BROOD BREKEN IN EEN VAKANTIEVERBLIJF

 

J. VAN DER BIJL

 

Een paar broeders vroegen ons het volgende:

Enige gelovigen, die regelmatig met ons samenkomen aan de tafel van de Heer, zijn met vakantie. Er is in de omgeving geen plaats waar gelovigen vergaderen in de naam van de Heer Jezus. Is het dan goed als zij in hun vakantie-verblijf met elkaar voor één of twee keer brood breken?

 

Op deze vraag is niet onmiddellijk met één of twee bijbelteksten een antwoord te geven. We moeten er iets uitvoeriger over spreken.

In het oude testament vinden we een geval dat ons een paar aanwijzigingen geeft. In Num. 9 is o.a. sprake van iemand die op een verre reis is (vs. 10), en die daardoor verhinderd is het Pascha te vieren op de veertiende dag van de eerste maand, zoals God bevolen had. Mozes denkt er niet over om te zeggen: "Dan vier je het maar in de plaats waar je bent, of zoals het je uitkomt". Nee, hij gaat naar de wil van de Heer vragen. In de dienst van God mag niets aan menselijke willekeur worden overgelaten. Ook in bijzondere omstandigheden moet met God en zijn orde rekening worden gehouden. De Heer bepaalde dat het Pascha, in geval van onreinheid of afwezigheid, in de tweede maand op de veertiende dag gevierd zou worden, maar voegde er uitdrukkelijk aan toe: "geheel volgens de inzetting van het Pascha zal men het vieren".

Zodra het volk Israël in het land Kanaän was, gold ook deze duidelijke bepaling: "Gij zult het Pascha niet mogen slachten in een der steden, die de Here, uw God, u geven zal. Maar op de plaats die de Here, uw God, verkiezen zal om zijn naam daar te doen wonen, zult gij het Pascha slachten (Deut. 16:5-6).

Hoewel het avondmaal niet hetzelfde is als het Pascha, is dit alles tot onze lering geschreven (Rom. 15:4). Het gaat om een instelling van de Heer, waarbij alles wat Hij ermee verbonden heeft tot zijn recht moet komen.

In vers 13 van Num. 9 lezen we: "Maar de man, die rein is, en niet op reis, en nalaat het Pascha te vieren, die zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten, omdat hij op de daarvoor bepaalde tijd de offergave des Heren niet heeft gebracht; die man zal zijn zonde dragen". Hoe ernstig was dit voor een Israëliet!

Wij hebben geen gebod ontvangen om op elke eerste dag van de week het avondmaal te vieren. Maar als de Heer zijn wens uit om met ons gemeenschap te hebben aan zijn tafel, moet dat het hart raken van ieder die weet verlost te zijn door zijn kostbaar bloed. We staan niet onder een wet met een zware bedreiging, maar we beseffen heel goed dat het de Heer bedroeft als we zonder geldige reden wegblijven van de plaats waar Hij ons nodigt.

 

Men zal het met ons eens zijn dat het "op reis zijn" in Num. 9 niet betekent "met vakantie zijn". De Heer gunt ons een periode van ontspanning, maar Hij wil die tijd van rust met ons doorbrengen (zie Mark. 6:31). We moeten dus zorgen dat we Hem niet te kort doen. Laten we al het mogelijke doen bij het maken van onze reisplannen om daar heen te gaan waar we in de gelegenheid zijn de onderlinge bijeenkomst bij te wonen. De Heer moet de eerste plaats hebben in ons leven. Heeft Hij dat als we eerst onze vakantie bespreken en dan pas nagaan of we ergens met gelovigen kunnen vergaderen rondom Hem? We maken ons toch niet vrij van zijn dienst? Dat zal ons beslist niet tot zegen zijn! Laten we er toch allereerst aan denken dat we Hem geven wat Hem toekomt!

Het is dus al heel bedenkelijk als we op reis zijn gegaan zonder geinformeerd te hebben of er een "vergadering" ter plaatse of in de buurt is. Het is niet genoeg dat het mooie of stille plekje ons bevalt; bevalt het de Heer dat wij daar zijn? Is daar niet naar gevraagd, dan zitten we misschien ergens waar we de dood van de Heer niet kunnen verkondigen. En dan kan de vraag rijzen: kunnen we niet broodbreken met enkele gelovigen "uit ons midden" die ook tijdelijk in dezelfde omgeving zitten?

