Wat betekenen de woorden Vergaderd zijn in de naam…?

J. PH FIJNVANDRAAT

(1)

 

I. De bijzondere woordkeus In Matth. 18: 20.

Elke taal heeft zijn eigen regels. Zo kennen we verschillende werkwoordsvormen, enkel- en meervoudsvormen, verschillende "naamvallen" enz. De soorten en aantallen van deze vormen zijn in verschillende talen soms sterk uiteenlopend.

Zo bestaat er een aanzienlijk verschil tussen het taal-eigen van het Grieks waarin het nieuwe testament is geschreven en onze Nederlandse taal. Goed vertalen is daarom vaak een heel moeilijke opgave. In sommige gevallen is het zelfs noodzakelijk via een uitvoeriger omschrijving de zin van een bepaalde uitdrukking toe te lichten. Dat probleem doet zich ook voor bij deze bijbeltekst.

Een bijkomende moeilijkheid is nog, dat gebrek aan taalgevoel ons gemakkelijk parten kan spelen bij het lezen. Met name in onze tijd, nu we via allerlei media met woorden overgoten worden, lopen we groot gevaar om slechts oppervlakkig te "horen", ook als we lezen.

Zo zal het verschil tussen "zich vergaderd hebben" en "vergaderd zijn" bij oppervlakkig lezen slechts tot weinigen doordringen.

Dit trof me een tijdje geleden nogal sterk, toen ik een brief ontving die was gezonden "namens de gelovigen die zich vergaderen te …" Dat is een formulering, die we in de Schrift niet aantreffen. Volgens deskundigen hebben we in Matth. 18: 20 te maken met een taalkundige vorm, die in het Nederlands niet voorkomt. De vertaling vraagt hier dan ook eigenlijk enige toelichting. Dat die toelichting nodig is blijkt niet alleen uit het gemak waarmee sommigen "vergaderd zijn" vervangen door "zich vergaderen". Het blijkt ook uit het misbruik, dat sommigen van deze tekst maken.

 

II. De grammaticale aard van deze woorden.

De kenners van het Grieks verzekeren ons, dat de uitdrukking "passief" is en dat het om een "perfectum" d.w.z. om een voltooide zaak gaat

Daaruit volgen enige belangrijke konklusies!

 

1. "Vergaderd zijn" is dus het resultaat van een voltooide actie.

Het "perfectum" geeft aan, dat het vergaderd-zijn zijn complete voltooiing heeft gevonden. De konsekwentie daarvan is dat deze gelovigen blijvend met elkaar zijn verbonden. Hun samenkomen is dus geen toevallige gebeurtenis. Dit klinkt ook door in de volgende teksten: "Derhalve, mijn broeders, als gij samenkomt… wacht op elkaar" (1 Cor. 11 : 33); "U groeten bijzonder in de Heer Aquila en Priscilla met de gemeente bij hen aan huis" (1 Cor. 16: 19).

 

2. Is de uitdrukking passief bedoeld?

De grammaticale vorm die hier gebruikt wordt vereist niet altijd in het Nederlands een woordkeus, die op een passieve zaak duidt.

Vergaderen zelf is immers een actie. Waarom staat hier dan toch niet "zich vergaderen", maar "vergaderd zijn"? Het antwoord op die vraag vloeit voort uit het antwoord op een andere kwestie.

Als we hier met een actie te maken hebben - wie voert hier dan die actie? M.a.w. wie of wat is hier de vergaderende macht? Met dat antwoord hoeft niet één gelovige moeite te hebben - dat is de Heilige Geest. Als dat zo is, is het op slag duidelijk, waarom hier "vergaderd zijn" is vertaald en niet "zich vergaderen". Dit spreekt nog te meer, omdat ook in andere Schriftplaatsen wordt getoond, dat ons komen tot de Heer geen zaak van eigen initiatief is, maar van Gods leiding in ons leven.

