De persoonlijke aanwezigheid van de HEILIGE GEEST op aarde

(7)

H. MEDEMA

 

In het vorige artikel in deze reeks, geplaatst in april j.l., bespraken we twee onderwerpen, nl.:

  1. de vervulling van de belofte van de Heilige Geest

  2. het drieŽrlei aspect van het komen van de Heilige Geest op aarde, nl.: uitstorting, doop en vervulling.

Handelingen 2 begint met de verwijzing naar de "dag van het pinksterfeest". "Pinkster" is een afleiding van het Griekse woord "pentekoste", dat "vijftigste" betekent. Dit feest was bekend in IsraŽls historie als "het feest van de oogst" (Ex. 23:16) en "het feest der weken" (Ex. 34:22, Deut. 16:10). De eerste dag er van, aangeduid in Handel. 2:1, wordt genoemd "de dag der eerstelingen" (Num. 28:26).

Het was ťťn van de drie - en wel het tweede - van IsraŽls grote feesten, waarop alle mannen voor het aangezicht van de Here moesten verschijnen. Tijdens die feesten was Jeruzalem overbevolkt, doordat de Joden van alle kanten optrokken om de voorgeschreven offers te brengen. God gebruikte deze gelegenheid om de prediking van zijn grote werken en van het evangelie te laten doorklinken aan Joden en jodengenoten, afkomstig uit de in Handel. 2:9,10 opgesomde volkeren.

Het was een Goddelijke oogstdag van zielen, zoals die denkelijk niet meer is voorgekomen. Drieduizend bekeerlingen op ťťn dag, die allen gevoegd werden bij het nieuwe organisme, dat tot stand was gebracht door de Heilige Geest: de gemeente.

De Heilige Geest wordt ons in dit hoofdstuk geschilderd als een werkzame Persoon, die onmiddellijk de taak aanvat die Hem van Godswege was opgedragen. De gemeente moest worden gebouwd, het Woord moest worden gepredikt, er moesten mensen getrokken worden uit de duisternis waarin zij van oudsher gevangenen waren.

Verbazingwekkend is het wat zich allemaal binnen een tijdsbestek van ťťn dag in Jeruzalem heeft afgespeeld. De mensenmenigte, op de been om de offerfeesten volgens oudtestamentisch voorschrift mee te vieren, werd opeens gekonfronteerd met een gebeuren dat hen met ontzetting en verwondering vervulde. Aller aandacht werd gevestigd op het voor hen onbegrijpelijke wonder, dat zij de grote werken van God hoorden verkondigen in hun moedertaal. Het is uit de tekst niet helemaal duidelijk of alleen de twaalf apostelen in talen hebben gesproken, of dat dit gebeurde door een groter aantal discipelen. Het hangt er van af wie bedoeld zijn met de "allen" in de verzen 1 en 4 van Handel. 2. Waarschijnlijk zijn dat de ongeveer honderdtwintig personen geweest die in hoofdstuk 1: 15 genoemd worden. Tenzij de uitdrukking "GalileeŽrs" (vs. 7) een beperking betekent, die wijst naar "de twaalven".

Hoe dan ook, wat door de sprekers gezegd werd, hadden zij niet van zichzelf. Zij spraken alleen "zoals de Geest hun gaf uit te spreken" (vs. 4). Er was geen ruimte voor de werkzaamheid van eigen meningen of gedachten. Zij konden eenvoudig niet anders dan vertolken wat hun door de Geest werd ingegeven. Dat betrof niet alleen de taal waarin zij spraken, maar ook de boodschap die zij brachten. De grote werken - of daden - van God werden verkondigd. Zů heeft de Heilige Geest het gewild. Daardoor wilde Hij de aandacht van de menigte aftrekken van wat in verband stond met de wet, en richten op het totaal nieuwe wat God had tot stand gebracht in Jezus Christus.

