De bijbel, het boek van Gods openbaring (1)

J. KLEIN HANEVELD

In een vorig artikel is gesproken over Gods openbaring in de natuur. En ook over het feit dat God Zich geopenbaard heeft doordat Hij aan mensen verschenen is. God is een sprekende God. Daardoor onderscheidt Hij Zich van de afgoden. 1 Korinthe 12 : 2 spreekt over de "stomme afgoden". Op de Karmel daagde Elia de Bańlspriesters uit een antwoord te verlangen van hun godheid. Maar hoe die priesters ook riepen: "Bańl, antwoord ons!" en wat ze ook deden om Bańl te vermurwen ľ "er kwam geen geluid en niemand gaf antwoord" (1 Kon. 18 :26, 29). Let op de bijtende spot in Jesaja 46 :7b: "Al schreeuwt iemand tot hem, hij antwoordt niet, uit de benauwdheid redt hij hem niet".

In HebreeŰn 1 : 1 wordt gezegd: "God, die vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft aan het einde van deze dagen tot ons gesproken in (de) Zoon". Als de Schrift leert, dat God de mens geschapen heeft in zijn beeld en naar zijn gelijkenis, dan houdt dat ook in, dat Hij tot de mens spreken kan en dat de mens zelf spreken kan. Juist door zijn vermogen om te spreken staat de mens oneindig hoger dan welke diersoort ook. God kan met de mens in relatie treden en God doet dat. Niet alleen vˇˇr de zondeval sprak God tot de mens, maar ook daarna. Dan is het God Zelf die het eerst de stilte verbreekt. Als het eerste mensenpaar zich heeft verborgen voor God, zoekt God hen op en spreekt hen aan. Zijn spreken is een zoeken: "Waar zijt gij?" God zoekt de mens!

 

God heeft vele malen en op vele wijzen gesproken en Zichzelf geopenbaard aan mensen. Het hele oude testament is er vol van. Het spreken van God bereikt echter zijn hoogtepunt en voltooiing in Christus, die Zelf het Woord Gods is. Nu is het zo, dat al die openbaringen van God ten deel zijn gevallen aan personen en generaties, die nu niet meer leven. Wat zouden wij daar nu nog aan kunnen hebben en wat zouden we er met zekerheid van kunnen weten, als ze niet vermeld waren in een boek? Daarvoor heeft God gezorgd. Zijn spreken is schriftelijk vastgelegd. Zijn woord is Schrift geworden. God heeft Zich dus geopenbaard aan de mens. Dat is een groot wonder van genade! En Hij heeft ervoor gezorgd dat wat Hij de mens te zeggen heeft, werd opgeschreven. Natuurlijk heeft Hij mensen daarvoor gebruikt. De bijbel is niet kant en klaar uit de hemel komen vallen, zoals de Mohammedanen van de Koran beweren.

Heilige mensen Gods heeft God willen gebruiken voor het schrijven van de verschillende bijbelboeken en Hij heeft hun gedachten zo gevormd en hun pen zˇ bestuurd, dat ze precies dat neerschreven wat Hij wilde dat ze schrijven zouden. Dat is opnieuw een wonder van Gods genade.

 

De bekende Schriftplaats hierover zegt het zo: "Alle Schrift is van God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk ten volle toegerust" (2 Tim. 3 : 16).

Over deze tekst willen we enkele opmerkingen maken:

 

1. Alle Schrift is van God ingegeven. In het Grieks wordt hier het woord "theopneustos" gebruikt. In de Vulgata, de Latijnse vertaling van de bijbel, is dat weergegeven door het woord "inspiratus", dat "ingeblazen" betekent. Daar vandaan ook ons woord "ingegeven". Zonder nu te zeggen dat dit woord onjuist de bedoeling weergeeft, moet toch gezegd worden dat het oorspronkelijke woord in het Grieks een enigszins andere gedachte geeft. "Theopneustos" betekent meer: door God uitgeademd of uitgeblazen dan: door God ingeblazen. Het woord is samengesteld uit "theos'' dat "God" betekent en "pneo" dat "waaien", "blazen" betekent. Het geeft aan dat de Schrift op een geheel enige en bijzondere wijze de uitdrukking is van Gods Geest. Het gaat niet om "ge´nspireerde schrijvers". Ze worden niet eens genoemd. Gods adem heeft scheppende kracht. Het Woord van God is op dezelfde wijze tot stand gekomen als de natuur, de schepping om ons heen. In Psalm 33 :6 lezen we: "Door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt, door de adem van zijn mond al hun heir". De Schrift is evenzeer een schepping van God als de zichtbare kosmos waarin we ons bevinden.

