DANIEL (slot)

 

H. MEDEMA

 

Drie programmapunten van de staatsopvoeding van DaniŽl en zijn drie vrienden in Babel noemde ik in het eerste artikel over dit onderwerp. Over de eerste twee is reeds het nodige gezegd. In historische volgorde was het derde punt: de naamstelling van deze vier mannen.

De namen die hun ouders hun bij de geboorte hadden gegeven, waren niet zo maar verzonnen. Ze hadden een diepe zin en stonden in verband met de godsdienstige overtuiging van deze ouders en getuigden van hun vertrouwen op God. De betekenis van deze namen is als volgt:

DaniŽl: mijn rechter is God

Hananja: genadig is de Here

MisaŽl: wie is als God

Azarja: hulp van de Here.

Twee namen stonden dus in betrekking tot Elohim (God) en twee tot Jehova (de Here).

De vier jonge mannen droegen die namen met ere. Hun praktische levensopenbaring, in gemeenschap met God en met de Here, was een weerkaatsing van de namen die zij droegen.

Hoewel onze geboortenamen meestal niet zo'n diepe zin hebben en ook niet veranderd zijn bij onze bekering, dragen we door onze nieuwe geboorte toch bepaalde "titels". We zijn door de wedergeboorte kinderen van God geworden en in de Schrift wordt onder meer gezegd dat we discipelen van Christus zijn en schapen van de goede herder. De kenmerken daarvan moeten in ons leven op aarde tot uiting komen, door het nauwgezet volgen van de Heer en door een intens luisteren naar zijn stem. We moeten wezen wat we zijn, zoals dat bij DaniŽl en zijn drie vrienden het geval was. Het is tot oneer van de Heer als we ons niet gedragen als kinderen van God, als discipelen van Christus en als schapen van de goede herder.

Het zal deze vier mannen verdriet gedaan hebben, dat hun namen werden veranderd in die welke ontleend waren aan de in Babel geŽerde en door hen verfoeide afgoden. Waarschijnlijk hebben ze het als een schande beschouwd, hoewel we van een verzet tegen deze maatregel niets in de Schrift lezen.

Voor zichzelf hebben ze vastgehouden aan de betekenis van hun oorspronkelijke namen. Mensen mochten hen anders noemen, bij God bleven ze bekend als DaniŽl, Hananja, MisaŽl en Azarja. Hun levenshouding bleef dan ook een weerspiegeling van deze namen.

Ze zijn onberispelijk gebleven, van onbesproken gedrag temidden van een verkeerd en verdorven geslacht, waaronder zij schenen als lichten in de wereld, doordat zij het woord des levens vertoonden (of vasthielden). Vergelijk met Filippi 2:15-16.

Het moet bepaald niet eenvoudig voor hen zijn geweest om als enkelingen onder de massa zich zo te openbaren. Dat zal volharding, beslistheid en strijd hebben gekost. Ook hier geldt echter het gezegde: "Een goed begin is het halve werk". De rijksgroten in Babel en ook de overige "intellektuelen" in dit rijk wisten hoe DaniŽl en zijn vrienden dachten, hoe ze voet bij stuk hielden als het ging om hun principes. Ze hadden van meet af aan duidelijk kleur bekend.

Dat is vandaag de dag nog uiterst belangrijk. Zodra we de indruk wekken dat er wel te marchanderen valt op bepaalde punten, zijn we een deel van onze kracht kwijt. Wanneer men in onze naaste omgeving merkt, dat het ons heilige ernst is met het beleven van onze principes, zal men ons in dat opzicht gemakkelijker accepteren en serieus nemen. Daar rust ook de zegen van God op. DaniŽl en zijn drie vrienden hebben dat ondervonden toen ze geŽxamineerd werden, eerst op hun lichamelijke konditie, daarna op hun geestelijke capaciteiten.

Glansrijk doorstonden ze die toetsen. Ze werden tienmaal voortreffelijker bevonden dan alle geleerden en bezweerders, toen de koning hen ondervroeg in elke zaak waarin het aankwam op wijs inzicht.

Zonder reserve kan worden gesteld dat deze mannen de wijsheid bezaten die van boven is, waarvan Jakobus zegt dat zij is: in de eerste plaats rein, vervolgens vreedzaam, inschikkelijk, gezeggelijk, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig, ongeveinsd (Jak. 3:17). Een geest en gezindheid om jaloers op te worden, maar ook nu bereikbaar voor ieder die zijn vertrouwen op God stelt en wiens praktische levenshouding de toets van de Goddelijke beoordeling kan doorstaan.

Nebukadnezar heeft zijn zin niet gekregen. Zijn pogingen om deze Judese ballingen los te weken van de God van hun vaderen en hun godsdienst, hebben schipbreuk geleden. Zij stuitten af op de geloofskracht en geloofsmoed van speciaal DaniŽl, die ook in zijn verdere leven alle aanvallen daarop pareerde.

Op DaniŽl kan worden toegepast wat eeuwen later een andere profeet van Goddelijke verborgenheden schreef: "Dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof" ( 1 Joh. 5:4).

Ik ben geneigd ook het merkwaardige, maar veelzeggende slotvers van het eerste hoofdstuk van DaniŽl in dit licht te lezen: "DaniŽl bleef daar tot het eerste jaar van koning Kores".

