Dopen waarom eigenlijk?

(4)

J.G. FIJNVANDRAAT

 

Het eerste deel van de verhandeling over de doop is met het artikel van de vorige maand afgesloten. Vr ik verder ga met het bespreken van de symbolische betekenis van deze handeling, wil ik graag bij dit eerste deel een aantal leerstellige notities plaatsen.

 

Een warwinkel van meningen

De bijbel laat ons niet in het ongewisse over de betekenis van de doop, zo heb ik eerder gesteld. Ondertussen valt het niet te ontkennen, dat er juist over de doop een veelheid van opvattingen bestaat. We mogen zelfs rustig spreken van een warwinkel van meningen. Om dit te bewijzen geef ik er een in feite verbijsterende staalkaart van:

1. De doop bewerkt samen met de H. Geest de wedergeboorte.

Dit standpunt wordt ingenomen door de Rooms Katholieke, de Grieks-orthodoxe en de Anglikaanse kerk. Daarbij past men de doop toe zowel op volwassenen als op kinderen. In het "Bijbels Woordenboek", uitgave J. J. Romen en Zn., Roermond 1941, is het zo gesteld:

"Het (doopsel) heeft uit zichzelf kracht tot reiniging van zonden en tot heiliging, want het bewerkt de noodzakelijke wedergeboorte uit water en den H. Geest (Joh. 3:1-8), zonder welke men blijft buiten het Rijk Gods".

En in het formulier om de doop aan de kinderen te bedienen, dat in de Anglikaanse kerk gebruikt wordt, heet het:

"Daar wij nu zien, geliefde broeders, dat dit kind door de doop wedergeboren is en ingelijfd is in de Kerk van Christus, laten we de almachtige God danken voor deze weldaden."[1]

2. De doop moet toegediend worden aan gelovigen

Op grond van Matth. 19:14 moeten we aannemen, dat kinderen kunnen geloven, dus komt hen ook de doop toe. Dit is het standpunt, dat door Luther werd verdedigd. In het kleine doopboekje, uitgegeven in 1526, schrijft hij de volgende procedure voor:

"O almachtige, eeuwige God, Vader van onze Here Jezus Christus, ik roep U aan betreffende (naam van het kind), uw knecht, die vraagt om de gave van uw doop, en die uw eeuwige genade verlangt door de geestelijke nieuwe geboorte. Ontvang hem, o Heer, zoals gij hebt gezegd: "Vraag en ge zult ontvangen, zoekt en ge zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden".[2]

Vervolgens worden er vragen aan de baby gesteld, die moeten worden beantwoord door hen, die het kind ten doop houden.

3. De doop is als het teken van het nieuwe verbond in de plaats gekomen van de besnijdenis, het teken van het oude verbond.

Daar de kinderen van de gelovigen mede in dit verbond zijn begrepen komt hen niet minder dan de volwassenen de doop toe.

Dit is de opvatting van het calvinisme, zoals blijkt uit zondag 27 van de Heidelbergse Catechismus, Art. 34 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en uit het formulier om de doop aan kinderen te bedienen.

4. De waterdoop is overbodig. De enige doop waar de christen mee te maken heeft, is de doop met de Heilige Geest.

Deze gedachte wordt gevonden bij de Quakers. Ook het Leger des Heils hecht geen waarde aan de waterdoop. Het heeft daar zijn eigen ceremonie voor in de plaats gesteld, aangezien het op de vorm niet aankomt, immers "de letter doodt, maar de Geest maakt levend".

Zeer sterk tegen iedere vorm van dopen keren zich de zogenaamde Ultradispensationalisten. Ze beroepen zich op de uitspraak van Paulus, dat God hem niet gezonden heeft om te dopen. Slechts de drie gevangenisbrieven (Efeze, Filippi, Kolosse), geschreven vanuit Rome, geven de waarheid van de gemeente, het lichaam van Christus weer. Deze opvatting, die ook wel "Bullingerisme" wordt genoemd, naar de eerste verkondiger E. W. Bullinger, wordt in ons land bij enkele groepen gevonden.

