Vrijgemaakt

(slot)

 

H. MEDEMA

 

Aan het slot van ons vorig artikel over dit onderwerp hebben we uiteengezet, dat onze "oude mens" zijn einde heeft gevonden in het met Christus gekruisigd zijn (Rom. 6 : 6), dat wij daardoor ook van de zonde zijn gerechtvaardigd en vrijgemaakt (Rom. 6 : 7, 18).

Het geloof moet dit echter onvoorwaardelijk aanvaarden, om er de zegen van te ervaren en de kracht te ontvangen om dienovereenkomstig te leven. Nu leert de praktijk - we hebben er al een en ander maal op gewezen - dat veel gelovigen niet op dit niveau staan, maar een geloofsleven leiden dat bestaat uit vallen en opstaan. We zullen proberen aan te geven wat daarvan de oorzaken zijn en hoe dit kan veranderen.

 

Onze ervaringen en gevoelens

We zijn geneigd grote waarde toe te kennen aan dat wat wij in ons geloofsleven ervaren en voelen. Als het een tijd lang goed gaat met onze wandel, dan verheugen we ons daarover. We menen daardoor vorderingen te hebben gemaakt als gelovigen. We stellen dan feitelijk onze ervaringen of gevoelens boven of tenminste gelijk met het Woord van God. Die ervaringen worden dan niet getoetst aan het Woord, maar we toetsen dat Woord aan onze ervaringen. Het gevolg daarvan is, dat ons vertrouwen gericht is op het zichtbare en tastbare en niet op dat wat alleen voor het geloof te genieten is. De ervaringen bemoeien zich met het gevoel, maar het Woord van God spreekt over het geloof.

De ervaringen van de gelovigen zijn al even verschillend als hun karakter. We zien dat b.v. duidelijk als we een vergelijking trekken tussen Abraham en Jakob. Beiden waren zij gelovigen, beiden hadden zij de rijke beloften van God ontvangen. Maar er was een enorm verschil tussen beider levenswandel.

Kenmerkend voor Abraham was: zijn vertrouwen op God, al was zijn wandel niet smetteloos.

Typerend voor Jakob was: zijn streven om zoveel mogelijk profijt te trekken van de omstandigheden.

Resultaten - kort gezegd -: Abraham heeft de gemeenschap met God ervaren en er zich in verheugd.

Jakob daarentegen leefde voortdurend tussen hoop en vrees over het welslagen van zijn plannen, zonder de vreugde van een leven in gemeenschap met God.

Abraham mocht kennis nemen van de plannen en gedachten van God en daarover als een vriend met Hem spreken. Hij kon zodoende een voorbidder zijn voor anderen.

Jakob kon in bepaalde perioden van zijn leven in zijn denken over God niet hoger reiken dan: de God van mijn vader. Voor hem was nodig de worsteling met God aan de Jabbok, om hem te doen inzien dat God alles moest betekenen in zijn leven.

Deze twee situaties kunnen we ook nu ontdekken bij verschillende gelovigen. Er is voor ons een keuzemogelijkheid tussen die twee. En laten we er bij voegen: beide "soorten" gelovigen bereiken het einde. Daar staat de trouw en genade van God garant voor. Er is alleen een groot verschil in de wijze waarop zij geestelijk genieten van de dingen, en - nog belangrijker - in de manier waarop zij hun leven stellen in dienst van God.

De één tot Gods eer, de ander tot zijn oneer.

Vaak kan men een gelovige horen zeggen: "Het ontbreekt mij aan werkelijke ernst om de Heer te dienen, ik heb zo weinig liefde voor Hem, zo weinig overgave aan zijn wil en woord, en - ik maak me daar dikwijls zelfs niet eens ongerust over".

Niemand zal durven beweren dat het Petrus ontbrak aan ernst om de Heer te volgen en dat hij geen vurige liefde voor Hem had, getuige zijn uitspraak: "Heer, ik ben bereid met u in de gevangenis en in de dood te gaan".

Maar wat baat zo'n gezindheid, als ze volbracht wordt in eigen kracht? Dan is het resultaat - net als bij Petrus - de ene keer een wandelen op de golven, met direct daarna een wegzinken in het water; de andere keer een grijpen naar het zwaard om iemand een oor af te slaan, met kort daarop een verloochening van de Heer.

Laten we wel bedenken: noch onze energie, noch onze liefde bieden enige garantie dat de zonde en het vlees niet werkzaam zullen zijn. In deze dingen is op zichzelf geen kracht voor het beleven van onze vrijmaking.

