De persoonlijke aanwezigheid van de HEILIGE GEEST op aarde

(2)

H. MEDEMA

 

Na de uitvoerige inleiding willen wij nu aandacht schenken aan

 

1. De Heilige Geest in het oude testament

"De Heilige Geest was (er) nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was". Deze woorden, die we lezen in Joh. 7:39, hebben vele gelovigen voor vragen geplaatst wat betreft de persoon van de Heilige Geest. De voornaamste daarvan zijn:
1. Bestond de Heilige Geest nog niet toen de Heer Jezus op aarde was?
2. Hoe kan het dan dat er toch in het oude testament geschreven werd over de Geest van God?
Om deze vragen te kunnen beantwoorden, moeten we er op letten dat er in de Schriften van oud- en nieuw testament verschil gemaakt wordt tussen de werkzaamheid van de Heilige Geest en zijn openbaar worden als persoon.

 

Wanneer er gezegd wordt dat de Heilige Geest vanaf het begin van de schepping werkzaam is geweest, is dat volkomen terecht (zie o.m. Gen. 1:2). Maar tot op de pinksterdag woonde Hij niet op aarde. Hij was niet als een bepaalde persoon van de Godheid, onderscheiden van de Vader en de Zoon, geopenbaard. Het is dan ook, nogmaals gezegd, voor het begrijpen van wat de Schrift zegt over de Heilige Geest, belangrijk en noodzakelijk zijn openbaring als persoon te onderscheiden van zijn werkzaamheid op aarde. Anders loopt men gevaar het klare getuigenis en de grote voorrechten van het nieuwe testament mis te verstaan door de schaduwen van het oude testament.

 

Overeenkomstig de woorden in Deuter. 6:4: "De Here is onze.God; de Here is n", of, zoals de tekst in de Statenvertaling luidt: "De Here onze God is een enig Heer", heeft God Zich in het oude testament steeds als de Enige geopenbaard. Pas bij de komst van Christus, in het bijzonder toen de Heer Jezus zijn dienst aanvaardde, werd dit anders. Ook al weten wij duidelijk uit het onderwijs van het nieuwe testament, dat God van eeuwigheid af in Vader, Zoon en Heilige Geest te onderscheiden was, toch heeft Hij Zich als zodanig niet aan mensen geopenbaard en is Hij evenmin z door hen gekend. Zo vinden we in het oude testament wel de beloften van de uitstorting van de Heilige Geest en zijn werkzaam zijn in mensen, maar niet zijn openbaring als persoon op aarde.

Dit geldt trouwens ook van de tweede persoon in de Godheid, de Zoon. Zijn komen op aarde werd vele malen in het oude testament aangekondigd en van zijn aktiviteiten wordt meer dan eens melding gemaakt, maar van zijn openbaring als persoon lezen we niets vr zijn menswording. Hoogstens kunnen we zeggen dat de beeldspraak met betrekking tot de komst van de Heer Jezus, zijn menswording, in de loop der tijden steeds duidelijker werd, tot het moment dat de vervulling van de beloften gestalte kreeg toen het Woord vlees was geworden. Beide, zowel de Zoon van God als de Heilige Geest waren voortdurend werkzaam. En niemand zal er aan twijfelen dat het voor God mogelijk is om werkzaam te zijn zonder Zich op een bepaalde manier als persoon te openbaren.

 

De beloften met betrekking tot de komst van de Heilige Geest

Zoals gezegd, zullen we tevergeefs in de Schriften van het oude testament zoeken naar de werkelijke openbaring van de persoon van de Heilige Geest. Wel vinden we in diverse plaatsen de beloften aangekondigd, dat Hij zou komen. De belangrijkste uiteenzettingen daarover bezitten we in Ezech. 36:27; 37:14; 39:29 en Jol 2:28.

Het is laatstgenoemd gedeelte, dat de apostel Petrus citeert in zijn toespraak tot het Joodse volk op de pinksterdag (Handel. 2:16-21). Behalve op de reeds genoemde teksten wijzen we nog op Jes. 32:15: "totdat over ons uitgestort wordt de Geest uit de hoge"; Jes. 44:3: "Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost"; Ezech. 11:19: "Ik zal een nieuwe geest in hun binnenste geven".

Al deze plaatsen getuigen er duidelijk van dat de openbaring of de uitstorting van de Heilige Geest een nog toekomstige en niet vervulde zaak was. Als een van de Vader en de Zoon onderscheiden persoon was Hij niet geopenbaard en bekend.

