De persoonlijke aanwezigheid van de Heilige Geest op aarde

(11)

H. MEDEMA

 

De eenheid van de Geest bewaren

Uit de eerste hoofdstukken van "de Handelingen" blijkt dat er onder de gelovigen die bij de gemeente waren gevoegd een eensgezindheid was, die ons jaloers kan maken. Dat deze bewerkt was en in stand gehouden werd door de Heilige Geest, zal niemand ontkennen of betwijfelen. Het mag een kenmerk van de Heilige Geest genoemd worden, dat Hij bijeenvoegt, samenbindt. Dat komt tot uiting in de bekende woorden van de apostel Paulus in 1 Korinthe 12:13:

"Want ook wij allen zijn door n Geest tot n lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn met n Geest gedrenkt".

De godsdienstige, nationale en sociale verschillen tussen gelovigen zijn door de doop van de Heilige Geest opgeheven. Elke gelovige, wie of wat hij ook mag zijn geweest vr zijn bekering, is een lid van het lichaam van Christus. Wat dat betreft is er qua positie geen verschil tussen gelovigen. En alle gelovigen samen, voorzover zij op een bepaald moment op aarde zijn, vormen dat lichaam van Christus. Alleen het Hoofd (Christus) is verheerlijkt in de hemel.

Dat wil niet zeggen dat alle gelovigen volkomen aan elkaar gelijk zijn. Wel wat hun wezen betreft als leden van het lichaam van Christus, maar niet als het gaat om hun taak, dienst of gaven (zie 1 Kor. 12:4-11). Daarin zien we verscheidenheid, zoals ook de leden van het menselijk lichaam, hoewel ze onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn, verschillende aktiviteiten ontplooien. In een gezond menselijk lichaam worden de werkzaamheden van elk lid gereguleerd vanuit een centraal orgaan, dat we kortweg de geest van de mens kunnen noemen. Die geest zorgt er voor, dat alle leden in volkomen harmonie met elkaar handelen, ieder naar de bestemming die elk lid heeft in het lichaam. Zodoende kan het menselijk lichaam optimaal funktioneren. Zo is de Heilige Geest de werkzame persoon en kracht om alles wat er in en door het lichaam van Christus gebeurt, goed te doen verlopen (1 Kor. 12:8).

In een menselijk lichaam treden storingen op als er n lid ziek is. Dat lid of orgaan "luistert" dan niet naar de geest die het wil besturen. Daardoor ontstaat er disharmonie, met alle kwalijke gevolgen daarvan. In het lichaam van Christus is het net zo. Een gelovige die niet gezond is in het geloof of vleselijk is, zal niet luisteren naar wat de Geest zegt. En ontstaan dan tegenstrijdige handelingen in dat lichaam, die het geheel niet ten goede komen. Integendeel, zij veroorzaken verwijdering. Het lichaam blijft wel een eenheid, want het kan niet verbroken worden, maar het funktioneert niet optimaal. De Schrift vermaant ons dan ook nergens om er voor te zorgen dat het lichaam van Christus een eenheid blijft. Wel worden we opgewekt om ons te beijveren in dat lichaam de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede (Ef. 4:3). Om te kunnen weten wat we moeten bewaren, is het nodig ons af te vragen wat er met de eenheid van de Geest wordt bedoeld. Dat kan niet zijn de wezenseenheid van de Heilige Geest, want het valt buiten ons vermogen die te bewaren, gesteld dat dit nodig zou zijn. We zullen moeten denken aan de eenheid die de Geest wil bewerken in gezindheid, denken, spreken en handelen in en door de gelovigen. Die toestand was er in de eerste tijd van de gemeente, zoals blijkt uit Hand. 4:32: "En de menigte van hen die geloofden, was n hart en n ziel".

Er was toen een gelijke gezindheid bij allen ten opzichte van de Heer en van elkaar. Allen bedachten zij hetzelfde en allen spraken zij hetzelfde. Ook in hun handelwijze waren zij eendrachtig (zie Hand. 2:46 en 5:12). Helaas heeft deze gelukkige toestand maar kort geduurd. Spoedig bleek dat de inzichten van de gelovigen, zelfs van de leiders onder hen, uiteenliepen. Ook over leerstellige zaken. Een duidelijk bewijs daarvan hebben we in Handelingen 15. Onder invloed van met Joodse leringen besmette gelovigen ontstonden er hooglopende meningsverschillen, die ontaardden in strijd en redetwist. Ongetwijfeld een verootmoedigende zaak. Maar een scheiding van geesten bleef uit, omdat aan het Woord van God alle gezag werd toegekend en men zich onderwierp aan de leiding van de Heilige Geest. Zodoende kon er eenstemmig een besluit worden genomen met de motivering: "De Heilige Geest en wij hebben gedacht dat het goed was"

Later kwamen er andersoortige verschillen aan het licht. Er werd b.v. in de gemeente te Korinthe getwist over het verschil in belangrijkheid van dienstknechten van God (1 Kor. 12:12). De oorzaak daarvan was een vleselijke gezindheid in de harten van de gelovigen. De apostel Paulus - zelf mede onderwerp van hun twisten - heeft de gevaren daarvan duidelijk onderkend en in een scherpe analyse van de hele kwestie de gemeente te Korinthe terecht gewezen. Helaas waren de als gevolg van deze vleselijke gezindheid ontstane scheuringen merkbaar bij het samenkomen van de gemeente te Korinthe (1 Kor. 11:18).