Natuurlijk is het waar, dat wij zelf besluiten op een bepaald moment naar een samenkomst te gaan. Maar zo'n beslissing is nooit los te maken van drie zaken:

a. Dat zulk een samenkomst mogelijk moet zijn gemaakt - d.w.z. een samenkomst die plaats vindt op de grondslag die God in het verzoeningswerk van Christus, in de hemelvaart van Christus en in de uitstorting van de Heilige Geest aan zijn kinderen heeft gegeven.

b. Dat wij zelf met het bestaan van die grondslag en de praktische mogelijkheid om daarop ook nu nog vergaderd te zijn, op de een of andere wijze bekend zijn gemaakt.

c. Dat bij ons de bereidheid wordt gevonden - ondanks de eventuele prijs die we daarvoor moeten betalen, bijv. verlies van vrienden, kerkelijke invloed of positie, broodroof of bespotting of wat dan ook - om die stap te doen!

 

Welnu - het zal wel geen uitvoerig betoog behoeven, dat voor deze drie zaken onverkort geldt, dat zij door God gegeven of bewerkt zijn! God is het, die in ons werkt, beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen (Fil. 2: 13).

En dit spreekt nog te sterker, als het gaat om komen naar de Heer!

In Joh. 11 :52 zegt de Heer dat Hij zou sterven "opdat Hij de verstrooide kinderen Gods tot één zou vergaderen". Die kinderen Gods deden dat dus niet zelf.

Zo ook zegt Joh. 12:32: "En Ik, als Ik van de aarde verhoogd ben, zal allen tot Mij trekken".

 

III. De belangrijke konsekwenties.

 

1. De Heer vergadert de zijnen tot Zich.

Het vergaderd zijn waarover Matth. 18 : 20 spreekt is dus een resultaat van een werk dat de Heer verricht. Een bekeerde Jehovah's getuige vroeg mij, bij welke geloofsgemeenschap hij zich nu moest aansluiten. Uit zijn verhaal bleek, dat hij in de evangelische samenwerkingsverbanden waar hij de Heer had leren kennen, tevergeefs deze vraag had gesteld. Men liet dat aan zijn beoordeling over, daar men in die verbanden als samenwerkende christenen geen voorkeur voor één bepaalde kring kon uitspreken - men ging immers zelf naar verschillende "kerken" toe. Onze vriend, die bij de Jehovah's getuigen wel geleerd had, dat de Schrift maatgevend moet zijn voor al ons handelen, was daarmee terecht niet tevreden. Hij leek aanvankelijk erg teleurgesteld, toen ook ik weigerde hem een bepaald adres te noemen. Maar die teleurstelling verdween, toen ik hem zei, dat ik hem een feilloze weg kon wijzen, waarlangs hij zelf het juiste adres kon gewaar worden. Ik liet hem Matth. 18: 20 lezen en vroeg hem, wie het wel zou zijn, die de gelovigen tot de Naam vergaderde. Na enig nadenken antwoordde hij: "Dat moet de Heer zelf wel zijn". Mijn reactie hierop was eenvoudig - "Wel, dan is de oplossing dus duidelijk. Je moet niet aan mensen vragen, waar je wezen moet, want dan stuurt A je hierheen en B je daarheen, en ga je van het kastje naar de muur. Je zult ontdekken, dat sommigen vergaderen op grond van een gelijk inzicht inzake de toepassing van de doop. Anderen zijn daarmee nog niet tevreden, en vergaderen op grond van aanvaarding van een complete door mensen opgestelde geloofsbelijdenis, en weer anderen achten ook dat niet voldoende, maar eisen ook nog de onderwerping aan een geheel door mensen georganiseerde en in formulieren vastgelegde orde van dienst en aanvaarding van het door hen opgerichte instituut. Je moet dus de Heer vragen, of Hij jouw levensweg zo wil leiden, dat je in aanraking komt met hen, die "tot zijn Naam" - en niets meer of minder dan dat! - vergaderd zijn. Hij zal je geloof niet beschamen en een gelovig gebed in deze zaak zeker verhoren". Enige maanden later trof ik hem aan onder gelovigen die in de Naam van de Heer vergaderd zijn.

