Vraag en antwoord

H. MEDEMA

 

Een broeder schreef ons: "Hier volgen enkele vragen voor behandeling in de vragenrubriek:

  1. Kan de Heilige Geest vrij werken door een broeder van wie bekend is, dat hij in zijn wandel een hinderpaal voor anderen is?
  2. Is het naar Gods gedachten, dat een broeder iets tegen een ander heeft en het, zonder er met hem over te spreken, voor de broedervergadering legt?
  3. Is het waar, wat in een morgensamenkomst in een dankzegging werd uitgesproken, dat de Vader met ons aanzit om de Zoon te aanbidden?

Antwoorden.

a.

Uit de vraag is niet helemaal duidelijk wat bedoeld wordt met "In zijn wandel een hinderpaal voor anderen is".

De Schrift vermaant alle gelovigen om:

  • te wandelen waardig de roeping waarmee zij geroepen zijn (Ef. 4:1);
  • te wandelen waardig het evangelie van Christus (Fil. 1:27);
  • de Heer waardig te wandelen (Kol. 1: 10);
  • te wandelen Gode waardig (1 Thess. 2:12);
  • te wandelen door de Geest (Gal. 5:16, 25).

Hoewel de Heilige Geest vrijmachtig is te werken door wie Hij wil, is het vanzelfsprekend dat deze werking belemmerd wordt als een gelovige niet wandelt zoals het behoort. Wanneer een broeder zich in de gewone dingen van het leven niet laat leiden door de Geest van God, zal hij ook bij de dienst in de samenkomsten niet voldoende kunnen onderscheiden wat de mening van de Heilige Geest is.


b.

Matthes 18:15-17 zegt heel duidelijk wat ik moet doen als een broeder tegen mij zondigt: Eerst een gesprek onder vier ogen; daarna - als dat niet helpt - met n of twee getuigen opnieuw proberen de broeder te winnen; als hij dan nog niet wil horen, moet de gemeente op de hoogte worden gebracht. Ook in het bovengenoemde geval moet z gehandeld worden. Elke andere volgorde is fout en kan daarom nooit tot goede resultaten leiden. Dat behoort iedere broeder te weten.


c.

Als wij in de "eredienst" komen tot aanbidding van de Heer Jezus en daardoor Hem bewonderen in alles wat Hij is en deed, is dat geheel overeenkomstig de gedachten van onze God en Vader. We geven dan uitdrukking aan de gevoelens die er zijn in het hart van de Vader ten opzichte van zijn Zoon. Als zodanig beleven we de gemeenschap met Hem (zie 1 Joh. 1:3), zoals we deze ook beleven met de Zoon als we komen tot aanbidding van God de Vader. Het is m.i. echter onjuist te zeggen "dat de Vader met ons aanzit".

De betreffende broeder zal het wel goed bedoeld hebben toen hij dit zei, maar hij heeft zich onzorgvuldig uitgedrukt. Wie in de samenkomst "de mond van allen" is, doet er goed aan te denken, dat hij zich z moet uitdrukken, dat allen "amen" kunnen zeggen op zijn dankzegging of gebed.