Toen Nebukadnezar reeds lang gestorven was, toen het door hem gestichte wereldrijk al jaren van het toneel was verdwenen en toen de dinastie van de Meden verleden tijd was, stond DaniŽl nog in ongebroken geloofskracht. Zo gezien is dit vers een geweldige profetie van het feit dat de macht van God verder reikt dan die van aardse machten en machthebbers en dat zijn beloften vervuld worden ondanks het woeden van de volkeren (vergel. met 1 Joh. 2:17).

Het werd DaniŽl vergund mee te maken dat Kores, de koning van PerziŽ, het dekreet uitvaardigde om in Jeruzalem de tempel te herbouwen en alle ballingen op te wekken naar het beloofde land terug te keren. Zijn hoop op de verlossing van het overblijfsel uit de ballingschap, gegrond op de beloften van God bij monde van de profeet Jeremia, werd ten slotte verwisseld in aanschouwen. Het is in te denken dat DaniŽl toen in dezelfde geest gesproken of gedacht heeft als later de oude Simeon: "Nu laat gij, Heer, uw slaaf in vrede heengaan naar uw woord, want mijn ogen hebben uw heil gezien, dat gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken" (Luk. 2:29-31 ).

 

Terecht is wel eens de vraag gesteld of DaniŽl in Babel zijn vreemdelingschap heeft kunnen bewaren en beleven. Hij bekleedde immers hoge funkties in de opeenvolgende rijken. Zelfs de hoogste plaats onder koning Darius werd hem toegedacht, omdat een uitnemende geest in hem was.

Moest hij daardoor niet meedoen aan het politiek gekonkel dat noodzakelijk aan zo'n funktie verbonden is? Heeft hij toen niet moeten meewerken aan besluiten die door de betreffende koningen werden uitgevaardigd en die indruisen tegen het geweten van een godvrezend man? Voor het beantwoorden van deze alleszins logische vragen moeten we in de eerste plaats bedenken dat, zowel in het Babylonische als in het Medisch-Perzische rijk, de totalitaire regerinsvorm bestond. Demokratie was er nog niet. Touwtrekken uit politieke oogmerken was er toen nog niet bij. De hoge regeringsfunktionarissen hadden voornamelijk tot taak de besluiten van "de kroon" uit te voeren. Hooguit hadden zij een adviserende stem bij het tot stand komen van de rijksdekreten. Wat dit laatste betreft, zal DaniŽl zeker invloed hebben gehad op de voorbereiding van besluiten en de uitvoering er van. De vraag is daarbij terzake of hij in dit verband iets moest doen wat in botsing kwam met zijn geweten. Zekerheid daarover hebben we niet. Maar zijn nauwe conscientie in aanmerking nemend, kunnen we op dat punt gerust zijn. Ten tweede is het opmerkenswaard dat DaniŽl kennelijk als hoge ambtenaar een tijdlang uit de running is geweest en wel in de tijd dat de goddeloze Belsazar de regeringsverantwoordelijkheid waarnam. We weten de oorzaken daarvan niet, maar het is mogelijk dat dit verband hield met diens immorele praktijken en opvattingen.

Uit de geschiedkundige mededelingen in zijn boek blijkt in elk geval dat DaniŽl niet geschroomd heeft zijn opvattingen, als knecht van God, onomwonden kenbaar te maken aan de diverse heersers, hetzij in BabyloniŽ, hetzij in het Medische rijk. Dat zijn positie daarbij in het geding kwam, of dat zijn leven op het spel kwam te staan, was voor DaniŽl volkomen ondergeschikt.

Voor hem was de eer van God, het dienen van Hem en de gehoorzaamheid aan Hem van de hoogste orde.

Wie zo'n gezindheid aan de dag legt, kan men gerust een hoge positie laten vervullen. Ook vandaag nog. Of iemand het nu daar lang zal uithouden, zonder in strijd te komen met zijn principes en geweten, is een andere vraag.

Ten derde plaatst God soms mensen daar waar zij een invloed ten goede kunnen uitoefenen. Hij had de macht en het gezag in handen gegeven van de heersers over de wereldrijken van die tijd. Hij had zijn direkte bemoeiÔngen met het wereldgebeuren, als de God van de hele aarde, tijdelijk opgegeven. Vandaar dat Hij in dit boek voor het eerst wordt aangeduid als "de God van de hemel". (Die aanduiding lezen we weliswaar ook reeds in Nehemia, maar geschiedkundig was dit in een latere periode). DaniŽl in het bijzonder kunnen we zien als Gods vertegenwoordiger op aarde om korrigerend te werken op het doen en laten van deze heersers en om als instrument in Gods hand hen in te wijden in zijn verborgen raad.

Dat was een unieke positie, die niet vergelijkbaar is met die van mensen in onze tijd, wie of wat zij ook mogen zijn.

Wie zou bovendien te vergelijken zijn met een man als DaniŽl, met zoín gebeds- en gemeenschapsleven met zijn God, dat hij van Godwege genoemd werd: "gij zeer beminde (of gewenste) man"?

Wij kunnen alleen maar proberen iets van zijn geest en gezindheid aan de dag te leggen, van zijn afhankelijkheid van God, van zijn verborgen omgang met Hem.

Ook wij zijn ergens door God geplaatst, op minder hoge posities, maar wel met het doel dat wij door trouw en toewijding daar laten zien wat Gods wil is.

Wij zijn het zout der aarde. Wij zijn het licht van de wereld. Funktioneren wij als zodanig?

Een brandende vraag voor ieder van ons!