5. De doop is noodzakelijk voor de eeuwige zaligheid.

Op grond van Mark. 16:16, Hand. 2:38 en 1 Petr. 3:20, 21 wordt dit geleerd door de "Gemeenten van Christus".

6. Men kan zich bij volmacht laten dopen voor hen, die overleden zijn.

Deze leer wordt gepropageerd door de Mormonen met een beroep op 1 Kor. 15:29.

7. De doop vormt de toegangspoort tot de gemeente en mag alleen aan gelovigen toegediend worden.

Dit is het standpunt van de Baptistengemeenten. Behalve op Mark. 16:6 (volgorde), de vele voorbeelden in de Handelingen, beroept men zich op de symbolische betekenis van de doop als een begraven worden met Christus.

8. De doop vormt de deur tot het koninkrijk der hemelen ofwel het huis Gods zoals het door de mens wordt gebouwd.

Door zich te laten dopen neemt de gelovige met zijn huis een bevoorrechte plaats in, gescheiden van deze wereld.

Deze mening wordt gevonden bij hen, die de zogenaamde huisdoop voorstaan.

9. De doop is een symbolische handeling die wordt toegepast op hen die het evangelie hebben aangenomen. Zij belijden discipelen ofwel christenen te zijn en worden als zodanig erkend door degene die hen doopt.

Dit is het standpunt dat in deze verhandeling naar voren wordt gebracht..

 

Alsof hiermee de verdeeldheid al niet erg genoeg is, treden er ook nog verschillen op in de vorm en in de te gebruiken formule. Zij die de doop van gelovigen voorstaan, leggen er in de regel de nadruk op, dat de doop door onderdompeling moet plaatsvinden. Zij die ook kinderen dopen, zijn geneigd aan de hoeveelheid water geen waarde toe te kennen en besprenkelen of overgieten de dopeling.

 

Als formule worden door de een de woorden van Matt. 28:19 uitgesproken, een ander gebruikt de woorden "In de naam van Jezus".

Daarbij zijn er in het eerste geval die de dopeling driemaal onderdompelen en daarbij telkens n naam van de drienige God uitspreken.

Als bijzonderheid noem ik een zekere groep Mennonieten die de doop alleen geldig acht als die geschiedt in "levend" d.w.z. stromend water.

Tenslotte is er nog verdeeldheid over de bevoegdheid om te dopen. In "kerkelijke kringen" acht men het nodig dat dit gebeurt door iemand die daartoe geordend is. In de "vrijere groepen" is men de overtuiging toegedaan dat in principe elke gelovige deze handeling kan verrichten.

 

Waar ligt de schuld?

Deze opsomming heb ik niet gegeven om af te schrikken, maar alleen om er een les aan te verbinden. Bovendien komen de meesten van ons met vele van deze meningen in aanraking, Een bespreking is dus wel op zijn plaats. Die geef ik echter niet hier, dat komt wel bij de verdere behandeling van mijn onderwerp. Het gaat me er nu alleen om de oorzaak van deze verdeeldheid op te sporen. Waar ligt de schuld? Is de bijbel soms zo onduidelijk op dit punt? Ik zal niet ontkennen dat er ten aanzien van de doop bepaalde uitspraken in de bijbel staan die niet zo gemakkelijk door ons te begrijpen zijn. Maar dit niet begrijpen ligt dan aan ons. De bijbel laat ons in het voorbeeld van Simon Petrus zien wat voor slechte luisteraars (lezers) wij zijn. De Heer Jezus had ten aanhoren van de discipelen gesproken over zijn lijden, sterven en opstanding. Waren zijn woorden niet duidelijk genoeg? O, jawel. Wij zouden zeggen: "Er was geen woord Frans bij". Maar het verhindert Petrus niet er een finaal andere mening op na te houden. Hij gaf als kommentaar: "Heer, dat zal u geenszins geschieden". Was dit slechts een impulsieve kreet van Petrus? Beslist niet. Behalve het feit, dat Satan hier achter stak, moeten we ook zeggen, dat Petrus grond meende te hebben voor zijn mening. Als je het hem gevraagd zou hebben, zou hij je bedolven hebben met teksten, die zeggen dat de Messias zijn vijanden zou onderwerpen in plaats van door hen gedood te worden. Hij had heus wel argumenten, de vraag is echter of die argumenten klopten.

