GODDELIJKE OPENBARING

 

J. KLEIN HANEVELD

 

Wat verstaat men hieronder?

Openbaring is onthulling van wat verborgen was, bekendmaking van wat tevoren niet bekend was en ook niet geweten kon worden.

Het is voor de mens onmogelijk God te leren kennen door wijsheid en redenering van de mens uit. Alle godsdiensten van de wereld, zowel in het verleden als in het heden, en vele wijsgerige systemen hebben getracht langs deze weg de waarheid te vinden en God te leren kennen. Wat ze gevonden menen te hebben, is niet meer dan een Godsidee, dat beantwoordt aan menselijke behoeften, een God die overeenkomt met onze menselijke voorstellingen van wat God behoort te zijn. Dat is dan een God naar ns beeld en naar nze gelijkenis. Niet de God, die ons in de Schrift tegemoet treedt en ons aanspreekt. Er is niet een soort natuurlijke Godskennis, waarbij de bijbel aansluit. We moeten niet denken dat ook de grote wereldgodsdiensten iets ontdekt hebben van de waarheid aangaande God, zodat bij voorbeeld Allah van de Mohammedanen alleen maar een andere naam is voor de God, die wij kennen mogen uit de Heilige Schrift. Allah is niet de God en Vader van onze Heer Jezus Christus en is daarom een afgod evenals Bal en Dagon een produkt van de mens.

Wat wij van God weten, weten we alleen, doordat Hij Zich aan ons heeft geopenbaard. De mens kan niet tot Hem opklimmen. God moet beginnen. Van Hemzelf moet het uitgaan. Ook hierin moet Hij de eerste zijn.

 

Waarom kan God alleen door openbaring gekend worden?

In de eerste plaats, omdat God wat zijn wezen betreft voor zijn schepselen ontoegankelijk is. Zijn majesteit, zijn heerlijkheid, zijn almacht, zijn wezen en zijn natuur zijn door onze menselijke geest niet te vatten. God is de Gans Andere. Zegt Hij niet Zelf: "Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten" (Jes. 55 : 9). God is "de zalige en enige Heerser, de Koning der koningen en Heer der Heren die een ontoegankelijk licht bewoont, die geen mens gezien heeft of zien kan" (1 Tim. 6 :15). Niemand weet wat in God is dan de Geest van God, zegt 1 Kor. 2 : 11. Alleen Gods Geest is in staat mee te delen wie en wat God is. Het is duidelijk dat als de mens in staat was God te begrijpen, hij zelf God zou zijn.

Wel moeten we vaststellen, dat de mens zo geschapen is, dat hij door God aangesproken kan worden en God met hem in relatie treden kan. Maar het is God, die de relatie tot stand brengt en niet de mens. God schiep de mens in zijn beeld en naar zijn gelijkenis, als een schepsel met wie Hij in verbinding kon treden en met wie Hij kon spreken. In de hof van Eden verkeerde de mens in de onmiddellijke tegenwoordigheid van God en was hij gelukkig in zijn gemeenschap. Gods vreugde was met de mensenkinderen.

De verre God van de Desten, die zwijgend op zijn troon zit en onverschillig is voor zijn schepselen, is niet de God, die zich in de Heilige Schrift openbaart. Enerzijds is God dus de Hoge en Verhevene, die wij niet kunnen begrijpen en die in de hoge en in het heilige woont (Jes. 57 : 15) en die met niemand te vergelijken is (Jes. 40 : 15). Anderzijds wil God Zich door zijn schepselen laten kennen en openbaart Hij Zich aan hen. In Jes. 57 : 15 staat verder: "In de hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven". En in Joh. 1 : 18 staat: "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem verklaard." En in 1 Joh. 5 :20 lezen we: "En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons het verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen."

Uit zichzelf kent de mens alleen afgoden, de vergoddelijkte krachten van natuur en kosmos. God, de levende en waarachtige God, zou voor ons de onbekende God gebleven zijn, als Hij Zich niet geopenbaard had. En dat hft God gedaan.

Er is nog een reden, waarom God alleen door openbaring gekend kan worden.

De mens is een door de zonde gevallen schepsel. Hij heeft de hem door God gestelde grenzen overschreden en wilde als God zijn. Door zijn ongehoorzaamheid is er een breuk ontstaan. Hij stierf de geestelijke dood en was daardoor van God gescheiden. De Schrift zegt dat er niemand is die God zoekt en niemand die goed doet. De mens werd een vijand van God.