De bijbel is dus in direkte zin het boek van God Zelf. Hij is het die in de Schrift tot ons spreekt. De gehele Schrift vindt volledig haar oorsprong in God Zelf, ook al is het zo, dat mensen haar geschreven hebben en ze voor mensen bestemd is. Ze is "theopneustos", d.w.z. door God uitgeblazen. God is het subject, de handelende persoon. Bij "ingegeven" wordt al te zeer de aandacht gevestigd op de mensen die God heeft gebruikt en die dan vaak "de ge´nspireerde schrijvers" worden genoemd. De aandacht wordt daardoor gevestigd op de instrumenten die God heeft gebruikt. En natuurlijk heeft God die gebruikt. Maar het gaat er in de tekst niet in de eerste plaats om dat de schrijvers waren ge´nspireerd, maar dat God heeft gesproken. Alle Schrift komt rechtstreeks van God Zelf. Alle Schrift is theopneustos. Het doet ons heel duidelijk zien wat de bijbel voor een boek is. God spreekt in dat boek. Het is zijn heilig Woord.

 

2. Hoe moet 2 TimotheŘs 3 :16 vertaald worden?

De vertaling van het N.B.G. heeft: "Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, enz.". In een voetnoot heeft de Voorhoeve vertaling: "Alle Schrift, van God ingegeven, is ook nuttigů"

Als we letterlijk vertalen staat er: Alle (of: elke) Schrift God-geademd en (of: ook) nuttig tot lering, enz.

 

De vraag is nu waar het koppelwerkwoord "is" ingevoegd moet worden, dat in het Grieks niet is uitgedrukt. Het is dan inderdaad mogelijk op twee verschillende manieren te vertalen. De ene mogelijkheid is: "Alle Schrift /is/ God-geademd en nuttig, enz.". De andere mogelijkheid is: "Alle Schrift God-geademd /is/ook nuttig, enz". Nog beter zou zijn: "Elke Schrift". Niet: "De hele Schrift" zoals de Petrus Canisiusvertaling het heeft. Dan zou er een bepaald lidwoord in het Grieks moeten staan. Het slaat dan op het geheel als gegeven totaliteit. In MattheŘs 8 :34 staat in het Grieks wel een lidwoord en vandaar dat er vertaald is "de hele stad", terwijl het lidwoord ontbreekt in MattheŘs 12 : 25 en er dus vertaald is "elke stad".

 

De bedoeling is te zeggen dat elk Schriftwoord door God ingegeven is. Overigens is het verschil tussen de twee vertaalmogelijkheden, namelijk zoals "Voorhoeve" het heeft en zoals het N.B.G. het heeft niet zo groot als het lijkt. Ook zoals het N.B.G. het heeft, mag men daaruit niet afleiden dat er behalve ingegeven Schrift ook nog niet-ingegeven Schrift zou zijn, die dan niet of minder nuttig zou zijn. Omdat in het Nederlands deze gevolgtrekking uit de tekst mogelijk is, is de vertaling zoals die in de "Voorhoeve-vertaling" voorkomt beslist de beste. Dan is alle misverstand uitgesloten.

 

3. Het is de Schrift, dus de tekst van wat geschreven staat, die ingegeven is. Het is dus niet zo, dat God aan mensen de juiste gedachten gegeven heeft en als het ware hun geest verlicht en geleid heeft. Dat kan best zo zijn, maar het gaat verder. Mensen zijn nu eenmaal feilbaar, zelfs heilige mensen Gods. Ze zouden de juiste en nauwkeurige gedachten van God misschien niet volkomen adequaat uitgedrukt en op schrift gesteld hebben. Nu kunnen we op dat punt gerust zijn, want er staat: "Alle Schrift is van God ingegeven".