 

Zwakheid en kracht

Wij spreken vaak en veel over onze zwakheid. Daarmee bedoelen we dan, dat ons geestelijk leven op een laag pitje brandt. Soms lijkt het er op dat we daarbij denken: dat is een heel gewone zaak, dat hoort bij een gelovige zolang hij in dit sterfelijk lichaam woont. En achter dat motief verschuilen we ons, als het in ons geloofsleven, privé of gemeenschappelijk, niet gaat zoals dat zou moeten. Vaak wekken we de indruk te menen dat God dit motief ook als alleszins redelijk accepteert en dus genoegen neemt met "onze zwakheid".

Er is inderdaad een "zwak zijn" dat God welgevallig is. Dat is als wij geleerd hebben dat onze hoogste vermogens, of die nu van lichamelijke of verstandelijke aard zijn, voor God op zichzelf onbruikbaar zijn. Van die zwakheid had Paulus weet, zoals blijkt uit wat hij schreef in 1 Korinthe 2 : 3-5:

"Ik was bij u in zwakheid … mijn woord en mijn prediking bestond niet in overredende woorden van wijsheid, maar in betoon van de Geest en van kracht; opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid van mensen, maar in de kracht van God".

En in verband met zijn lichaamskonditie sprak de apostel over het roemen in zijn zwakheden, omdat de kracht van God en Christus daardoor wat met hem kon doen (2 Kor. 12 : 9, 10).

Maar dat is heel wat anders dan zoals wij het woord zwakheid meestal in onze mond nemen, in de geest van wat we in het begin daarvan zeiden. Dan hanteren we niet de taal van de bijbel. Die spreekt niet over dit soort zwakheid als een vanzelfsprekende zaak, maar over kracht en nog eens kracht.

Alleen - laten we dit niet misverstaan - van kracht die van boven komt en niet van kracht die wij in onszelf hebben. Dat beginsel vinden we de hele bijbel door, in het oude en het nieuwe testament.

Mozes zong met de Israëlieten: "De Here is mijn kracht" (Ex. 15 : 2). David heeft gezegd: "Die God, die mij met kracht omgordt" (Ps. 18 : 33). Jesaja sprak: "Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte" (Jes. 40 : 29).

De Heer Jezus zei tegen zijn discipelen: "Gij zult kracht ontvangen als de Heilige Geest over u komt" (Handel. 1 : 8).

Paulus zei van zichzelf: "Ik vermag alles door Hem die mij kracht geeft" (Fil. 4 : 13).

En aan Timotheüs schreef hij: "God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar van kracht" (2 Tim. 1 : 17).

Dit is nog maar een kleine bloemlezing van wat de bijbel ons hierover zegt.

 

De vraag mag worden gesteld hoe het komt dat de kracht van God in menig gelovige zo weinig werkzaam is. Als wij met zo'n krachtbron verbonden zijn, dan moest dat toch merkbaar en zichtbaar zijn. Hoe komt het dat dit vaak niet het geval is? Er is maar één weg langs welke die kracht ons kan bereiken en in ons werken: door de Heilige Geest. Een bijbels fundament voor deze bewering is Efeze 3 : 16, 17:

"Opdat Hij naar de rijkdom van zijn heerlijkheid u geve door zijn Geest met kracht gesterkt te worden naar de innerlijke mens, zodat Christus door het geloof in uw harten woont en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt" (Zie ook vers 20).

Dat is nu ons onderwerp niet en daarom werken we dat ook niet uit, maar er is verschil tussen:

  1. de inwoning van de Heilige Geest in het hart van ieder die gelooft en

  2. het werkzaam zijn van de Geest in ons en door ons.

Het eerstgenoemde is, onafhankelijk van onze praktische openbaring, een feit, het laatstgenoemde is alleen mogelijk als wij:

En daarmee zijn we na enige uitweidingen terug bij de behandeling van ons onderwerp. Het gaat ons er in dit slotartikel om, aan te tonen dat het vrijgemaakt zijn niet beperkt is tot een theoretisch beginsel, maar in de levenspraktijk van elk kind van God zegenrijke resultaten kan afwerpen. Het kennen van de vrijmaking en wat de bijbel daarover zegt, is noodzakelijk om deze te kunnen aanvaarden.

Voor het beleven van de vrijmaking moeten we weten welke hinderpalen er zijn en waar de kracht te krijgen is, om dit uit te werken.

De kracht zetelt niet in ons kennen van de dingen Gods, in ons geloof, onze liefde, onze ernst, onze wens een aan de Heer toegewijd leven te leiden, maar uitsluitend in God.

Hij kan ons die kracht echter alleen doen toekomen via de Heilige Geest. Daarover, zo de Heer wil, later meer in een apart artikel.