Maar aan die gevallen mens wil God Zich in zijn genade openbaren. Het is God die de mens zoekt. Wanneer we in een paar woorden zouden moeten zeggen, waar het nu eigenlijk in de bijbel om gaat, zouden we kunnen zeggen: "God zoekt de mens". Of nog compacter: "God spreekt "

Genesis drie leert ons dat Gods spreken een zoeken is. Als de zondeval een feit geworden is, spreekt niet de mens het eerst, maar God. God zoekt de mens op en spreekt hem aan: "Waar zijt gij?" Zijn spreken is zoeken. Hij Zelf buigt Zich neer tot de mens. Dat is zijn genade. De Heer Jezus zegt van Zichzelf, dat de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te behouden (Lukas 19 : 10).

Niet de gevallen mens zoekt God. Hij kent God niet en kan Hem niet kennen. Het is God Zelf die Zich in zijn nederbuigende goedheid, liefde en genade aan de mens openbaart.

 

Hoe heeft God Zich geopenbaard?

Om te beginnen moet gezegd worden dat God Zich geopenbaard heeft in de natuur. Rom. 1 : 19-21 zegt: "Wat van God gekend kan worden, is onder hen openbaar; want God heeft het hun geopenbaard, - want van de schepping der wereld af worden, wat van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit zijn werken gekend en doorzien - opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. Want hoewel zij God kennen, hebben zij Hem als God niet verheerlijkt of gedankt." En in Psalm 19 staat: "De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen hun prediking gaat uit over de ganse aarde en hun taal tot aan het einde der wereld."

Deze openbaring van God in de natuur is zo overweldigend, dat zij de mens ertoe brengen kan zijn nietigheid tegenover de Schepper te beseffen. "Aanschouw ik uw hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren die Gij bereid hebt: wat is de mens dat Gij zijner gedenkt en het mensenkind dat Gij naar hem omziet?" (Psalm 8 : 4, 5).

Zoals een kunstwerk ons iets zegt over het karakter en de bekwaamheid van de kunstenaar, zo spreekt het geschapene van de majesteit en wijsheid en almacht van de Schepper. Dat was zo, toen God de wereld in het aanzien geroepen had en dat is ook zo gebleven na de zondeval. Weliswaar is de schepping een zuchtende schepping geworden en in disorde geraakt, maar deze "sprake van de natuur" is gebleven. Daarom kunnen alle mensen weten dat God er is, en dat Hij moet worden erkend en gediend. "De levende God, die de hemel, de aarde, de zee en alles wat daarin is gemaakt heeft, heeft in de vorige geslachten alle volken laten wandelen in hun eigen wegen; hoewel Hij Zich toch niet onbetuigd heeft gelaten in goeddoen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven, door uw harten te vervullen met voedsel en vrolijkheid" (Hand. 14 : 15-17).

Deze God wilde dat alle mensen Hem "zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden zouden; hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons" (Hand 17 :27). Daarom wordt de mens die aan al deze dingen voorbijgaat een dwaas genoemd. "De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God" (Psalm 14 : l).

Zelfs Voltaire heeft gezegd: "De wereld brengt mij in verlegenheid; het is toch niet denkbaar dat deze klok bestaat en er geen klokkenmaker zou zijn" Maar er moet toch ook gezegd worden dat sinds de zondeval de openbaring van God in de natuur onvolledig is. Men kan er Gods macht, wijsheid en voorzienigheid in opmerken, maar ze spreekt ons niet van zijn Persoon, van zijn heiligheid, zijn gerechtigheid, niet van wat in zijn hart gevonden wordt.

God openbaart Zich ook nog op een andere wijze aan de mens. Behalve het getuigenis van de natuur van buiten af, is er voor de mens nog het getuigenis van het geweten, van binnen uit. Paulus zegt daarom in Rom. 2 : 14 - 15: "Want wanneer de volken, die geen wet hebben, van nature doen wat de wet zegt, dan zijn dezen die geen wet hebben, zichzelf tot een wet, en zij tonen dat het werk van de wet in hun harten geschreven staat, terwijl hun geweten meegetuigt en hun gedachten elkaar onderling beschuldigen of ook verontschuldigen."