 

2. Niet wij bepalen de grondslag!

Natuurlijk weten vele christenen zeer wel, dat de grondslag en de wijze van hun samenkomen sterk afwijkt van die der eerste christenen. Zij "verklaren" dit feit met een beroep op "de hand van God in de kerkgeschiedenis", "de weg waarlangs de Heilige Geest de Kerk heeft geleid in de loop der eeuwen" of andere uitdrukkingen van soortgelijke strekking. Zodra men dan echter gaat vragen hoe we kunnen weten, en waaraan we kunnen toetsen of een ontwikkeling inderdaad als "de hand van God" of "de leiding van Gods Geest" moet worden gezien wordt de zaak mistiger! Als men dan de Schrift als toetssteen wil hanteren eindigt het gesprek natuurlijk prompt hierin, dat men van "biblicisme" wordt beschuldigd - wat men er onder verstaat blijkt al even mistig te zijn, maar het schijnt in ieder geval altijd een grote zonde te wezen!

En ook die gelovigen, die buiten de grote "officiële" (wat is dat eigenlijk in dit verband?) kerken vergaderen, kiezen hun eigen grondslag.

Om de zaak duidelijk te stellen: - onze geliefde broeders baptisten vergaderen zich op grond van de doop als gelovige, door onderdompeling. Ofschoon ik persoonlijk van harte onderschrijf, dat alleen gelovigen gedoopt behoren te worden, mag ik deze uit de Schrift afgeleide praktijk van dopen niet tot grondslag van eenheid en gemeenschap maken. Als anderen met een oprecht hart de Heer menen te gehoorzamen door zijn gebod tot dopen te eerbiedigen, maar daarbij uit de Schrift een andere dooppraktijk menen te moeten afleiden (bijv. de "huisdoop") heb ik hun geweten te eerbiedigen. Niet de doop, maar de Heer verenigt ons.

 

3. Ik moet gehoor geven.

Als het de Heer is, die door zijn Geest de gelovigen bijeen wil brengen, dan betekent dit dus, dat ik de Heer moet vragen of Hij mij wil leiden naar die plaats in de christenheid, waar de gelovigen vergaderd zijn in de Naam. Leeft dit verlangen bij mij, maar blijken er in mijn omgeving geen gelovigen op deze grondslag verenigd te zijn, dan kan ik niet anders doen, dan de Heer vragen of Hij in mijn omgeving ook anderen de ogen wil openen voor de eenvoudige grondslag waarop Hij volgens de Schrift de zijnen wil vergaderen, en of Hij mij met hen in aanraking wil brengen. Op deze wijze ontstond bijv. enige jaren geleden in Friesland een kring van gelovigen die vergaderd zijn in de Naam van de Heer. Uiteraard zal ik daarbij ook vragen of de Heer mij in verbinding wil brengen met hen, die mogelijk in andere plaatsen zo vergaderd zijn. Zijn er reisverbindingen dan zal ik - zolang in eigen omgeving nog geen gelovigen op deze grondslag zijn gebracht - waar mogelijk en zo vaak als mogelijk natuurlijk een samenkomst op grotere afstand bezoeken, zelfs al zou dat lang niet elke week kunnen.

 

4. Het gaat dus niet om een willekeurige bijeenkomst.

Ik wees er reeds op, dat het "vergaderd zijn" resultaat is van een voltooide actie. Ook zagen we al, dat de uitdrukking "tot de Naam" ons de grondslag van dit vergaderd zijn aangeeft. Die grondslag nu is onveranderlijk en blijvend. Daaruit volgt dat zij, die tot de Naam vergaderd zijn, op een bestendige wijze bij elkaar gebracht zijn. Zij weten zich in deze vergaderingspraktijk dus blijvend met elkaar verbonden.

 

a. De konsekwentie hiervan voor de praktijk.

Veronderstel dat voor sommigen van de zo vergaderden zich de noodzaak van een - mogelijk zelfs uiterste - tuchtmaatregel schijnt voor te doen t.o.v. iemand die onder hen verkeert. Anderen onder hen zijn hiervan echter (nog) niet overtuigd, hoewel zij overigens volmondig erkennen, dat orde en tucht aan de Tafel van de Heer moeten worden gehandhaafd. Zij weigeren dus niet in principe om tucht te handhaven! Maar zij zijn niet overtuigd, dat in het onderhavige geval tot zo ver gaande maatregelen moet worden overgegaan.

Op zekere dag nu zijn zij die tegen het nemen van een maatregel in dit praktische geval zijn gekant, door omstandigheden niet in de samenkomst aanwezig.

