Operatie Informatie

Wijsheid uit het Spreukenboek

 

E. OUWENEEL

(3)

 

Om deze artikelenreeks goed te kunnen volgen, is het nodig dat u uw bijbel bij het Spreukenboek open hebt. Het is niet de opzet de teksten telkens apart te citeren, zoals b.v. in "De hemelsblauwe draad" van Dr. H. A. Ironside.

Dit moet in eerste instantie worden gezegd: luisteren is een belangrijk kenmerk van wijsheid.

De eigenwijze is niet veel bij te brengen. Die is onder alle omstandigheden, naar de praktijk leert, altijd al voldoende van alle dingen op de hoogte.

Eigenwijsheid bij een gelovige is een nare eigenschap, omdat juist zo iemand als regel meer praat dan goed voor hem of haar en anderen is. Inderdaad, naar en onheil stichtend voor de omgeving. Maar uitermate beschamend voor de bewuste persoon, wanneer wij Christus als de afhankelijke knecht horen zeggen: "De Here HERE heeft mij als een leerling leren spreken... Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hore zoals leerlingen doen" (Jes. 50:4).

In hoofdstuk 53:11 zien wij de uitwerking van "zijn kennis".

En is het niet aangrijpend Hem als jongen van twaalf jaar in de tempel te zien, "waar hij zat temidden van de leraren, terwijl hij naar hen luisterde en hun vragen stelde"?

Wat zal dan een mens, een gelovig mens?

Wie wil horen en kan luisteren - dat kan met ogen en oren en via nadenken (gebed, meditatie) - krijgt (groeit in het) besef ten aanzien van de essentie der dingen. Die zal niet lijden aan een eenzijdig en/of oppervlakkig gedachtenleven, maar een mens zijn die inzicht heeft in het hoe en waarom van zoveel dat vaak versluierd op ons afkomt. Dat leert ons Spr. 1:5-6.

 

Natuurlijk gaat het niet om weten-zonder-meer.

De Spreukenbundel stelt direkt al in de aanvang dat de vreze des HEREN het begin, de start is van het weten en kennen (1:7). Uiteraard dus ook de grondslag, het principe.

Er wordt in dit vers uitdrukkelijk over Jahweh en niet over God gesproken. De naam (van) God wordt slechts zes maal in dit boek vermeld: hoofdstuk 2:5 en 17, 3:4, 25:2 en 30:5 en 9. Altijd is het HERE (Jehovah, Jahweh), de naam waarmee God Zich specifiek verbindt aan zijn volk.

Vreze des HEREN betekent hier: vertrouwen met verschuldigd ontzag. Daar ligt de bron van het ware weten. Het besef van de absoluutheid van het wezen, het spreken en het doen van Hem, die kommunikatie wenst met zijn schepsel, beter zijn volk.

De christelijke positie gaat verder, dieper. Is rijker, warmer. Daar is de Vader/kind-verhouding aan de orde. Als het goed is de Vader-zoon-relatie. U kunt dat met name gekonkretiseerd vinden in de brieven van de apostelen. De uitdrukking "vreze des HEREN" komt naar mijn onderzoek in de Spreuken 14 x voor. In ieder geval volgens de Statenvertaling. Dat is 7 x 2.

Het getal 7 wijst naar Gods volmaaktheid in regeren en handelen. God is als HERE duidelijk soeverein in wijsheid (wetenschap). Hij alleen. Het getal 2 duidt konkreet in de richting van de mens: "man en vrouw (manlijk en vrouwelijk) schiep Hij hen" (Gen. 1:27). Daarbij gaat het om de volledige mens die "slechts" hoeft open te staan om op te vangen, om daarna te kunnen verwerken en vervolgens doorstromingskanaal te zijn.

Als de vreze des HEREN werkelijkheid is bij het volk van God, dan is er het (geestelijk) groeien in het opmerken en onderscheiden. In deze wereld is alleen Gods volk - mits in hiervoor genoemde situatie - werkelijk op de hoogte (ge´nformeerd).

Wie God zˇ niet vreest - en dat is persoonlijk bedoeld - zit op de verkeerde golflengte.

De Schrift boekt zulke mensen onder de afdeling: dwazen en verachters. Het is een kwalijke zaak als aan Christus-belijders een dergelijk verwijt gemaakt zou (moeten) worden. Slordigheid in handel en wandel duidt op verachting van de "spelregels" in het christelijk leven. Daarom zegt de apostel: "Ziet dan nauwlettend toe hoe gij wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen" (Ef. 5:15). Met andere woorden: daar moet je als christen echt het nodige voor doen. Iedereen begrijpe dat nonchalance en oppervlakkigheid uitsluitend negatieve, desastreuze gevolgen met zich meebrengen. Dat geldt individueel en kollektief.

"Weest daarom niet onverstandig, maar verstaat wat de wil van de Heer is" (Ef. 5:17).

Het is zeker waar dat Job 28:28 wel heel scherp aangeeft waarop het aankomt: "Zie, de vreze des HEREN - dat is wijsheid, en van het kwade te wijken is inzicht" (Zie ook Ps. 111:10).

De apostel Paulus onderstreept dit ondubbelzinnig in Rom. 16:19: "Ik wil, dat gij wijs zijt in het goede, maar rein ten opzichte van het kwaad". En het mag in dit verband wel gezegd worden: laat de christen - als het er op aan komt - iedere maatschappelijke werker (werkster), elke psycholoog of psychiater, die geen kennis heeft aan de vreze des HEREN, ˇf afwijzen, ˇf met de grootste voorzichtigheid raadplegen en aanhoren.