Van al de geschapen wezens heeft alleen de mens een geweten. Hij onderscheidt zich van het dier door zijn intellect en door zijn geweten. De mens is een redelijk en een zedelijk wezen.

Mensen weten van bepaalde dingen dat ze verkeerd en slecht zijn. En dat niet maar uit een algemeen erkend normbesef, maar omdat ieder mens een geweten heeft dat begint te "spreken", als men iets verkeerds doet. Het is het getuigenis van iets in de mens tegen die mens zelf. De mens weet dat hij verantwoordelijk is voor zijn daden. Zijn geweten veroordeelt hem. Natuurlijk mag men de stem van het geweten niet vereenzelvigen met de stem van God Zelf. Niet het geweten is de maatstaf van goed en kwaad. "Maar als ons hart ons veroordeelt, God is groter dan ons hart en weet alles" (1 Joh. 3 : 20). Als ons eigen geweten ons dus veroordeelt, dan moet het zeker zo zijn met God Zelf, want Hij weet alle dingen en wij niet.

Het geweten is niet voldoende om de weg tot God te vinden. Het doet ons hoogstens God kennen in zijn heiligheid en gerechtigheid, maar niet in zijn genade en barmhartigheid.

Wel is het zo, dat als de Geest van God aan een mens werkt, dat gebeurt in zijn hart en geweten. Zo wil God Zich ook aan de mens openbaren. Elke evangelieprediking behoort erop gericht te zijn dat hart en geweten geraakt worden. Dat geweten moet gebracht worden in het licht van God. Dat kan de mens ertoe brengen voor God uit te spreken dat hij een zondaar is. Er is veel evangelieprediking, die het geweten onberoerd laat en die zwakke bekeringen tot gevolg heeft, soms zelfs schijnbekeringen. Het weten heeft zijn hoogste dienst gedaan, als het de mens als een schuldig zondaar uitdrijft tot Hem, die voor goddelozen is gestorven.

God spreekt tot de mens in de natuur, in de schepping, maar Hij openbaart Zich ook in het geweten van de mens.

 

Is de openbaring van God in de natuur en in het geweten voldoende om God te leren kennen?

Deze openbaringen van God kunnen alleen daartoe leiden dat men zichzelf leert zien als een nietig en schuldig schepsel tegenover een almachtige en heilige God. Om met God in verbinding te komen, Hem waarlijk te leren kennen, is mr nodig.

God heeft Zich ook geopenbaard doordat Hij aan mensen verschenen is en direkt tot hen gesproken heeft. We denken aan Abraham, Isak, Jakob, Mozes en Gideon. Hij sprak door dromen en gezichten, bijvoorbeeld tot Salomo, Danil en Jozef, de man van Maria. God sprak ook door wonderen en tekenen: het oordeel van de zondvloed en de redding van Noach, de verwoesting van Sodom en de redding van Lot, de plagen van Egypte en zijn wonderwerken in de woestijn. Ten slotte zond God zijn profeten tot zijn volk en gebruikte hen als zijn instrumenten om tot de mensen te spreken. Hij legde zijn woorden in hun mond. "God heeft vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken in de profeten" (Hebr. 1 : l). Maar al deze openbaringen van God bleven onvolledig. Wel getuigden zij van de ware God maar Hijzelf bleef toch de verborgene, de onzichtbare.

"God heeft aan het einde van deze dagen tot ons gesproken in/de/Zoon" (Hebr.1 : 1). De Heer Jezus is God in het vlees. In Hem is God zichtbaar geworden. Niet alleen brengt Hij een nieuwe openbaring, Hij is het Zelf. "Niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren" (Matth. 11 :27).

En de Heer Jezus heeft ook gezegd; "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien" (Joh. 14 : 9). In Hem woonde de volheid van God lichamelijk.

Zoon van God, in U aanschouwen wij aanbiddend 's Vaders beeld, al Gods volheid, zijn genade, en zijn liefde onverdeeld.

Van deze bijzondere openbaringen van God is de Heilige Schrift het authentieke getuigenis. De bijbel is het geschreven Woord van God. Heilige mensen Gods hebben door de Heilige Geest gedreven gesproken - en geschreven. Immers alle Schrift is van God ingegeven. God openbaart Zich dus in zijn Woord. Hierover zal in een volgend artikel gesproken worden.