Operatie Informatie

Wijsheid uit het Spreukenboek

 

E. OUWENEEL

(5)

 

Wij - u en schrijver - worden aangemoedigd ons te laten aanspreken en te injekteren door de wijsheid die van boven is. Opdat wij mensen van God zouden zijn zoals God dat bedoelt en zoals Hij dit konkreet mogelijk maakt door zijn informatie. En we mogen ons wel realiseren dat de Goddelijke mogelijkheden groot zijn. Wij moeten belijden dat wij vaak veel te gering over onze God denken. En dat wij veel reden hebben ons over ons ondermaats geloof te schamen...

 

Maar onze God - in zijn genade - laat Zich kontinu horen.

De Wijsheid roept!, zegt hfst. 1:20.

Er moet een streep onder het lidwoord de, want het gaat hier om de wijsheid van God. Een stroom van wijsheid (informatie) - licht in alle nuances wordt uitgegoten over de menselijke samenleving, die wij noemen de maatschappij: gelovigen en ongelovigen. Over het terrein van ons wonen en werken, bewegen en rusten, handelen en wandelen, besturen en bestuurd worden en over al het aards gewemel, kortom: over heel de rumoerige stad (vs. 21). De stad is in de Schrift het terrein van de mens. Op de eerste bladzijden van de bijbel worden we hiermee al gekonfronteerd. Het domein, waar de mens het heft in handen meent te hebben. Zoals Kain een stad bouwde en God daarbij niet nodig had (Gen. 4:16-17).

In die stad wonen wij. Daar zijn wij allemaal geboren: in deze wereld, in dit ingewikkelde systeem, waar de duivel alle macht heeft (Luk. 4:6). Wij vergeten dit wel eens en daardoor komt ons onderscheidingsvermogen wel eens in de knel. Deze machtige is, naar de uitspraak van de Heer Jezus Zelf, een mensenmoorder van het begin af, een leugenaar en de vader er van (Joh. 8:44). En de apostel Paulus noemt hem de god van deze eeuw, die in de ongelovigen de gedachten heeft verblind (2 Kor. 4:4). Derhalve een boze geest, een boze macht. Een keiharde werkelijkheid.

Het is duidelijk dat de overste van deze wereld (Satan) (Joh. 12:31, 14:30 en 16:11), deze inspirator en leider van onze "beschaving", onafgebroken in alle toonaarden zijn geluid laat horen.

Niet minder duidelijk is het daarom dat de Wijsheid ROEPT. Met zeer sterke stem. De gelovigen worden aangevuurd tot waakzaamheid en geestelijke groei. De ongelovigen horen kontinu de oproep om acht te geven op de stem van God en zich te bekeren.

 

De mens is in de wereld. In deze wereld is een weg van wijsheid en is een weg van dwaasheid. En over beide wegen klinken de stemmen…

In vers 22 worden de onverstandigen (de slechten = de eenvoudigen) er onomwonden op geattendeerd dat het een kwalijke zaak is om deze toestand van simpelheid - deze status van gemakkelijke be-invloeding - te beminnen. De Wijsheid heeft namelijk heel wat te bieden.

Daarom is in de verzen 20 t.m. 33 het aspekt van de verantwoordelijkheid sterk in het geding.

 

Hoe lang? vraagt de Wijsheid.

Onverstandigen, spotters en dwazen krijgen deze vraag te horen.

De mensenwereld is het gebied waarnaar Gods genade zich uitstrekt, maar is eveneens het terrein waar Gods regering zich manifesteert, ook al is Satan hier een machtige heerser. Gods genade zegt: Hoe lang zal Ik nog verdragen? Dat raakt Gods lankmoedigheid, zijn geduld.

Gods regering - in heiligheid en gerechtigheid - eist op een ogenblik: Tot hiertoe en niet verder.

Dat geldt alle mensen: gelovigen en ongelovigen.

Mensen zijn schepselen van God. Hij gaf en geeft aan allen de adem van het leven (Gen. 2:7, Pred. 12:7) en daarom zijn allen aan hun Schepper onderworpen.

De zonde heeft de oren verdoofd en het normbesef verduisterd.

Satan regeert nu de mensheid, welke zich laat leiden door horizontale, van beneden-uit geďnspireerde beginselen, dwars tegen God in.

Dat is de geest van onafhankelijkheid. Dat is de eigenwil. En het is te verstaan dat deze zeer aktieve geest in flagrant kontrast is met de Wijsheid.

Het is daarom - zoals reeds gezegd - dat deze Wijsheid ROEPT.

Roept tot de orde.

En dit betekent voor de machtige tegenstander van God kontinu-arbeid om tegenstem te geven, want de hemelen houden hun mond niet en het uitspansel doet er evenmin het zwijgen toe (Psalm 19).

Hoe ook op het Goddelijk roepen wordt gereageerd, God zal eenmaal tenvolle zijn doel bereiken: zowel bij hen die naar Hem hebben geluisterd als bij "de anderen" (Ef. 2:3, 1 Thess. 4:13 en 5:6) die de aansporing tot geloofsgehoorzaamheid hebben genegeerd.

Verontschuldigingen zijn er voor God niet. Rom. 1:19-21 maakt dit glashelder. Zoekt u deze plaatsen wel op.

 

Maar nu de positie van het volk van God.

Aan de gemeenten van Galatië, tot de gelovigen dus, wordt onomwonden gezegd: "Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten" (6:7).

Dat is de les die ons in Spr. 1:20-33 voor ogen wordt gehouden.

Gods genade vergeeft - na eerlijke belijdenis. Hier en nu. Gods regering eist straf. Hier en nu.

Duidelijke Schriftplaatsen in dit verband zijn: Num. 14:18 en Ps. 99:8. Ten aanzien van de vergeving mag met name worden verwezen naar 2 Sam. 12:13, Ps. 89:34 en Spr. 28:13. Inzake Gods handelen in zijn regeringswegen noemen we 2 Sam. 12:10 en Ps. 89:31-33. Ook Hebr. 12:4-11 vraagt hier onze aandacht, wat betreft de tucht over zijn kinderen.

Om de stem van God - zijn roepen - in deze dingen te verstaan en er door gediend te worden, adviseer ik u dringend deze plaatsen zorgvuldig te lezen en te overdenken. Voor kennisgeving aannemen, oppervlakkig lezen heeft in deze samenhang weinig zin, maar is bovendien gevaarlijk en speelt de duivel in de kaart. Want ook hij heeft zijn visie achter de hand.

Als volk van God moeten we het hoe en waarom van de zaken kennen. Gelovigen mogen de in vers 22 gesignaleerde eenvoudigheid (onwetendheid) niet beminnen. De risiko's zijn te groot. In dit licht spreken de verzen 20 t.m. 33 voor zichzelf en is het niet nodig regel voor regel onder de loep te nemen. Heel mooi is vers 33: luisteren naar de Wijsheid en die ter harte nemen en daarin groeien, dat is veiligheid. En dat in ónze wereld!