 

De werkzaamheid van de Heilige Geest

Dat de Heilige Geest een werkzaam aandeel had in Gods bemoeiingen met de aarde en de mensen loopt als een rode draad door al de Schriften van het oude testament. Reeds vr de aarde zijn huidige gedaante had gekregen, zweefde de Geest van God over de wateren (Gen. 1:1, 2). Het was de Geest van God die in de dagen vr de zondvloed met de mensen twistte (Gen. 6:3). En door Hem ontvingen de richters en koningen wijsheid en kracht om hun taken te vervullen (zie o.a. Richt. 3:10; 6:34; 11:29; 14:6; 1 Sam. 10:6; 1 Kon. 18:12). Door Hem dichtten de heilige zangers psalmen en lofliederen, en door Hem spraken de profeten van toekomstige gebeurtenissen. De apostel Petrus schreef daarover:

"Want de profetie werd vroeger niet voortgebracht door de wil van een mens, maar heilige mensen Gods hebben, door de Heilige Geest gedreven, gesproken" (2 Petrus 1:21).

De Heilige Geest werkte veel en vaak op een wonderlijke en krachtige manier. Maar Hij woonde niet in de gelovigen. Zijn werkzaamheid in hen was dikwijls van voorbijgaande of tijdelijke aard.

 

Vanaf het begin van de schepping tot op de pinksterdag, genoemd in Handel. 2, was dus de Heilige Geest op aarde werkzaam, maar niet als een persoon, onderscheiden van de Vader en de Zoon. Dat wil zeggen, dat Hij voor hen in wie en door wie Hij werkte niet een bijzondere, afzonderlijk geopenbaarde en gekende persoon in de Godheid was. Het was steeds de enige God die werkte als de Geest van God, de Geest des Heren, de in God werkende en van Hem uitgaande kracht van God, en niet de persoonlijke Heilige Geest. Van een werkelijke uitstorting van de Heilige Geest, of van zijn gezonden worden naar de aarde, vinden wij - behalve in de aangekondigde beloften - in het hele oude testament geen woord. Er wordt zelfs niets gezegd van zijn wonen in de hemel. Wij vinden alleen, dat de Heilige Geest werkte en uit het onderwijs van het nieuwe testament weten wij, dat de Geest van God de derde persoon in de Godheid, de Heilige Geest, was.

 

Verhinderingen voor de openbaring en uitstorting van de Geest

Het is wel van belang om te onderzoeken welke belemmeringen er waren voor de openbaring en uitstorting van de Heilige Geest.

We hebben reeds gewezen op de woorden in Joh. 7:39: "De Heilige Geest was (er) nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was".

Waarom was de Heer nog niet verheerlijkt?

Het antwoord op deze vraag kunnen we ontlenen aan wat de Heer Jezus gezegd heeft in zijn gebed tot de Vader in Joh. 17. Hij wist dat die verheerlijking pas kon plaats vinden nadat Hij het werk voleindigd had dat de Vader Hem te doen gegeven had (vs. 4, 5 ). Het bloed van de verzoening moest eerst voor de troon der genade zijn voordat de Heilige Geest op een door zonden verontreinigde aarde woning kon maken in de gemeente. De harten van de gelovigen moesten tevoren door het geloof in het kostbare bloed van Christus gereinigd zijn, vr de Heilige Geest in hen als in zijn tempel kon wonen. Het is alleen op grond van dit vergoten bloed dat zijn in en bij hen blijven tot in eeuwigheid gegarandeerd is.

Over Isral als volk kan en zal de Heilige Geest eerst dan worden uitgestort, als het door berouw, bekering en geloof is teruggekeerd tot de door hen verworpen en gekruisigde Heer.

In betrekking tot de wereld kwam de Heilige Geest, zoals de Heer Jezus Zelf heeft gezegd: "Om de wereld te overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel; van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; van gerechtigheid, omdat Ik tot mijn Vader heenga en gij Mij niet meer ziet; van oordeel, omdat de overste van deze wereld geoordeeld is" (Joh. 16:8-11).

Al deze dingen maken duidelijk, dat de Heilige Geest pas blijvend zijn woonplaats op aarde kon krijgen nadat het verzoeningswerk van Christus was volbracht, en nadat Hij als de verheerlijkte Heer naar de hemel zou zijn teruggekeerd.