 

Ontsporingen

Met het bovenstaande heb ik meteen n van de ontsporingen in Schriftuitleg gesignaleerd, die kunnen optreden. En wel, een eenzijdige benadering van de Schriftgegevens. Bij de doop zien we dat gebeuren bij hen, die beweren dat deze handeling noodzakelijk is voor het eeuwig behoud. Men laat zijn mening niet korrigeren door andere teksten, die over de verkrijging van het eeuwig behoud spreken.

Een tweede ontsporing vindt plaats als men een tekst op het eerste gezicht gaat verklaren. Men gaat dan bijvoorbeeld uitspraken, die figuurlijk bedoeld zijn, letterlijk verklaren. Zij die Joh. 3:5 op de doop laten slaan, maken zich hieraan schuldig. Hier wordt klakkeloos de verbinding water-doop gelegd. Men gaat er aan voorbij dat in Joh. 4 en Joh. 7 ook van water sprake is en dat met die term in die gevallen beslist geen vloeistof bedoeld is, waarmee we onze dorst lessen. Bovendien laat men buiten beschouwing, dat in Jak. 1:18 en 1 Petr. 1:23 het Woord als middel van de wedergeboorte wordt genoemd. Ten slotte heeft men in dit geval verzuimd Ef. 5:26 in het geding te brengen. Deze tekst laat immers zien, dat water een symbool is voor het woord. (N.B. Het is juist zo belangrijk, dat de apostel Johannes, die over de voorwaarden voor het verkrijgen van het eeuwig leven spreekt, als enige schrijver van een evangelieboek, de christelijke doop en het avondmaal, niet vermeldt).

Een derde ontsporing vindt plaats als men van een verschil in belichting een verschil in betekenis gaat maken. Zij, die in de doop tot de naam van Jezus een andere handeling zien dan in de doop tot de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, doen dat. En zij die de doop van Johannes praktisch gelijkstellen met de christelijke doop, maken zich schuldig aan het omgekeerde.

Ten slotte bestaat nog de mogelijkheid dat ons verstand met een tekst of een bepaald Schriftgegeven "op hol slaat". Een redenatie, waarbij de konklusie op konklusie gestapeld wordt, is dan het gevolg. Zij die stellen, dat de doop als teken van het nieuwe verbond in de plaats van de besnijdenis is gekomen, zijn in dit opzicht ontspoord.

 

Kort samengevat kan de volgende raad gegeven worden:

1. Beschouw een tekst in het licht van de omliggende tekst (de kontekst), want zoals de Engelsman zegt: Text without context is pretext" (vrij vertaald: een tekst zonder samenhang is een tekst waaraan je alles kunt ophangen).

2. Let er daarbij op of je te doen hebt met een figuurlijk spraakgebruik.

3. Vraag bij iedere bewering: "Waar staat het?" Wanneer er geen direkt tekstmateriaal aanwezig is, zal men met een afleiding de bepaalde mening gaan bewijzen. Ga na of dit een gerechtvaardigde afleiding is, of dat we met een afleidingsmanoeuvre te doen hebben.

4. Toets iedere bewering door er de konsekwentie van te trekken. Als men zegt, dat de doop noodzakelijk is voor het eeuwig behoud, trek dan daaruit de konklusie dat allen die ongedoopt sterven, verloren zijn. Ga vervolgens kontroleren of die konklusie steun vindt in de Schrift.

 

Wanneer we ons hieraan houden en in werkelijke afhankelijkheid van de Heer de kwestie van de doop onderzoeken, dan zullen we beslist te midden van de warwinkel van meningen de juiste weg wel vinden.


[1] Ontleend aan Alfred P. Gibbs: "Christian Baptism"

[2] Ontleend aan Alfred P. Gibbs: "Christian Baptism"