De persoonlijke aanwezigheid van de Heilige Geest op aarde

(12)

H. MEDEMA

 

In verbinding met het werk van de Geest van God op aarde in en door mensen en in de gemeente, komen er in de Schrift enkele uitdrukkingen voor, die in het kader van ons onderwerp niet onbesproken kunnen blijven. Dat klemt temeer omdat over deze uitdrukkingen nogal verschillend wordt gedacht, gesproken en geschreven. Dat laatste is ook het geval met de uitdrukking:

 

De lastering van de Heilige Geest

Over deze zonde heeft de Heer Jezus in niet mis te verstane bewoordingen gesproken:

"Elke zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering van de Geest zal de mensen niet vergeven worden. En een ieder die een woord gesproken zal hebben tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar een ieder die tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, niet in deze eeuw, ook niet in de toekomstige" (Matth. 12:31, 32).

"Alle zonden zullen de zonen der mensen vergeven worden en alle lasteringen waarmee zij mogen lasteren; maar een ieder die lasteren zal tegen de Heilige Geest, heeft in eeuwigheid geen vergeving, maar is schuldig aan een eeuwigblijvende zonde" (Markus 3:28, 29).

"Een ieder die een woord zal spreken tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden, maar wie tegen de Heilige Geest gelasterd zal hebben, hem zal het niet vergeven worden" (Lukas 12:10).

Lasteren is opzettelijk kwaad spreken van iemand als persoon of van zijn daden, zonder dat daarvoor aanleiding is, met het doel die persoon in een vals daglicht te stellen.

Uit het verband met het voorafgaande in de evangeliŽn naar MattheŁs en Markus blijkt het beste wat de Heer Jezus bedoelde met de lastering van de Heilige Geest. De farizeeŽn hadden, nadat zij gehoord hadden dat de Heer boze geesten uitdreef, gezegd dat Hij dit gedaan had door BeŽlzebul, de overste van de boze geesten. Zij schreven wat Hij deed door de kracht van de Heilige Geest dus toe aan de satan, hoewel zij beter wisten. De Heer heeft dan ook het ongerijmde van hun bewering in scherpe bewoordingen aan de kaak gesteld. Hij verbond daaraan de ernstige konklusie, dat zij daarmee een zonde hadden begaan, die onvergeeflijk was.

Frappant is het dat de Heer daarbij gezegd heeft, dat ieder die een woord gesproken heeft tegen de Zoon des mensen (Hemzelf) daarvoor wel vergeving kan ontvangen. Op lastering van de Geest kan echter onmogelijk vergeving volgen. We kunnen daaruit zien van hoe grote betekenis het werk van de Heilige Geest is in het oog van God.

 

Het is een bekend feit dat er altijd gelovigen zijn, die gebukt gaan onder de angst dat zij de Heilige Geest gelasterd hebben. Een angst die hen soms tot wanhoop brengt. En altijd weer duikt de vraag op: "Kan een kind van God deze zonde begaan?"

Voor het beantwoorden van die vraag is het nodig eerst vast te stellen wat de Schrift verstaat onder een kind van God.

In Johannes 1:12 lezen we dat ieder die de Heer Jezus heeft aangenomen, het recht verkrijgt een kind van God te worden. Daarna wordt gezegd, dat dit kindschap ontstaat door het geloof in de naam van de Heer Jezus - de menselijke kant, en het geboren worden uit God - de Goddelijke kant.

De geboorte uit God is het werk van de Heilige Geest (Joh. 3:6-8), die dan tegelijk woonplaats kiest in de opnieuw geboren mens. Diezelfde Geest getuigt dan met onze geest, dat wij kinderen van God zijn (Rom. 8:16). Wanneer dit proces zich in een mens heeft voltrokken en hij dus een kind van God is geworden, die de Geest van God in zich heeft, is het onbestaanbaar dat zo iemand de Heilige Geest zou lasteren.

Als het, naar de woorden van de Heer, reeds onmogelijk is dat de satan de satan uitdrijft (Matth. 12:26), hoe zou het dan kunnen dat de Heilige Geest Zichzelf lastert?

