De persoonlijke aanwezigheid van de HEILIGE GEEST op aarde

(5)

H. MEDEMA

 

De Geest van de waarheid

In het vorige artikel in deze serie hebben we ons bezig gehouden met wat de Heilige Geest voor de discipelen en voor ons betekent als de Trooster.

Als de Heer in zijn afscheidsrede tot de discipelen spreekt over de komst van de Heilige Geest, geeft Hij die persoon nog een andere kenmerkende naam: de Geest van de waarheid (zie Joh. 14:17; 15:26; 16:13).

Die aanduiding of benaming heeft een dubbele betekenis:

a. Hij is de Geest van Hem, die Zichzelf kon noemen: "Ik ben de Waarheid" (Joh. 14:6) de Heer Jezus, en van de God der waarheid (Jes. 65:16)

b. De Geest zelf is de waarheid (1 Joh. 5:6) en alles wat Hij spreekt, draagt het kenmerk van waarheid.

Het is heel belangrijk dat dit laatste zo is, zodat wij de zekerheid hebben van het betrouwbaar getuigenis van de Heilige Geest.

In schril kontrast met de waarheid, staat de leugen, die geen ander doel heeft dan te verleiden en te misleiden. Zowel de waarheid als de leugen kunnen worden vereenzelvigd met een persoon. Wat betreft de waarheid hebben we dit hierboven reeds aangegeven.

De vader van de leugen is Satan, van wie de Heer Jezus gezegd heeft, dat geen waarheid in hem is (Joh. 8:44).

Nu moeten we daaruit niet afleiden dat Satan totaal onkundig is en omdat hij maar wat fantaseert, dingen zegt die bezijden de waarheid zijn. Zo is het niet. Satan kent de waarheid beter dan menig gelovige. Hij is op de hoogte van vele plannen en raadsbesluiten van God.

Ook mogen we niet denken dat hij nooit waarheid spreekt. Hij doet dat inderdaad, maar met de toevoeging van onwaarheden, leugens. Dat is zijn kracht juist en daardoor weet hij telkens weer velen te misleiden. Hij heeft zich in het verleden bediend van mensen, die zich voordeden als profeten, maar in wiens mond een leugengeest was (1 Kon. 22:22, 23; 2 Kron. 18:21, 22). Valse profeten waren er onder IsraŽl, die leugen profeteerden. Over hen wordt in Jeremia 23:26-32 het vonnis van God geveld. De apostel Johannes heeft in zijn brief aan soortgelijke mensen, die onder het mom van door God gezonden te zijn en met de schijn dat zij kennis en inzicht hadden, hun doen en spreken aan de kaak gesteld.

Tegenover de geest van de waarheid stelt hij de geest van de dwaling (1 Joh. 4:6). En om br. Kelly te citeren: "Satan is de aktieve bron van de geest der dwaling in de meest dodelijke vorm. Hij oefent zijn aktiviteiten uit op velerlei gebied, maar wat hij doet temidden van de christenheid is zeker het ergste kwaad. Het wordt hier niet de "geest van kwaadaardigheid" genoemd, maar de "geest der dwaling". En dat is veel erger en gevaarlijker. Satan komt niet met grove bedriegerij of groot geweld, maar met aannemelijke en sluwe argumenten. Met een klein beetje waarheid, die een groot aantal leugens moet bedekken, wordt de eigenwil naar voren geschoven en de stem van het geweten tot zwijgen gebracht. Het is een leer, die Jezus niet belijdt en de Vader niet kent en waaruit de afval zal voortkomen. Het is de werking van de geest der dwaling, die straks zal worden geÔnspireerd door de mens der zonde, de antichrist" (Praktijk v.h. geloofsleven - pag. 131).

 

Waarheid en leugen kunnen niet uit dezelfde bron voortkomen. Een mengsel van beide doet het waarheidselement teniet gaan, zodat er slechts leugen overblijft, die alleen tot dwaling leidt.

Er is dan ook maar ťťn betrouwbare norm: dat wat gezegd en geleerd wordt door de Geest van de waarheid. En dat wat Hij gezegd en geleerd heeft, vinden we uitsluitend in het Woord van God. Zeker, God gebruikt nu nog dienstknechten die de waarheid verkondigen, ontleend aan de Schrift. Maar elke bewering, ook al komt die van de meest orthodoxe prediker of schrijver, dat zijn woorden slechts "de waarheid" zijn, is een aanmatiging die getuigt van overwaardering van eigen persoon en inzicht. Geen kerk of groep, hoe rechtzinnig ook, kan met recht het predikaat opeisen "de waarheid" te bezitten, als zij daarmee bedoelt dat haar opvattingen, leringen en praktijken de enig juiste zijn.

 

Het heeft misschien de schijn dat we met deze opmerkingen ver van ons onderwerp zijn afgedwaald. We wilden immers spreken over de Geest van de waarheid.

Toch staat o.i. het een in nauw verband met het ander. De Heer Jezus wist wat zijn discipelen te wachten stond, nadat Hij van hen zou zijn weggegaan. Tot dusver was Hij het geweest die de aanvallen van de vijand, de leugenaar, gericht tegen het Woord, tegen Hemzelf en tegen zijn discipelen, had gepareerd. Hoe zouden deze in zichzelf zwakke mensen, met weinig kennis van en inzicht in de Schriften, staande kunnen blijven, als de satan met vernieuwde krachtsinspanningen het offensief tegen hen zou openen? De vijand zou daarbij gebruik maken van mensen, zelfs van op de voorgrond tredende dienstknechten van God, om waarheid en leugen met elkaar te vermengen (zie bv. Gal. 2:11-13).