Zeer waarschijnlijk hadden die godvrezende Joden "uit alle volken die onder de hemel zijn" het niet nodig dat zij aangesproken werden in hun moedertaal om de boodschap te kunnen verstaan. Langer of korter wonend in het centrum van het Joodse leven, kennis dragend van de in het Hebreeuws geschreven "wet en profeten", verstonden en spraken zij deze taal, of de gewone omgangstaal: het Aramees. Nee, niet omdat de taal een belemmering was voor het bereiken van deze "vreemdelingen", maar omdat het talenwonder een "teken" moest zijn voor de ongelovigen. Daarmee werd tegemoet gekomen aan het oerverlangen van de Joden om "tekenen" te zien (zie 1 Kor. 1:22).

Verkondiging van Gods grote daden. Dat was het - hoe zou het anders kunnen - wat de Heilige Geest deed. Door middel van mensen, daartoe instrumenten in zijn dienst. Dit feit alleen al bewees dat er iets nieuws was ontstaan. Mensen zijn van nature slechts geneigd om hoog op te geven van hun werken, hun prestaties, met miskenning van wat God werkt. Zo was het van oude tijden af. De snoevende taal van de torenbouwers in Babel getuigde ervan. Niet minder was dat zo met de woorden van Nebukadnezar: "Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd heb tot een koninklijke woonstede door de sterkte van mijn macht en tot eer van mijn majesteit?" (Dan. 4:30).

En in de tijd van de "Handelingen" weerklonk in Rome's paleizen de hoogmoedige taal van de keizer, die zich zoon van God heeft durven noemen. Het toppunt van mensverheerlijking ligt nog in de toekomst, als de mond van "het beest" zich zal openen om grote dingen en lasteringen te spreken tegen God (Openb. 13:5,6).

Daardoor kan worden onderkend wat van de mens en wat van de Geest van God is. Nu nog worden - door dezelfde Geest - de grote werken van God verkondigd. En alweer: met als instrumenten mensen, wedergeboren door, en verzegeld met de Heilige Geest.

 

Als de samengestroomde menigte geen raad weet met het talenwonder en met wat zij horen, en sommigen van hen er de spot mee gaan drijven, staat Petrus op om te weerleggen en te verklaren. Zijn toespraak was geen nieuwe "talenmanifestatie" - hij sprak in het Hebreeuws of in het Aramees - maar "Woordverkondiging". De bijbel werd opengelegd, de profeten en psalmen werden verklaard en vandaar uit predikte Petrus aan de scharen Jezus Christus. Drie keer heeft hij een Schriftwoord aangehaald, ťťn uit de profeten (JoŽl) en twee uit de psalmen (16 en 110). Dezelfde Petrus, die vroeger van zijn Meester terechtwijzigingen moest ontvangen, omdat hij blijk gaf van fatale onbekendheid met de Schriften, laat nu horen dat hij ze kent Ťn verstaat. Want behalve de tekstaanhalingen, als bovengenoemd, wijst hij - als tussen de regels door - op een paar Messiaanse plaatsen van de Schrift, die hij gebruikt tot staving van zijn betoog.

Wat Petrus doet, is niet het opzeggen van een aantal uit zijn hoofd geleerde teksten. Stellig heeft hij, mee door de jarenlange omgang met zijn Heer, maar vooral in de voorbije zeven weken, studie gemaakt van de Schriften. Maar die opgedane kennis kon niet verhinderen dat er tot voor kort nog een deksel op zijn gezicht lag. Zijn verstand was nog niet verlicht, zijn hart nog niet geopend om te verstaan. Nu heeft hij in die Schriften van profetieŽn en psalmen de Christus gezien, de opstanding ontdekt, zijn verheerlijking aan Gods rechterhand tot aan het ogenblik van zijn zegevierende terugkeer aanschouwd.

Dat Woord van God, vervat in profeten en psalmen, is voor deze Galilese visser, zonder enige scholing van de zijde van wetgeleerden of farizeeŽn, gaan leven. En dat voor hemzelf levend geworden Woord gebruikt bij om zijn toehoorders Christus voor ogen te schilderen.

Behalve woordverklaring is Petrus' toespraak ook een appŤl op het geweten, als hij het onomwonden stelt: gij hebt door de hand van wettelozen Jezus Christus gekruisigd en gedood. Heel de toespraak van Petrus is een onomstotelijk bewijs van de krachtige werkzaamheid van Gods Geest. En het vervolg van dit hoofdstuk is een even sterk bewijs van de persoonlijke aanwezigheid van de Heilige Geest op aarde.