 

4. Men moet dus eraan vasthouden dat de bijbel Gods Woord is en niet - zoals vaak gezegd wordt - dat ze Gods Woord bevat. Zij die het laatste beweren houden Gods Woord niet voor onfeilbaar. Zij menen dat er ook dingen in de bijbel staan die niet tot Gods Woord behoren, maar van menselijke oorsprong zijn en daarom aanvechtbaar. Men noemt dat dan het menselijk element in de bijbel. Het is duidelijk dat dit de deur openzet voor willekeur. Het menselijk verstand en zijn eigen wil is dan normatief. Mensen zullen dan voor ons uitmaken wat wel en wat niet in de bijbel van Goddelijke oorsprong is. Moderne theologen uit onze tijd hebben de bijbel, zoals ze zeggen, ontmythologiseerd, d.w.z. ze hebben aangegeven wat in de bijbel "mythe" is en wat de werkelijke "boodschap" is. Om u een idee te geven wat ze daarmee bedoelen, volgen hier enkele "mythen" die in de bijbel voorkomen en die men niet zˇ hoeft aan te nemen en te geloven als het ons wordt meegedeeld.

Christus als de eeuwige Zoon van God, ook vˇˇr zijn vleeswording.
De maagdelijke geboorte
Zijn Godheid
Zijn wonderen
Zijn plaatsvervangend lijden
Zijn opstanding uit de doden
Zijn hemelvaart
Zijn wederkomst
Het eeuwig oordeel
Het bestaan van engelen en demonen
De dood als gevolg van de zonde
Enzovoort.

 

Wat men daarna nog overhoudt is volgens deze theologen de eigenlijke boodschap van de Bijbel. Het is duidelijk dat er zo van de eigenlijke boodschap van Gods Woord niets overblijft! Alles wat bovennatuurlijk is wordt ontkend. De laatste consequentie is dat God Zelf tot een mythe verklaard wordt. En er zijn er inderdaad onder de theologen die deze laatste consequentie aandurven.

 

5. Natuurlijk is er een menselijk element in de Schrift. God heeft mensen gebruikt om de bijbelboeken te schrijven. Ze waren daarbij niet passief, zodat ze als het ware mechanisch neerschreven wat God in hen werkte. De zogenaamde mechanische inspiratie moet worden afgewezen. De mens is geen automaat, ook dan niet als God hem gebruikte om zijn woord te schrijven. Zo lezen we dat Lukas eerst nauwkeurig alles heeft nagegaan om daarna aan Theofilus te schrijven wat wij nu bezitten in de bijbel als het evangelie naar Lukas. Het werk van Gods Geest sloot eigen werkzaamheid niet uit. Verder verschilt de stijl van Lukas van die van MattheŘs en Johannes. De persoonlijkheid van de bijbelschrijvers werd niet uitgeschakeld.

Maar God heeft hen bewaard voor het schrijven van fouten. We houden vast aan een verbale inspiratie. Dat wil zeggen dat elk woord van de Schrift van God Zelf komt. Natuurlijk is het mogelijk geweest dat er bij het overschrijven van de handschriften in het verleden fouten en vergissingen zijn ontstaan. En ook dat door vertalers fouten en vergissingen zijn ingeslopen. Daarom is het van zo groot belang door nauwkeurige vergelijking van zoveel mogelijk handschriften tot de juiste tekst van Gods Woord te komen. En daarom is bijbelvertalen een zeer zeer verantwoordelijke en moeilijke zaak. Ieder woord heeft betekenis en staat daar als een woord van God.

 

6. Er zijn twee waarheden die telkens weer door de satan worden aangevallen en waartegen de strijd van het ongeloof zich richt. Dat zijn de Godheid van Christus en de Goddelijke ingeving van de Heilige Schrift. Aan de engel der gemeente te Filadelfia laat de Heer schrijven: "Gij hebt mijn woord bewaard en mijn Naam niet verloochend". We leven in een tijd van verval en het ongeloof treedt steeds brutaler op. Laten wij temidden van die verwarring toch vasthouden aan het onfeilbare Woord van God. Laten we het lezen en onderzoeken en ons buigen voor het gezag van dat Woord. Van de Joden wordt in Romeinen 3 gezegd dat hun de woorden van God toevertrouwd waren. Ze zijn ook aan ons toevertrouwd. Niet alleen maar gegeven, maar toevertrouwd! Het betekent dat de ontvangers voor het gegevene verantwoordelijkheid gekregen hebben. We moeten het die plaats geven in ons hart en leven waarop het recht heeft.