Operatie Informatie

Wijsheid uit het Spreukenboek

 

E. OUWENEEL

(8)

 

Ditmaal starten we met Spreuken 2:6b.

Als er sprake is van "de mond des HEREN" begrijpen wij dat hiermee het spreken van God is bedoeld (Deut. 8:3).

Nu, aan ons is toevertrouwd de totaliteit van de woorden van God: de bijbel. Daaraan hebben we ons denken, onze levensrichting als gelovige mensen te toetsen. Aan niet minder. Aan meer ook niet, want er is geen hogere autoriteit, geen hogere norm. Onze beste en meest nobele gevoelens kunnen zelfs zeer ongewenste en gevaarlijke resultaten teweeg brengen. Duidelijk wordt dat geÔllustreerd in het gebeuren rond de Gibeonieten.

Wanneer de stad Ai is vernietigd (Joz. 8), is er een plechtige vergadering tussen de bergen Gerizim en Ebal, waarbij "geheel IsraŽl" (vs. 33) als het ware aantreedt. Niet alleen om daar meer of minder aktief of passief tegenwoordig te zijn bij het brengen van de offers, maar ook om zeer bewust te horen (en te bewaren) wat Jahweh door Mozes destijds geboden had: "Er was geen woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet voorlas aan de gehele gemeente van IsraŽl en de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen, die met hen meegegaan waren" (vs. 35). Iedereen was op de hoogte. Het ging er nu maar om hoe diep "de woorden der wet" zonken in de harten. Het ging om de zegen en de vloek. Niet mis. Er was klare taal gesproken. (Leest u voor de goede orde ook Joz. 1 aandachtig door).

Dan komt Gibeon op het toneel. Wanneer de afgezanten hun verhaal aan Jozua en de mannen van IsraŽl hebben gedaan, blijken de laatsten daarvan echt onder de indruk. Vooral ook als ze de slijtage zien die deze mensen op hun lange reis kennelijk heeft geteisterd.

Resultaat? "Jozua sloot vriendschap met hen en maakte een verbond met hen, dat hij hen in leven zou laten" (hfdst 9:15). Dwars tegen het gebod van Jahweh in (Deut. 7:2).

Net als iedereen was Jozua op de hoogte. Hij wist en hij kende de normen. Maar hij liet zich door zijn gevoelens leiden, zodat de Gibeonieten hem konden misleiden. Hoe kwam dat? Jozua en de andere verantwoordelijke leidslieden raadpleegden de mond des HEREN niet (vers 14).

 

In feite was dat dom. Maar natuurlijk veel meer dan dat. U mag het zelf invullen. Maar wij durven Jozua niet hard vallen. Zijn wij dikwijls ook niet zo? Wij weten en wij kennen. Als het evenwel op toepassen aankomtÖ! Onze ideeŽn en ůnze gevoelens laten we soms gemakkelijker hun gang gaan dan dat we innerlijk attent zijn op het Woord van God.

Joz. 9:14 is voor ons rood licht. De mond des HEREN garandeert veiligheid, gerichtheid en bescherming. We bidden daarom met de psalmist: "laat een gewillige geest mij schragen" (51:14b). Wie zo gesteld is, kan doorlopen. Het licht staat op groen.

 

Onze God heeft het beste - het allerbeste - met ons voor: "de Vader zelf heeft u lief", zei de Heer Jezus in die gedenkwaardige nacht tot zijn discipelen (Joh. 16:27). Wat tobben we dan met wat wij menen? Waarom raadplegen wij onze God niet? Waarom overleggen ook wij - kinderen van God, jong en oud - zo vaak allerlei dingen in onze harten (vergel. Mark. 2:8), terwijl bewust luisteren naar God - in aktief geloof - en wachten op Hem door Hem op zijn tijd en zijn wijze wordt beloond?

Onze God staat klaar voor de oprechten. Hun geloof blijkt een goede belegging. Dat leert ons Spr. 2:7. Het is Gods bedoeling dat wij positief leven: in het licht. Op die weg ondervinden we de zegen van God.

Het is alsof ons dan een bijzondere rente wordt toegekend bij deze zo juist genoemde "investering".

En Hij Zelf is om ons heen. Zo kun je niet verkeerd gaan. De Heer Jezus heeft eenmaal gezegd: "Ik ben het licht van de wereld" wie mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben" (Joh. 8:12).

Naar dit pad leidt Spr. 2:1-9. Op die weg waakt God. Het is immers zijn eigen weg.

Niet genoeg kan worden herhaald hoe belangrijk het is dat Gods Woord in ons leven de centrale is waardoor wij ons laten leiden en bedienen. Het is niet slechts een boek voor de duidelijk-godsdienstige momenten in ons leven. De bijbel is ons handboek voor het leven van alle dag. Het is al eerder in deze reeks naar voren gebracht en principieel weten we het ook wel. Maar het moet toch echt scherper tot ons doordringen dat de Schrift ons hele woelige leven onder de loep neemt en dat ook uw omstandigheden er in ter sprake komen. En dat de bijbel voor ieder die horen wil altijd duidelijk de weg wijst naarÖ de wil van God. "Want wij zijn zijn maaksel" (Ef. 2: 10a).

"Waarmede zal de jongeling zijn pad,
door ijdelheen omsingeld, rein bewaren?
Gewis, als hij het houdt naar 't heilig blad.
U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren;
laat mij van 't spoor, in uw geboon vervat,
niet dwalen, Heer, laat mij niet hulp'loos varen".

Ps. 119:5 ber.

Velen van ons hebben dit psalmvers vroeger vaak gezongen. Prachtig. Maar het geldt ook voor mij die in jaren zeker geen jongeling meer ben en ook voor u. Niemand blijft als christen overeind - in de wereld niet en in de gemeente van God niet - als hij of zij zich niet bewust en gewillig houdt aan het Woord van God.

Als iemand vraagt: waarmee, waardoor en hoe kan ik er voor bewaard blijven dat ik tegen U o God zou zondigen? - dan is hier het antwoord van de psalmist: "ik berg uw Woord in mijn hart" (Ps. 119:11), daar bewaar ik het. Als het daar zijn werk doet, komt de door God gewenste vrucht te voorschijn (Luk. 8:15). Tot eer van onze God, tot welzijn van anderen en onszelf.

 

Maar u en ik zijn vaak eigen-wijs. We zijn niet op onze hoede, we zijn niet voorzichtig, we laten niet eerst het Woord van God spreken. Dom van ons, want de HERE Zelf is een bescherming - wat willen we nog meer - voor hen die oprecht (met een onverdeeld hart, dus gericht op God en zijn Woord) wandelen.

 

Het is aan alle kanten aantrekkelijk om in alles rekening te houden met en te leven bij de Schrift.

Vers 9 evenals vers 5 van Spr. 2 zeggen beide: dan - dat wil zeggen in dat geval - is er sprake van verstaan.

Als wij leven naar de verzen 1 tot en met 4, ontstaat en groeit het inzicht (vs. 5 en 9) en is er de ervaring van wat wordt gezegd in de verzen 6 tot en met 8.