G. ZWART

Wat zeg je eigenlijk ?

Het is een bekend feit, dat in gesprekken dikwijls uitdrukkingen en gezegden worden gebruikt, die weinig of geen inhoud hebben en die men dus eigenlijk gerust kan weglaten. Er zijn evenwel ook gezegden die ondoordacht gebruikt worden, en waarvan men zich niet bewust is dat deze ontleend zijn aan de bijbel, het Woord van God.

Dat de mensen in de wereld die gezegden z gebruiken, moeten we natuurlijk afkeuren. Helaas wordt dat ook onder gelovigen gevonden, wat zeer te betreuren is. Het lijkt mij goed daarvan enkele voorbeelden te laten volgen.

1. De deugd in het midden

Dit zegt men wel eens, als men uit vriendelijkheid of beleefdheid iemand in het midden wil laten zitten of lopen. Maar de enige Mens, die op aarde de Deugd was, wilde temidden van zondaren komen tot hun heil, en ging zover dat Hij daarvoor wilde sterven aan een kruis, hangend in het midden! (Joh. 19:18). Het is daarom zeer ongepast om deze uitdrukking te gebruiken.

2. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak of kortaf: Zwak maar gewillig

Eens vroeg ik een broeder: Hoe gaat het? En kreeg bovenstaand antwoord. En dat was niet de enige die zo deze uitdrukking gebruikte. Maar als wij bedenken dat onze Heer in die vreselijke nacht waarin Hij verraden werd en Satan zijn aanslagen op Hem richtte, deze woorden tot zijn discipelen sprak (Mark. 14:38), zullen wij ons er voor wachten Hem gedachteloos na te praten. Dan zullen we het David nabidden en nazeggen wat in Ps. 141:3 staat.

3. Abraham gezien

Als iemand 50 jaar geworden is, wordt dat als een grapje gezegd. Toen de joden de Heer Jezus in hun ongeloof als van God gekomen afwezen, betuigde de Heer dat zelfs Abraham in het geloof naar Hem had uitgezien (Joh. 8:56). Dit ontlokte zijn vijanden de smalende uitroep: "Gij zijt nog geen vijftig jaar, en hebt Gij Abraham gezien?" (vs. 57 ) Hierop antwoordde de Heer (vs. 58): "Vr Abraham werd, ben Ik". (Als de IK BEN, de EEUWIGE, de ALMACHTIGE, zie Exodus 3:14, 15). Laten wij deze uitspraak van zijn vijanden maar niet overnemen.

Wij kunnen als gelovigen onze Heer nu al in het geloof zien, beter nog dan Abraham (Hebr. 12:2). En eens in volmaaktheid, want "wij zullen Hem zien zoals Hij is" ( 1 Joh. 3:2).

4. Onderzoekt alle dingen en behoudt het goede

Deze zin wordt dikwijls als een argument gebruikt om zich bezig te houden met, of te verdiepen in, nutteloze en vaak gevaarlijke onderwerpen en leringen. De tekst waaraan bovenstaande zin ontleend is, luidt echter anders: "Beproeft alles" enz. (1 Thess. 5:21).

Onderzoeken op geestelijk terrein is vaak een zich onnodig verdiepen in dingen die onnut en zelfs gevaarlijk zijn. Beproeven is testen, toetsen aan het Woord van God (1 Joh. 4:1). Laten wij daarom geestelijke besmetting vermijden! (1 Thess. 5:22 en 2 Kor. 7:1).

5. Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen

Dit wordt in de wereld wel eens vergoelijkend gezegd in verband met iemand die in openbare zonde leeft. De uitspraak is ontleend aan Joh. 8:7. Helaas wordt ook wel eens op dezelfde wijze gesproken door gelovigen over een medegelovige, van wie een zonde bekend wordt of bekend is. Gelovigen mogen de ogen niet sluiten voor het kwaad, maar hebben de verantwoordelijkheid de persoon in kwestie in alle ootmoed er op te wijzen, tot zijn of haar herstel (Hebr. 10:24; Jak. 5: 19, 20).

6. De inwendige mens gaan versterken

Deze uitdrukking wordt dikwijls gebruikt als men zich aan de maaltijd zet. Maar dit betreft juist de uitwendige, uiterlijke mens, het lichaam. De inwendige, innerlijke mens van de gelovige is de mens in Christus, de nieuwe schepping (2 Kor. 5:17). Daarvan schrijft de apostel in 2 Kor. 4:16, dat al raakt ook de uiterlijke mens (het lichaam) in verval, toch wordt de innerlijke mens van dag tot dag vernieuwd, versterkt. Dat kan als wij door Gods Geest met kracht gesterkt worden naar de innerlijke mens (Efeze 3:16), met de heerlijke gevolgen die daarna genoemd worden.

En dan verlustigen wij ons in de wet van God (het Woord van God) naar de innerlijke mens (Rom. 7:22). Was dat bij ons maar meer het geval!

Ongetwijfeld worden in de wereld wel meer van dergelijke uitdrukkingen of gezegden gebezigd, maar bovenstaande moge er toe bijdragen, dat wij als kinderen Gods bedachtzaam overwegen wat we zeggen. Helaas worden door ongelovigen de namen "God" en "Jezus" veel misbruikt, en we dienen daartegen, zo mogelijk, te protesteren.

Maar het komt zelfs voor dat gelovigen in hun spreken ondoordacht de twee beginletters van deze namen bezigen, Dat is natuurlijk zeer verwerpelijk. Op vele plaatsen in Gods Woord wordt tegen dit kwaad gewaarschuwd (zie Jak. 3: 5-12).

Laten wij de woorden van Ps. 34:14a en Spr. 4:24 ter harte nemen, en het gebed van David in Ps. 141:3 steeds in ons hart aanwezig zijn: "Here, zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur van mijn lippen!"

 

Elke dag, ja ied're stond,
zij Uw lof meer in mijn mond;
laat mijn lippen zijn vervuld
van de Losser van mijn schuld!