Ondanks deze scheuringen en de heersende sektegeest, bleef men echter bij elkaar en werd de eenheid naar buiten bewaard. De verschillen in inzicht werden niet opgeheven, men dacht en sprak niet meer gelijk, maar toch werd de verbondenheid met de Heer en met elkaar tot uitdrukking gebracht in de gemeenschappelijke avondmaalsviering aan de tafel van de Heer Jezus. Dat dit gepaard ging met veel zwakheid, wordt in de Schrift niet verbloemd (zie 1 Kor. 11). Maar niemand werd op die gronden van de tafel des Heren geweerd. Anderzijds was het ook niet zo dat sommigen zich boven anderen verheven voelden en daarom apart gingen samenkomen en brood breken. Wel tuchtigde de Heer Zelf hen die zich bij de viering van het avondmaal misdroegen.

 

We releveren dit zo uitvoerig, omdat in onze dagen wel eens de mening wordt gehoord dat een zuivering nodig is, een scheiding van hen die geestelijk minder goed gezind zijn. Het zal duidelijk zijn, dat dit niet is het bewaren van de eenheid van de Geest in de band van de vrede.

Het is ons voorzegd in de Schrift dat de laatste dagen - en daarin leven wij - gekenmerkt zullen worden door geestelijke zwakheid, om het maar voorzichtig uit te drukken. Dat mag natuurlijk voor niemand een excuus zijn om het in geestelijk opzicht niet zo nauw te nemen. Daarvoor zijn de vermaningen in Gods Woord te duidelijk. De geest van Laodicea - lauwheid en hoogmoed - moet verre van ons zijn. Liefde tot de wereld en haar vermaken kunnen niet samengaan met ware Godsvrucht, net zo min als geldzucht en toewijding aan de Heer. Valse leer mag geen plaats hebben in de gemeente van Christus. Daarover kan moeilijk misverstand bestaan. Maar dat alles doet geen afbreuk aan de vermaning om de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede.

Het is van grote betekenis dat voorafgaand aan deze vermaning gezegd wordt om in alle ootmoed en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid elkaar in liefde te verdragen. Stuk voor stuk eigenschappen die praktisch uitermate moeilijk te beleven zijn, omdat ze strijdig zijn met onze menselijke natuur.

Hoe gemakkelijk verheffen we ons in ons denken en spreken boven anderen en wordt er een geest van eigengerechtigheid bij ons gevonden. Dat is het tegendeel van ootmoed.

Hoe licht zijn we geneigd een hard oordeel te vellen over anderen, die naar onze mening fout zijn, omdat hun geestelijk niveau beneden de maat blijft. Dat is het tegendeel van zachtmoedigheid.

Wat is de verdraagzaamheid ten opzichte van elkaar vaak ver te zoeken. Veel te veel huldigen we de opvatting dat de ander net zo moet denken, spreken en handelen als wij doen. Hij, over wie deze "geest" vaardig is, lijdt aan hoogmoed en gebrek aan verdraagzaamheid. Het is nu eenmaal zo, dat ook het gedragspatroon van gelovigen mee benvloed wordt door opvoeding, milieu enz. Daarom is verdraagzaamheid in liefde zo'n groot goed, noodzakelijk om samen te leven en samen te wonen.

Veel scheidingen tussen gelovigen en scheuringen in de gemeente vinden hun oorzaak in het feit dat ootmoed, zachtmoedigheid, lankmoedigheid, verdraagzaamheid en liefde onvoldoende aanwezig waren. Als deze dingen ontbreken, is de Heilige Geest niet werkzaam, maar het vlees, de menselijke natuur.

Natuurlijk bedoelen we hiermee niet te zeggen, dat ieder kan doen en laten wat hij of zij wil, en dat niemand daarvan iets mag zeggen. Integendeel, we worden vermaand op elkaar acht te geven met het doel de liefde en de goede werken aan te vuren (Hebr. 10:24).

Wanneer we afwijkingen in het geestelijk leven menen te konstateren bij onze medebroeder of zuster, dan is het onze dure plicht hem of haar geestelijk te dienen. Niet met een grauw en een snauw - zoals een broeder eens terecht opmerkte - maar door lering en vermaning in alle wijsheid. Als dat gebeurt in de kracht van de Heilige Geest en door zijn werking in ons, zal de ander daarbij gebaat zijn. Dan zal zo'n dienst vruchtbaar zijn voor het geheel met het oog op het bewaren van de eenheid van de Geest in de band van de vrede.

 

Als we op grond van de Schrift zeggen, dat de Heilige Geest sinds de pinksterdag persoonlijk op aarde aanwezig is, dan is het goed te bedenken dat Hij uitsluitend:
a. woont in ons lichaam;
b. woont in de gemeente.
Vanuit en in die "woonplaatsen" oefent Hij zijn dienst uit. Dat brengt een grote verantwoordelijkheid mee voor elke gelovige persoonlijk, voor de hele gemeente van Christus, maar ook voor elke plaatselijke gemeente of vergadering.