 

Niet alleen voor de prediker, ook voor de hoorders ging op deze pinksterdag de bijbel open. Zij hebben de woorden van Petrus niet als onhoudbare theorieeŽn van de hand gewezen, maar werden er door in het hart getroffen. Het zwaard van de Geest trof doel, drong door tot verdeling van ziel en geest en bewerkte berouw en bekering.

Laten we wel bedenken dat dit gebeurde als gevolg van een prediking die als het volle evangelie Jezus Christus centraal stelde in zijn kruisdood en opstanding en hemelvaart. Toen heeft de Heilige Geest voor altijd duidelijk willen maken hoe onmisbaar het oude testament is om te verstaan wat in het nieuwe werkelijkheid werd. Daar heeft de Geest van God getoond, dat het Hem altijd in de kern van de zaak gaat om de persoon van Christus. De woorden van de Heer Jezus in Johannes 16:14 over de Heilige Geest: "Hij zal mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen", zijn ook van toepassing op wat het oude testament van Hem getuigt.

Wat de Heilige Geest op die dag in Jeruzalem heeft gedaan is geen eenmalige zaak geweest. Onafgebroken heeft Hij die arbeid voortgezet.

Overal waar de predikers door Hem zijn gezonden, hebben zij in het centrum van hun boodschap geplaatst: Jezus Christus, de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte Heer.

Zů is Hij gepredikt in de bevolkingscentra van die tijd, in de antieke wereld, in de Griekse kultuurwereld, in de handelscentra en havensteden tot in de toenmalige hoofdstad van de wereld: Rome.

En als wij zien wat deze prediking in de eerste tientallen jaren heeft uitgewerkt, dan mag dat voor ons een bevestiging zijn van de aloude waarheid, dat elke prediking eerst en vooral Christocentrisch moet zijn. In onze tijd wordt dit nogal eens bestreden en wordt het accent meer gelegd op de mens en zijn problemen. Verticale prediking wordt als eenzijdig afgewezen of als overgeestelijk gekenschetst.

 

We zeiden zopas dat wat de Heilige Geest op de pinksterdag heeft gedaan geen eenmalige zaak is geweest, maar dat het werk onafgebroken is voortgezet. Deze opmerking moet niet worden misverstaan. De manier waarop de Heilige Geest zich toen manifesteerde was wŤl uniek.

Het gebeuren in Jeruzalem was niet slechts een geestelijke opwekking onder het volk, hoe groots ook in omvang en werking. Het was niet een herhaling van - zij het in andere vorm - vroegere opwekkingen, zoals die b.v. plaats vonden in de tijd van de koningen Hizkia en Josia, of na de ballingschap onder Ezra en Nehemia. Zeker, er zijn parallelle verschijnselen te konstateren. In alle genoemde gevallen werd het Woord (of de wet) een centrale plaats gegeven. Naar dat Woord werd geluisterd, niet alleen met de gehoororganen, het werkte door in hart en geweten. Dan wordt er allereerst iets kapot geslagen. De geestelijke zelfvoldaanheid, de eigengereidheid en alle andere pretenties van de hoogmoedige mens, moeten er onder, zodat een gebroken hart en een verslagen geest ontstaat. Min of meer is dat in alle hiervoor gesignaleerde "opwekkingen" zo geweest. Dat was ook het resultaat van de prediking op de pinksterdag, waardoor drieduizend mensen zich bekeerden.

Maar overigens was dit laatste een volkomen nieuw begin, een omverstoten van de gevestigde orde, zoals IsraŽl die eeuwen lang gekend had, door de vorming van de gemeente.

 

Een herhaling van wat er op de pinksterdag plaats vond kan er niet zijn geweest. Wel vinden we later in de Handelingen drie gebeurtenissen vermeld, die sterk doen denken aan het gebeurde in Jeruzalem:

1. De krachtdadige omkeer die in Samaria bewerkt werd als resultaat van Filippus' prediking, die vergezeld ging van tekenen en grote krachten. De daardoor bekeerde mensen ontvingen de Heilige Geest na hun doop en door handoplegging van de apostelen Petrus en Johannes (zie Hand. 8).