Over de komst van de Heilige Geest en de daarmee verbonden voorrechten sprak de Heer Jezus dan ook pas toen Hij op het punt stond zijn werk te volbrengen. Toen kon Hij zijn discipelen "troosten" met deze kostbare beloften en hun mededelen dat de vervulling ervan aanstaande was. Er zou een andere Trooster tot hen gezonden worden om hen te vertegenwoordigen, te leiden, te onderwijzen, te troosten en te vermanen. Deze zou in en bij hen zijn tot in eeuwigheid. Nu - eindelijk - tot de discipelen doordrong dat de Heer van hen zou weggaan, waren zij daardoor erg onthutst. Maar de Heer maakte hen duidelijk dat zijn vertrek voor hen geen verlies betekende. Het zou zelfs nuttig voor hen zijn, want zijn plaats zou worden ingenomen door de Heilige Geest, die hen bekend zou maken met tot dusver door hen niet gekende zegeningen en voorrechten.

De gelovigen van het oude testament konden deze niet ontvangen, omdat zij nog geen deel hadden aan een volmaakte verzoening en verlossing. Zodoende kenden zij ook niet de volle gemeenschap met God en de onbeperkte toegang tot zijn heiligdom. Zij leefden nog in de tijd van de onvolmaakte offers die geen zonden kunnen wegnemen. De voorhang maakte nog scheiding tussen hen en God. Hun toestand was nog niet volmaakt voor God, zoals die is na het werk van Christus voor allen die in Hem geloven.

De Heilige Geest kon daarom niet blijvend in hen zijn. Zelfs het diepste inzicht in de beloften, en het meest gefundeerde geloof daarin van de oudtestamentische gelovigen, kon deze belemmering niet ongedaan maken. Zij kenden niet de intieme betrekking tot God als hun Vader, op grond van het kindschap Gods; zij wisten evenmin van een persoonlijke Verlosser als persoon in de Godheid, die hun betrekking tot God als Vader bepaalde. Zo konden zij evenmin de zegen en het voorrecht hebben dat de Heilige Geest in hen woonde. Zij behoorden tot die schare van gelovigen, van wie in Hebr. 11:39 wordt gezegd: "Deze allen, die door het geloof getuigenis verkregen hebben, hebben niet ontvangen wat beloofd was".

 

Verschillende facetten van het werk van de Heilige Geest

Hoewel de Heilige Geest dus niet woonde in de gelovigen van de oude dag, werkte Hij wel in en door hen.

Die werkzaamheid had verschillende facetten.

Ook de gelovigen uit het oude testament waren wedergeboren. En deze nieuwe geboorte was het werk van de Heilige Geest. De Heer Jezus heeft dit in zijn gesprek met Nicodemus volgens Joh. 3 duidelijk gezegd. Wat dat betreft is er geen onderscheid tussen de gelovigen van het oude verbond en ons die leven na het volbrachte werk van Christus. Bij de gelovigen uit de genadetijd volgt echter op de werkzaamheid en kracht van de Geest die de wedergeboorte bewerkt, de inwoning van de Heilige Geest. Bij de oudtestamentische gelovigen was alleen het eerste het geval.

Maar ook verder was er overeenkomst en verschil tussen de werkzaamheid van de Heilige Geest in het oude verbond en die na de pinksterdag. In het oude testament worden verschillende mannen genoemd die met de Geest van God vervuld werden om een speciale taak of dienst te verrichten, zoals Bezalel (Ex. 31:3), Mozes en de zeventig oudsten (Num. 11:24-30) en Jozua (Num. 27:18 en Deut. 34:9). Door de kracht van de Geest die op hen kwam, werden zij bekwaam gemaakt tot een dienst die een geestelijk doel had. In n van de volgende hoofdstukken zullen we zien dat ditzelfde nu nog geldt. Er was echter in het oude testament ook een werkzaamheid in gelovigen die een heel ander karakter en doel had en van physieke aard was. Een sprekend voorbeeld hiervan is Simson (zie Richt. 14:6, 19; 15:14).

Iets dergelijks zien we bij koning Saul in 1 Sam. 11:6. Van zulke krachtsontplooiingen door de werking van de Geest lezen we niets na de pinksterdag. Waarmee niet gezegd mag worden, dat de Geest van God nu niet bijzondere lichaamskracht kan verlenen in onze tijd met het oog op het dienen van God.

De Schrift spreekt, voor zover mij bekend, alleen van het werk van de Geest in geestelijke aktiviteiten na de pinksterdag.

In het oude testament kon de Heilige Geest zelfs werkzaam zijn ten behoeve van een dienst voor God in ongelovigen. We zien dat heel duidelijk in de geschiedenis en profetien van Bileam. Nu is dat om verschillende redenen ondenkbaar.