GAARNE BEVELEN WIJ AAN .....

C. DE VRIES

Het opschrift laat zien dat wat nu volgt, over aanbevelingsbrieven gaat. Sommigen van u zullen denken dit stukje wel te kunnen overslaan. Daar weet u immers alles van?

Inderdaad, u weet dat u niet mag verwachten als onbekende, op uw eerlijke gezicht, toegelaten te worden aan de tafel van de Heer. En dát, met voorbijzien van de aanwijzingen van het woord van God en de orde die er in de gemeente van God gevonden behoort te worden.

U weet, dat de Schrift in 2 Kor. 3:1 zegt: "Hebben wij, zoals sommigen, aanbevelingsbrieven aan u of aanbevelingsbrieven van u nodig?" Hieruit blijkt dus dat het in de eerste tijd van de gemeente gewoonte was, broeders en zusters aan te bevelen door middel van een brief.

U weet dus dat een aanbevelingsbrief noodzakelijk is, wanneer u naar een vergadering gaat waar u niet eerder aan de broodbreking hebt deelgenomen. U weet ook dat het wenselijk kan zijn, opnieuw een brief mee te nemen als u geruime tijd die vergadering niet bezocht hebt.

Als het in de eerste tijd van de gemeente gewoonte was, zou het dan minder noodzakelijk zijn in de tijd van groot verval waarin wij leven?

Helaas, hoeveel oppervlakkigheid wordt er in de praktijk gevonden als het gaat om de aanbevelingsbrief.

Niemand zal zijn paspoort vergeten dat toegang geeft tot het land waar men zijn wil. Zou iemand dan wel de aanbevelingsbrief vergeten die praktisch toegang geeft tot de tafel van de Heer in de plaats waar men vertoeven wil? Het paspoort brengt u in aanraking met landen en volken van deze wereld. De aanbevelingsbrief opent de mogelijkheid opgenomen te worden in de kring van broeders en zusters die mede behoren tot de familie van God.

Het paspoort moet u wel tijdig aanvragen als u er nog geen hebt, anders vist u achter het net. De aanbevelingsbrief behoort tijdig gevraagd te worden en niet pas op de valreep, als sluitstuk van alles wat u denkt nodig te hebben. Daarom, "laat alles welgevoeglijk en met orde gebeuren" (1 Kor. 14:40).

Vanzelfsprekend zijn dit geen regels of voorschriften van broeders. Het is de wens van de Heer, dat we ook in betrekking met de aanbevelingsbrief in overeenstemming met Hem en zijn Woord zullen handelen.

Na deze praktische aanwijzingen, die voortvloeien uit een bijbels gegeven, is het nodig nog even stil te staan bij de voornaamste inhoud van de brief.

De aanhef van de brief is belangrijk.

Er wonen in A veel gelovigen. Velen ervan worden door ons niet gekend. Het is dus niet mogelijk te schrijven: "Aan de gelovigen in Christus te A", want slechts weinigen van hen zijn vergaderd tot de naam van de Heer Jezus. En voor hen is de brief bestemd. De aanhef zou dus ongeveer kunnen zijn: "Aan de gelovigen die vergaderd zijn tot de naam van de Heer Jezus te ... .

De brief zelf moet vermelden dat de daarin genoemde persoon zijn of haar plaats aan de tafel van de Heer inneemt en dat de betrokkene als zodanig aanbevolen wordt tot deelname aan de broodbreking en in de liefde en zorg van de broeders en zusters. Vanzelfsprekend is er alle ruimte voor zegenwens, bemoediging, of het wijzen op een uitspraak uit het woord van God, bestemd voor de gelovigen tot wie men zich richt.

Het slot van de brief behoort duidelijk te maken dat zij geschreven is namens hen die tot de naam van de Heer Jezus vergaderd zijn.

Het is natuurlijk niet de bedoeling een exact voorbeeld te geven of een vaste formule. Maar wel is het de bedoeling om te wijzen op beginselen die ook in een aanbevelingsbrief tot uitdrukking behoren te komen.

 

Wat niet in de brief hoort.

Helaas komt het voor dat opmerkingen gemaakt worden die strelend van strekking zijn. In de brief hoort o.a. niet te staan dat de aanbevolen broeder of zuster "zeer getrouw is". Waarschijnlijk wordt daarmee bedoeld dat de aanbevolene trouw de "onderlinge bijeenkomst" bezoekt. Men krijgt echter wel een vreemde indruk van die "trouw", als die broeder of zuster in de middagsamenkomst schittert door afwezig te zijn.

Ook uitdrukkingen als:
     - "een zeer goed getuigenis"
     - "grote belangstelling voor het werk van de Heer"
     - "ijverig in het evangelisatiewerk"
behoren niet genoemd te worden. Het zal je maar gebeuren dat dit in het openbaar gezegd wordt waar je zelf bij bent!

Dit wijzen op kwaliteiten van personen of vermelden van aktiviteiten, hoe goed ook bedoeld is misplaatst. Een gelovige wordt aanbevolen, omdat hij zijn plaats aan de tafel van de Heer inneemt en niet omdat hij allerlei kwaliteiten heeft, of aktiviteiten ten toon spreidt.

De gesignaleerde uitdrukkingen kunnen gedachten oproepen die in strijd zijn met de plaats die we aan de tafel van de Heer innemen. We denken daar toch niet aan dingen die met onze dienst te maken hebben, waarin we overigens altijd falen. We denken aan de Heer Jezus, die in de volmaaktheid van zijn Persoon en werk God verheerlijkte. We denken aan Hem, die in zijn grote genade ons in dat werk betrokken heeft.