2. De toevoeging van de Romeinse hoofdman Cornelius en zijn huisgenoten in Cesarťa, tot de gemeente. De door Petrus daar uitgesproken rede heeft in hoofdzaak dezelfde strekking als die op pinksterdag. Daar weer een duidelijke manifestatie van de uitstorting van de Heilige Geest, merkbaar door het in talen spreken van hen die het Woord hoorden. Hier dus geen "talenwonder" bij de predikers, maar bij de bekeerlingen. Hier geen handoplegging zoals in Samaria, maar direkte mededeling van de Geest. Hier de doop met water nadat de Heilige Geest ontvangen was.

3. Ruim 20 jaren na de pinksterdag de ontmoeting van Paulus met enkele Joodse mannen in Efeze, die onkundig waren van de komst van de Heilige Geest en die slechts gedoopt waren tot de doop van Johannes. Als Paulus hun de nieuw ontstane situatie heeft uitgelegd, doopt bij hen tot de naam van de Heer Jezus, legt hun de handen op waardoor zij de Heilige Geest ontvangen. Het bewijs daarvoor wordt geleverd doordat zij in talen spreken en profeteren.

We kunnen er zonder meer van uitgaan dat de Geest van God niet willekeurig handelt. Er moeten dus redenen voor zijn dat er overeenkomst en verschil is in de bovengenoemde drie gevallen waarop de Heilige Geest ontvangen werd door de betreffende personen.

Overeenkomst is er tussen 1 en 3, nl. dat de doop voorafging aan het ontvangen van de Geest en dat voor dit laatste de handoplegging door de apostelen nodig was. In Samaria wordt echter geen melding gemaakt van "tongentaal" zoals in Efeze.

Overeenkomst is er ook tussen 2 en 3 nl. dat er door hen die de Heilige Geest ontvingen ook in talen gesproken werd.

De eerstgenoemde overeenkomst heeft o.i. als oorzaak dat door mensen die de oudtestamentische wetten als basis kenden voor hun godsdienstig leven - en dat gold ook voor de Samaritanen - die dus op grond daarvan op de bodem van de wet stonden, door een openlijke belijdenis in de doop moesten erkennen dat zij waren overgegaan tot het christendom. Pas daarna ontvingen zij de Heilige Geest.

Voor de uit het heidendom bekeerden, zoals Cornelius c.s., was er geen "oude basis". Zij moesten zich laten dopen nadat duidelijk was gebleken dat zij de Heilige Geest hadden ontvangen. Dat bewijs werd geleverd door hun spreken in talen. Als later door Petrus verslag wordt uitgebracht van zijn bevindingen in Cesarťa, aan de apostelen in Jeruzalem, blijkt hoe nodig dit uiterlijk bewijs was.

Waarom het spreken in talen door de mannen in Efeze, die van joodse "huize" waren, strikt genomen nodig was, is uit het verband niet duidelijk.

 

Het gaat echter niet aan, zoals sommige kringen willen, dat het spreken in "tongen" het noodzakelijk bewijs moet leveren dat men de Heilige Geest heeft ontvangen. We wezen er reeds op, dat dit niet gezegd wordt van de mensen die in Samaria tot geloof kwamen. Evenmin wordt daarvan melding gemaakt bij de drieduizend die op de pinksterdag het Woord aannamen. Ook verder in de verslaggeving van Paulus' zendingsaktiviteiten, waardoor toch duizenden tot bekering gekomen zijn, wordt nergens de "tongentaal" als bewijsmateriaal genoemd voor een daadwerkelijk geloof.

Het meest sprekende bewijs tegen de stelling dat een gelovige in "talen" moet spreken is wel wat de apostel Paulus schrijft aan de KorinthiŽrs in zijn eerste brief, hoofdstuk 12:

Ook uit hoofdstuk 14 van deze brief blijkt dat de gave van talen niet aan alle gelovigen gegeven was.