moet worden gedacht.

En dat wel om de volgende redenen:

- In Ezech. 47 : 1 staat dat het water onder de drempel van de tempel vandaan oostwaarts stroomde (zie ook de verzen 3 en 8). De profeet Zacharia spreekt over hetzelfde, namelijk over levende wateren die uit Jeruzalem voor de helft naar de oostelijke zee vlieten (Zach. 14: 8). Dit is een bekende aanduiding voor de Dode Zee. De Dode Zee ligt ten Oosten van Jeruzalem, de Rode Zee ligt in het Zuiden.

- We lezen in Ezech. 47 : 8 dat het water van de zee gezond wordt en dat alles er zal leven. Dit is toepasselijk op de Dode Zee. In de Rode Zee zit wel vis.

- De verwijzing naar het zout (vers 11) wijst eveneens op de Dode Zee die immers ook Zoutzee genoemd wordt wegens zijn enorm hoog zoutgehalte (tien maal meer dan in gewoon zeewater).

- In vers 10 wordt Engedi genoemd. Deze oase lag en ligt nog steeds aan de westelijke oever van de Dode Zee. De andere plaats die vermeld wordt (En-EglaÔm) komt verder niet voor in de Schrift. Het is niet bekend waar die gelegen heeft. - De profeet JoŽl heeft voorzegd dat de bron die ontspringt uit het huis des Heren het dal van Sittim zal drenken (JoŽl 3 : 18). Sittim lag in Moab (Num. 25 : l), dicht bij de plaats waar de Jordaan in de Dode Zee uitmondt. Het was de laatste pleisterplaats van de IsraŽlieten voor ze door de Jordaan het land introkken (Jozua 2: 1 en 3: l). Dit doet niet aan Elath of omgeving denken.

- EzechiŽl zegt dat het water naar de Vlakte vloeit en in de zee komt. Het lijkt mij doorslaggevend dat de zee waar de Jordaan in uitmondt, de Zoutzee, "de zee van de Vlakte" genoemd wordt (Deut. 3: 17; Jozua 3: 16 en 12: 3).

Heel terecht heeft de schrijver van het artikel "De tuinen van de bijbel" er op gewezen dat deze tempelbeek een beeld is van alle zegeningen die van Christus uitgaan tijdens het duizendjarig vrederijk. Nu komt het mij voor dat de Schrift juist wil accentueren dat het water alles doet leven daar waar de dood heerst. Dit laatste kon niet beter geÔllustreerd worden dan door de Dode Zee en zijn omgeving. De tegenstelling spreekt het sterkst als we in dit verband aan de Dode Zee denken.

 

Misschien mag ik nog wijzen op een bijzonderheid van deze levenbrengende beek Gods. Hij wordt namelijk hoe langer hoe dieper. Al kennen we dat wel, hier is het toch heel anders dan in de natuur. Elke rivier is bij de bron waar hij ontspringt maar een onnozel stroompje. Hij wordt alleen maar breder en dieper omdat er telkens andere stromen in uitmonden. Het meeste water komt dus niet uit de oorspronkelijke bron. Bij de tempelbeek van EzechiŽl is er absoluut geen sprake van zijrivieren. De beek wordt uitsluitend gevoed door de bron bij het altaar in het huis van God. Christus is de enige bron van zegen. En die genadestroom van zegeningen, die van Hem uitgaat, wordt altijd maar dieper en dieper.

Dat is geheel in overeenstemming met wat wij ervaren, althans kunnen ervaren. We mogen toch een toepassing op onszelf maken?

Bij het altaar, bij het kruis van de Heer Jezus, zagen we voor het eerst die stroom. Dankbaar beaamden wij: "Uit genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave" (Efeze 2 : 8).

We moeten niet alleen bij deze beek blijven, maar ook telkens er ingaan. In praktische ervaring groeien we dan in de genade.

Na duizend el merkte de profeet dat het water tot aan de enkels reikte. Hoe goed is het Gods genade te smaken in onze dagelijkse wandel. Genade schraagt mijn wankele voet.

Duizend el verder stond EzechiŽl tot aan de knieŽn in het water. Bij elke gelovige komt het wel eens voor dat hij "verlamde knieŽn" heeft. (Hebr. 12: 2). We kunnen niet verder. Dan moeten we "de beek in" om te ervaren dat Hij genadig hulp en sterkte geeft als wij op de knieŽn liggen.

Weer duizend el verder reikte het water tot aan de heupen. Onze lendenen (Efeze 6: 14) moeten omgord zijn om in de geestelijke strijd te kunnen standhouden en overwinnen. Daarvoor hebben we de genade van de Heer nodig. Die is er en die krijgen we als wij maar in de stroom stappen.

Tenslotte kon de profeet de beek niet meer doorwaden. Dit laat ons zien dat de liefde van Christus de kennis te boven gaat (Efez. 3 : 19). We kunnen haar diepte niet peilen. Er is genade voor elke omstandigheid in ons leven. Als wij ons maar in die stroom werpen, dan ervaren we dat we letterlijk "zwemmen" in de genade. We ontvangen niet karig, niet mondjesmaat, maar uit zijn volheid genade op genade (Joh. 1 : 16).

Dit mag geen theoretische kennis bij ons zijn, dit moet praktisch beleefd worden. Het is geweldig kostbaar in eigen leven te ervaren hoe waar de belofte van de Heer is:

Mijn genade is u genoeg.