Godsdienstige en heidense philosophieŽn, aantrekkelijk voor geest en verstand, zouden zijn wapenen zijn om de Goddelijke waarheden te ontkrachten en zo de gelovigen op een dwaalspoor te brengen. (Vergelijk bv. Kol. 2:8-23). En de historie van de christelijke kerk, vanaf de eerste tijd van haar ontstaan tot op vandaag de dag, getuigt er van dat het Satan goed gelukt is de mensen te verleiden en te misleiden.

Daarom achtte de Heer Jezus het noodzakelijk zijn discipelen bekend te maken met het wezen en de kenmerken van de Geest der Waarheid.

Als eerste kenmerk noemt de Heer het feit, dat deze Geest en de wereld een totale tegenstelling zijn (Joh. 14:17). Er is geen enkele verwantschap tussen beide. Integendeel, de wereld kan de Geest niet ontvangen, omdat zij Hem noch ziet, noch kent. Met "de wereld" wordt hier bedoeld: het totaal van de mensheid, die buiten God leeft en geen deel heeft aan het geloof in de Heer Jezus als Heiland.

God heeft die "mensenwereld" zo liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Niet om de mensheid te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.

De zending van de Heilige Geest naar deze aarde had een heel ander karakter dan die van de Zoon. Bij de gave van de Zoon ligt de klemtoon op het feit, dat God, in zijn betrekking tot alle mensen, Hem heeft gezonden.

Als er gesproken wordt over de gave van de Heilige Geest, gaat het om de Vader, die deze zond ten behoeve van zijn kinderen.

De "taak" van de Heilige Geest ten opzichte van de wereld, is dan ook niet om te behouden, maar om te getuigen en vooral om aan de wereld het overtuigend bewijs te leveren van zonde, van gerechtigheid en van oordeel.

De wereld, in bovengenoemde zin bedoeld, heeft dus geen kennis van de Geest van de waarheid. Anders gezegd: alles wat de wereld zegt of beweert, draagt niet het kenmerk van waarheid, maar van leugen.

Dat is scherp gesteld, maar als waarschuwing behartigenswaard.

De wereld kent de Vader niet (Joh. 17:25), zij kent de Zoon niet (Joh. 1:10), zij kent daarom ook de gelovigen niet (1 Joh. 3:1).

De natuurlijke mens acht de dingen die de Geest van God leert, louter dwaasheid, hij kan ze niet aannemen, noch verstaan (1 Kor. 2:14). Vanuit dat gezichtspunt hebben we alles te beoordelen wat de mens buiten God zegt.

 

Een tweede kenmerk van de Geest van de waarheid is zijn getuigende dienst (Joh. 15:26). En dat getuigenis van de Geest heeft tot onderwerp: de persoon van de Heer Jezus.

Daarmee hebben we dan tevens de toetssteen voor elk getuigenis dat ons bereikt. Wanneer het getuigenis van mensen anders gericht is, is het niet gewerkt door de Geest van de waarheid. De apostel Johannes heeft over dit onderwerp uitvoerig geschreven in zijn eerste brief. In hoofdstuk 4:2 lezen we de belangrijke woorden: "Hieraan kent gij de Geest van God: iedere geest die Jezus Christus als in het vlees gekomen belijdt, is uit God; en iedere geest die niet Jezus Christus als in het vlees gekomen belijdt, is niet uit God".

Uit deze uitspraak blijkt, dat het bij het getuigen van de Heer Jezus niet alleen gaat om bepaalde feiten, die in verbinding staan met bv. zijn geboorte als mens, maar om de kenmerkende eigenschappen van zijn persoon. Niet wat Hij deed, maar wie Hij is.

Om een voorbeeld te noemen: er zijn mensen die erkennen dat de Heer Jezus aan het kruis gestorven is, zelfs dat Hij dit deed als de zondendrager. Maar zij beschouwen Hem niet als de eeuwige Zoon van God. Wel een erkenning dus van zijn werk, helaas niet van wat Hij werkelijk is. Daarom sprak de Heer ook: "die zal van Mij getuigen", niet: van wat Ik deed, van mijn werk.

Natuurlijk zal het getuigen van de Geest der waarheid ook betrekking hebben op het werk van de Heer Jezus, maar uitgaande van wie Hij is. Heel duidelijk vinden we dat weergegeven bv. in de rede van Petrus in de zuilengang van Salomo. Als instrument van de Geest der waarheid sprak hij daar over de persoon en het werk van de Heer Jezus. Achtereenvolgens noemde hij Hem: zijn knecht Jezus - de Heilige - de Rechtvaardige - zijn Christus - de profeet (Handel. 3:12-24), om daarmee te verbinden wat de Heer Jezus had gedaan.

 

Als derde kenmerk van de Geest der waarheid wordt genoemd in Johannes 16:13, 14:

Belangrijke toetssteen om te onderscheiden, of wat gezegd en geleerd wordt voortkomt uit de Geest van de waarheid, of uit de geest der dwaling.

Wanneer we iets horen of lezen van iemand die niet de Heer Jezus centraal stelt en tot zijn verheerlijking, mogen we ons wel bijzonder kritisch tegenover zo iemand opstellen.