 

Nee, de lastering van de Heilige Geest kan slechts het werk zijn van mensen die in hun vijandschap tegen God en de Heer Jezus zich laten gebruiken door de satan, om zodoende te proberen het werk van God af te breken. Wel kan iemand - de Schrift zegt dat zelf - de Heilige Geest bedroeven of uitblussen. Ook is het mogelijk dat een kind van God zich onvoldoende bewust is van de heiligheid van de in hem wonende Geest van God. En aan dat euvel leiden alle gelovigen. Zelfs kan een kind van God zich door vleselijke lusten en soortgelijke zonden misdragen, in strijd met dat wat de Heilige Geest in hem wil werken. Maar dat is niet de lastering van de Heilige Geest.

 

Volledigheidshalve is het goed op te merken, dat de Heer volgens Matth. 12:32 gezegd heeft dat de onmogelijkheid van de vergeving wegens het lasteren van de Geest, gold voor "deze eeuw" en voor "de toekomstige". Dat is stellig niet zonder betekenis. Het woord "eeuw" in de Schrift is niet vermeld om een tijdvak van honderd jaren aan te duiden. Het wordt vrijwel altijd gebruikt om er mee aan te geven een bepaalde periode, waarin Gods handelen ten opzichte van de mens een speciaal karakter draagt.

Toen de Heer Jezus op aarde was, als de gezondene van de Vader, was dit een laatste poging van Godswege om zijn aardse volk - IsraŽl - te bewegen tot berouw en bekering (zie Matth. 21:37). Het was de tijd waarin de prediking van het koninkrijk der hemelen centraal stond, dat verkondigd was door Johannes de doper, de Heer Zelf en zijn discipelen, met de oproep om zich te bekeren met het oog op de komst van het koninkrijk. Die periode eindigde bij de kruisiging van de Heer Jezus, al zou men kunnen spreken van een "uitloper" daarvan in het Getuigenis van de Heilige Geest, door middel van de apostelen gericht aan het Joodse volk (Hand. 2 tot en met 7).

Dat was wat de Heer noemde "deze eeuw", die gekenmerkt werd door zijn spreken en werken in de kracht van de Heilige Geest, bevestigd door de wonderen en tekenen die Hij deed.

In de toekomst zal er iets dergelijks gezien worden. Na de opname van de gemeente zal God in zijn genade Zich opnieuw tot IsraŽl wenden. Nogmaals zal dan de oproep weerklinken om berouw te hebben en zich te bekeren met het oog op de naderende komst van het koninkrijk. Ook dan zal deze prediking, verricht door gelovige IsraŽlieten, vergezeld gaan van machtige wonderen en tekenen, gewerkt door de Heilige Geest. In HebreeŽn 6:5 worden die genoemd: krachten van de komende eeuw. Dan zullen dezelfde tegenstand en vijandschap openbaar worden als die er waren tijdens de aanwezigheid van de Heer Jezus op aarde. Ook dan zal men de krachtige werking van de Heilige Geest toeschrijven aan de satan. Er zal dan zelfs een nabootsing zijn van deze krachten door de wetteloze (de antichrist), die met allerlei kracht en tekenen en wonderen van de leugen en met allerlei verleiding van de ongerechtigheid de mensen zal meesleuren in verderf en ondergang (zie 2 Thess. 2:9, 10). Dat zal zijn wat de Heer noemde "de toekomstige eeuw", waarin de lastering van de Heilige Geest, in soortgelijke vorm tot uiting komend als in "deze eeuw", een onvergeeflijke zonde zal zijn. Of het zo is, zoals sommigen menen, dat in de tijd waarin wij leven - de bedeling van de genade - de lastering van de Heilige Geest niet mogelijk is, laten we in het midden.

 

Wanneer er onder de lezers iemand is die er bezorgd of angstig over is, dat hij of zij zich schuldig hebben gemaakt aan de lastering van de Heilige Geest, laat hij of zij er dan van overtuigd zijn dat alleen al die zorg en angst een bewijs zijn dat dit niet het geval is.