Zonder hen daarin te kennen, wordt nu door degenen die menen dat een maatregel nodig is, tot deze tuchtmaatregel besloten. Dit, terwijl men weet dat de afwezigen er niet mee kunnen instemmen.

Vervolgens wordt dit besluit gepubliceerd als een besluit van de gelovigen die "toen en toen vergaderd waren in de Naam van de Heer".

Kijk - dat is dan een regelrechte loochening van het bestendige karakter van het vergaderd zijn in de Naam. Deze bestendigheid houdt nl. in, dat allen die door de Heer op deze grondslag vergaderd zijn, daarin behoren te worden gekend. Men degradeert het "vergaderd zijn in de Naam" daarmee tot een willekeurig bijeenkomen van een willekeurig aantal gelovigen op een willekeurig moment, tot het nemen van een willekeurig besluit!

 

b. Maar wat dan als iemand langere tijd afwezig is?

Veronderstel dat iemand de wens uit, deel te nemen aan de Tafel van de Heer, terwijl een bepaalde zuster of broeder ter plaatse voor bijv. lange tijd in het buitenland vertoeft. Dan zou men in zo'n geval geen beslissing kunnen nemen? De afwezigheid van een gelovige die anders wel deelneemt aan het vergaderd zijn maar lange tijd afwezig is, levert normaliter geen enkele moeilijkheid op!

De vergadering wordt in de zaak gekend, en is er bij allen vrijmoedigheid om de betreffende persoon in de Naam van de Heer welkom te heten aan zijn Tafel, dan kan dit zonder meer gebeuren. Immers men mag er natuurlijk van uitgaan, dat de Heer die vrijmoedigheid niet bij de gelovigen zou werken, als de afwezige zuster of broeder ernstige, op de Schrift gegronde bezwaren zou moeten hebben.

Wel zou de zaak geheel anders komen te liggen, wanneer men wist, dat de afwezige zuster of broeder zulke bezwaren tegen de persoon in kwestie meende te hebben. Dan moet men er mee rekenen, dat deze zuster of broeder, hoewel "naar het lichaam afwezig", toch "naar de geest aanwezig" is. Dat argument wordt door de apostel Paulus gehanteerd in 1 Kor. 5 : 3-5!

Gaat het om een zuster of broeder die bewezen heeft een geestelijk oordeel te bezitten en weet men, dat de betreffende persoon bezwaren zou hebben, dan mag men alleen handelen, als men zich er grondig van overtuigd heeft, dat voor deze bezwaren geen enkele reden bestaat en de Heer bij alle wel aanwezigen ter plaatse volle vrijmoedigheid geeft.

Maar van de gelegenheid gebruik maken om zonder meer over de gekende bezwaren van een afwezige heen te stappen, is boos. Het betekent de loochening van de eenheid van de gelovigen. De hand zegt tot de voet ik heb u niet nodig. Het is in strijd met het bewaren van de eenheid van de Geest in de band van de vrede.

 

c. Waar blijft dan de leiding van de Geest?"

Iemand zal zeggen: "Er zullen altijd wel mensen zijn, die door omstandigheden afwezig zijn in de samenkomst. Volgens uw argumentatie zou dan de Geest in zo'n samenkomst nooit kunnen leiden, daar niet allen aanwezig zijn!"

Zo rechtlijnig mag men natuurlijk nooit redeneren!

De genoemde situatie doet zich vrijwel overal wekelijks voor. Zij die wegens ziekte, baby-sit etc. thuis moesten blijven zijn wel degelijk "naar de geest aanwezig"! Zij zouden ongetwijfeld instemmen met de lof en dank aan de Heer, of met de gebeden. En dus leidt de Geest ons ondanks hun afwezigheid en zelfs wil Hij hen ook thuis de gemeenschap met de Heer doen ervaren.

Wanneer we echter vergaderd zijn en maatregelen "namens de vergadering" willen nemen in zaken, waarvan we kunnen weten dat zij er niet mee kunnen instemmen... dan leidt de Geest ons NIET in zulke beslissingen. Dat is de konsekwentie van het bestendig karakter van ons met hen vergaderd zijn in de Naam van de Heer!