GRAAG AANBEVOLEN

 

J. VAN DER BIJL

 

Een jonge broeder uit A. vestigde zich voor zijn werk of studie in B. Hij was daar in de week, maar de weekends bracht hij door bij zijn familie in A., waar bij ook de onderlinge bijeenkomst bezocht en zijn plaats innam aan de tafel van de Heer. In B. ging hij echter naar de bidstond en sprak daar de eerste keer al een gebed uit. De broeders en zusters aldaar kenden hem niet en vonden het een beetje vreemd. Een paar broeders spraken hem na de samenkomst aan en vroegen naar een aanbevelingsbrief. Onze jonge vriend gaf dit door in A. maar kreeg te horen: "Dat is niet nodig, want je neemt altijd bij ons deel aan de broodbreking".

De kwestie is inmiddels wel goed opgelost, maar de vraag hoe deze kleine kortsluiting vermeden had kunnen worden, is niet onbelangrijk. Als we van een fout mogen spreken, wie was er dan fout? De broeders in B., die in dit geval een aanbevelingsbrief vroegen? De broeders in A., die dit aanvankelijk niet nodig vonden? Of misschien onze jonge broeder?

 

Laten we eens bij de laatste beginnen. Hij ging op een maandagmorgen van huis met de gedachte: ik ben D.V. zondag a.s. weer terug in "mijn eigen vergadering" en voor het bijwonen van de bidstond in B. heb ik geen aanbevelingsbrief nodig. Een heel begrijpelijke redenering. Hij had waarschijnlijk nooit anders gehoord dan dat een aanbevelingsbrief dient om elders te kunnen deelnemen aan de broodbreking. Bij ons allemaal staat het begrip "aanbevelingsbrief" bijna uitsluitend daarmee in verbinding.

We mogen het dus onze jonge vriend niet kwalijk nemen dat hij er zo over dacht. Eigenlijk zijn we met z'n allen een beetje fout door in de praktijk aan dit begrip zo'n beperkte inhoud te geven. De Schrift leert dat niet. Als we de bijbel opslaan, komen we het woord "aanbevelingsbrieven" alleen tegen in 2 Kor. 3:1: "Of hebben wij, zoals sommigen, aanbevelingsbrieven aan u, of aanbevelingsbrieven van u nodig?" Deze ene vermelding is genoeg om ons te laten zien dat de gemeenten in de apostolische tijd reeds de gewoonte hadden met aanbevelingsbrieven te "werken". Laten wij in onze tijd van verwarring en verdeeldheid dan beseffen dat ze nu nog veel harder nodig zijn dan toen. Al staat het woord "aanbevelingsbrief" niet voluit vermeld, toch vinden we nog meer aanbevelingen in het nieuwe testament.

In het rondschrijven dat uitging van de gemeente te Jeruzalem worden Judas en Silas genoemd als gekozen afgevaardigden, wat een aanbeveling inhield (Hand. 15:22-27). De broeders in Efeze schreven aan de discipelen in Achaje en vermaanden hen om Apollos te ontvangen (Hand. 18:27). In Rom. 16:1-2 en in Kol. 4:10 vinden we persoonlijke aanbevelingen van de apostel Paulus, en het lijkt me dat ook de brieven genoemd in 1 Kor. 16:3 van dezelfde strekking waren.

In geen enkele van deze teksten werd iemand speciaal aanbevolen voor deelname aan de broodbreking. Natuurlijk mag dat wel genoemd worden, maar het is een vanzelfsprekend iets zodra een gemeente iemand uit haar midden aanbeveelt.

Een aanbevelingsbrief diende dus om iemand als christen voor te stellen en aan te bevelen. De persoon in kwestie werd dan direkt in de gemeenschap opgenomen. Hierbij moeten we niet alleen denken aan toelating tot het avondmaal, maar ook aan gastvrije opname in de huizen en aan broederlijke omgang met hem of haar. De gemeenschap is heel wat meer dan het feit brood en beker toegereikt te krijgen.

Als dit ons helder voor ogen staat, mogen we ons afvragen of de broeders in A. de jonge broeder uit hun midden op dit punt genoeg voorlichting hebben gegeven, toen hij naar B. vertrok.

Onze vriend zat dus in B. en bezocht daar de bidstond, wat alleszins te prijzen is. Ik kan me goed voorstellen dat hij geen ogenblik aan een aanbevelingsbrief heeft gedacht. Stel je voor: een aanbevelingsbrief voor een bidstondÖ! Hij voelde zich thuis als broeder onder de broeders en vond vrijmoedigheid een gebed uit te spreken. Hoe goed dit ook geweest mag zijn, toch was het niet helemaal correct. Mogelijk heeft de "tale Kanašns", waarin wij ons soms onderscheiden van andere christenen, de broeders en zusters het idee gegeven "dat het wel goed zat".

Maar er klopte iets niet. De jongeman wist wel dat hij door zijn toelating tot de tafel van de Heer aan de dienst mocht deelnemen, maar dat konden de gelovigen in B. niet ruiken! Zij kenden hem niet en vonden het dus eigenaardig dat "die vreemdeling" zo maar begon te bidden. In het algemeen immers is het bij ons de gewoonte dat alleen de broeders die hun plaats innemen aan de tafel van de Heer zich laten horen. Ik heb het anders meegemaakt zonder dat we er iets van hebben willen zeggen, maar dat zijn uitzonderingen die de regel bevestigen. Terecht staan we op het standpunt dat een broeder slechts dan de mond van de vergadering kan zijn, als hij toegelaten is tot de tafel van de Heer en door het eten van het brood tot uitdrukking brengt dat hij deel uitmaakt van de gemeente. Dat had onze jonge broeder moeten bedenken voor hij zijn mond opendeed. Onwillekeurig en echt menselijk is bij alle aanwezigen in die bidstond de vraag opgekomen: wie is die vreemde die daar aan het bidden is? Zo werd de aandacht even van de Heer afgeleid. Het zou beter geweest zijn als hij die keer gezwegen had en na de samenkomst aan de broeders zijn verschijnen in hun midden uitgelegd had. In B. moest bekend zijn wie bij was.

Het was juist dat de broeders een aanbevelingsbrief vroegen. Iemand moet zichzelf niet aanbevelen. Aangezien de jongeman aan de dienst deelnam, mocht het feit, dat hij inderdaad ook in gemeenschap was aan de tafel van de Heer, wel bevestigd worden door zijn plaatselijke vergadering. Waarom zou het "gek" zijn als voor het begin van een bidstond een brief werd voorgelezen of een mededeling werd gedaan: broeder die en die, met ons in gemeenschap in A., verblijft door de week in B. en wordt in de liefde en de gemeenschap van de broeders en zusters aanbevolen? Alle verwarring of onzekerheid is dan voorkomen. God is een God van orde. Laat dan ook bij ons alles in orde geschieden.

 

Tegen de broeders in A. tot en met Z. zou ik willen zeggen: Geeft acht op elkaar en in het bijzonder op de jongeren die naar een andere plaats verhuizen, ook al zijn ze de weekends thuis. Begeleid ze door ze de nodige informatie mee te geven over plaats en uren van samenkomst in of bij hun nieuwe verblijfplaats. En stel eventueel ook de gelovigen daar ervan in kennis dat die jonge broeders of zusters met ons in gemeenschap zijn aan de tafel van de Heer. Is dit laatste (nog) niet het geval, waarom zou men hen dan toch niet introduceren in de kring van de kinderen Gods? Het kost weinig moeite om een brief te schrijven, zodat de betrokken personen in een andere vergadering opgevangen worden. Een aanbeveling is veel waard!