Overigens mogen de woorden van de Heer ons wel onderwijzen welk een belangrijke plaats de Heilige Geest in neemt in het handelen van God. Laten we daar niet licht over denken.

 

Tegen de Heilige Geest liegen

Deze uitdrukking komt voor in Handelingen 5:3, in het treurige verhaal van Ananias en Saffira. Dit echtpaar wilde kennelijk niet achterblijven bij andere gelovigen, die hun bezittingen te gelde hadden gemaakt om armlastige broeders en zusters financieel bijstand te verlenen. Ook zij verkochten een stuk land, maar spraken samen af dat zij een deel van de opbrengst voor zichzelf zouden houden. Op zichzelf alleszins lofwaardig, als zij dat eerlijk gezegd hadden. Hun fout was dat zij het lieten voorkomen dat ze het volle pond van de opbrengst wilden afdragen. Dat was puur huichelarij en bedrog.

Wij zouden misschien zeggen, dat ze daarmee alleen de apostelen en de gemeente om de tuin probeerden te leiden. Uit het antwoord van Petrus blijkt echter dat deze zaak door God veel en veel ernstiger werd beschouwd. Hun handelwijze was een leugen tegenover de Heilige Geest en tegen God. We zien daaruit hoe de Geest van God Zich als het ware volledig vereenzelvigde met de gemeente. Wat haar werd aangedaan, was voor de Heilige Geest een daad tegen Hem gericht. Zoals later de Heer Jezus de vervolging van de gelovigen door Saulus als een vervolging van Hem beschouwde. In dit geval werd door God Zelf onmiddellijk vonnis geveld. De doodstraf werd over beide echtelieden voltrokken, ook als een waarschuwing voor andere gelovigen.

 

In de Schrift lezen we nergens dat iets dergelijks ooit weer is gebeurd. Is het daarom zo dat na Ananias en Saffira nooit iemand tegen de Heilige Geest heeft gelogen? Ananias heeft waarschijnlijk weinig gezegd toen hij het bedrag aan geld bij de apostelen bracht. Maar dat nam niet weg dat heel zijn gedrag een openbaring was van voorgewende godsvrucht, van huichelarij, van onwaarachtigheid, van een haken naar eer van mensen. Hoogmoed speelde hem parten en daardoor kon hij een willig instrument worden van de satan.

Kort tevoren lezen we dat alle gelovigen vervuld waren met de Heilige Geest (Hand. 4:31). Tegen Ananias moest Petrus zeggen: "Waarom heeft de satan uw hart vervuld?" Hoe is zo'n verandering in gezindheid mogelijk in zo'n kort tijdsbestek? We verbazen ons daar misschien over. Maar het komt vaker voor. In de Schrift vinden we daarvan een voorbeeld in Petrus, die op het ene moment als een openbaring van de Vader een heerlijk getuigenis kon geven van de Heer Jezus, en op grond daarvan welgelukzalig werd genoemd, maar die kort daarna uit de mond van de Heer moest horen: "Ga weg, achter mij, Satan, gij zijt mij een ergernis" (Matth. 16:17, 23).

En wie geen vreemdeling is in eigen hart, weet van dergelijke ups en downs in zijn geestelijk leven. Ook voor ons is de vraag aan de orde, of ons dienen in de gemeente werkelijk gespeend is van huichelarij, onwaarachtigheid, hoogmoed en dergelijke dingen. Is het ons er alleen om te doen de Heer te dienen en het geestelijk welzijn van anderen te zoeken? Zijn we waar voor God? Zijn we waar voor de mensen? Of is er een disharmonie tussen wat we werkelijk zijn en wat we doen? Tussen onze werkelijke motieven en wat we naar buiten uit voorwenden?

Als dat laatste zo is, is dat dan ook niet een liegen tegen de Heilige Geest? Het is een heel ernstige zaak als we onwaar en onoprecht zijn in de gemeente van God. Al volgt de straf op zo'n gedrag niet direkt, zoals bij Ananias en Saffira, eens zal de Heer ook wat bij ons verborgen is aan het licht brengen en de overleggingen van onze harten openbaar maken.