Als ons uitgangspunt niet goed was, maken we het er niet beter op door een avondmaalsviering te improviseren. We twijfelen niet aan de oprechtheid, of aan de ernst van hen die met bovengenoemde vraag rond lopen. Toch moeten we duidelijk stellen dat een dergelijke "gelegenheids"-broodbreking tekort doet aan wat de Heer met deze maaltijd heeft bedoeld. De Heer wil dat alles wat Hij met deze instelling gegeven heeft, tot zijn recht komt.

Bij het avondmaal denkt ieder die deelneemt - als het goed is - aan onze Heiland die voor ons stierf. Elke gelovige beantwoordt dan individueel aan de wens van de Heer: "doet dit tot mijn gedachtenis". Deze kant van de broodbreking staat voor de aandacht van die broeders die zich afvragen of ze dit met elkaar tijdens hun vakantie mogen doen. Maar dit is slechts één facet van deze instelling van de Heer. Er is ook de andere zijde: bij het breken van het brood geven we uitdrukking aan de eenheid van het lichaam van Christus (zie 1 Kor. 10:17). In dit verband spreekt de Schrift over "de tafel van de Heer". Het avondmaal van de Heer wordt gevierd aan de tafel van de Heer. Ze zijn niet te scheiden. De Heer heeft ze als één geheel gegeven aan de gemeente, niet aan individuele gelovigen. We komen dus als gemeente samen om de gedachtenismaaltijd te gebruiken aan de tafel die de Heer heeft opgericht voor al de zijnen in een bepaalde plaats. Door de verdeeldheid en de verwarring in de christenheid komen niet alle verlosten aan één plaats bijeen, maar onze droevige praktijk verandert niets aan het Goddelijke principe.

Wanneer enkele vakantiegangers "toevallig" ergens samenkomen, is dat geen samenkomen als gemeente. Daar ontbreekt dus ook het uitdrukken van de eenheid. Daarom kan dit geen tafel van de Heer genoemd worden. Er is ook geen continuïteit, want na één of twee zondagen is alles weer weg. Men weet van tevoren dat men dat in die plaats niet kan voortzetten "totdat Hij komt". Dat was de bedoeling ook niet, maar de Heer wenst dat wel. Zo'n avondmaalsviering wordt niet gevierd "geheel volgens de inzetting", en beantwoordt dus niet aan de bedoeling van de Heer. Daarom zijn wij er van overtuigd dat het niet naar zijn wil is.

 

Een tweede en laatste opmerking over de vraag of er dan nooit brood gebroken kan worden in een vakantie-verblijf.

Laten we een concreet voorbeeld nemen in eigen land: Terschelling. Het plaatselijk getuigenis daar werd opgeheven. Vele broeders en zusters waren gewoon daar hun vakantie door te brengen, omdat dit het enige van de Wadden-eilanden was, waar men kon samenkomen tot broodbreking, stichting en gebed.

Hoe moet dit nu? Zijn zij die er weer graag heen zouden gaan, verplicht een andere vakantie-bestemming te zoeken? Of kan men daar weer zoals voorheen samenkomen, zij het zonder plaatselijke broeders, misschien alleen met die ene zuster die er nog woont? Het zou niet goed zijn als een aantal gelovigen die misschien deze zomer elkaar op dit eiland ontmoeten, op eigen initiatief tot broodbreking zouden overgaan. Elk onafhankelijk handelen moet afgekeurd worden. De viering van het avondmaal is een zaak van de vergadering, hebben we juist in het voorgaande betoogd.

Zij die vrijmoedigheid hebben (weer) naar Terschelling te gaan, kunnen van daaruit de samenkomst in de dichtst bijgelegen vergadering, dat is Harlingen, bezoeken.

 

Aan het slot van dit antwoord, willen we het nog eens duidelijk herhalen: het avondmaal van de Heer wordt gevierd aan de tafel van de Heer. De broodbreking is dus een vergaderingszaak. Ook als we op reis zijn. Verkeren we in de onmogelijkheid om een samenkomen als gemeente te bezoeken voor de verkondiging van de dood van de Heer, laten we dan als Johannes doen, van wie we lezen: "Ik was in de Geest op de dag van de Heer" (Openb. 1:10). Overigens kunnen we, als we ver van een vergadering zijn, waar ter wereld ook, met andere gelovigen samenkomen om elkaar met het Woord te dienen, om samen te bidden of om samen God te loven en te prijzen. Dat laatste kan - ook zonder broodbreking!