ONZE KOLLEKTEN

 

M. W. ZWART Sr.

 

De kollekte voor de behoeften van de heiligen

De kollekte die ons rechtstreeks in de Schrift worden aanbevolen, is die voor de dienst aan de heiligen. Daarvan lezen we in 1 Kor. 16 : 1 - 4 dat elke eerste dag van de week iets zou worden terzijde gelegd en opgespaard overeenkomstig de welstand waarin men verkeerde. Deze gang van zaken was door Paulus in de gemeenten van GalatiŽ reeds verordend en hij wenste dat de KorinthiŽrs dit eveneens zouden doen. En wat aan de KorinthiŽrs werd geschreven, heeft tevens betekenis voor alle gemeenten; voor "allen, in elke plaats" (1 Kor. 1 : 2).

Dit op zichzelf reeds zou voldoende moeten zijn om deze inzameling voor de heiligen de plaats te geven, die haar toekomt. Natuurlijk heeft de vergadering in de eerste plaats verplichting t.o.v. hen die in eigen omgeving zijn, zoals we dat b.v. in Hand. 4 : 32-37; 1 Tim. 6 : 9, 10, 16 enz. vinden. Maar wanneer in eigen omgeving geen broeders of zusters zijn die geholpen moeten worden, dan is dit allerminst reden om geen inzamelingen meer te houden voor de dienst aan de heiligen, want noden en behoeften onder de gelovigen zijn er altijd. De Heer Jezus zei reeds: "De armen hebt gij altijd bij u". Paulus schrijft in Rom. 15 : 25, 33 over de gave van MacedoniŽ en Achaje die voor de heiligen te Jeruzalem was bestemd. Evenzo was de gave die in 1 Kor. 16 :1-7 en 2 Kor. 8 en 9 wordt genoemd, voor de heiligen te Jeruzalem bestemd. En wij kunnen lezen van de uitwerking van zulk een dienst, want deze "voorziet niet alleen in de behoeften van de heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen aan God" enz. (2 Kor. 9 : 12).

Wanneer we deze inzameling houden, moet het toch niet zů zijn, dat we eerst de inhoud van onze portemonnee gaan nakijken, want we hebben onze gave reeds te voren vastgesteld en dus ook gereed om in de kollektezak of -bus te deponeren.

Er zijn vele kinderen Gods, die ook nu in armoede verkeren; denken we alleen maar aan de communistische landen, waar de broeders tengevolge van hun geloofsbelijdenis in gevangenissen zuchten en wier gezinnen geen inkomsten meer genieten. In Duitse vergaderingen bestaat een uitgebreide hulpactie. Pakketten met nuttige inhoud worden regelmatig aan hen, die hulp nodig hebben, toegezonden. Geld zenden gaat niet goed en werkt ook niet zo effectief. In onze "Mededelingen" en in "Flitsen" en vooral in de "Mitteilungen" kunnen we ontroerende brieven en geschiedenissen vinden die over deze hulp spreken. Ook in Nederland hebben zich enkele broeders beschikbaar gesteld om zowel voor de behoeften der heiligen als ook voor het werk des Heren gelden naar het buitenland over te maken.

"Wie nu aardse goederen heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden en zijn hart voor hem sluit, hoe blijft de liefde van God in Hem?

Kinderen, laten wij niet liefhebben met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid" (1 Joh. 3 : 17, 18).

 

De kollekte voor het werk des Heren

Hoewel deze kollekte in de Schrift niet wordt genoemd, is het uit verschillende plaatsen in de brieven van Paulus duidelijk dat ook voor het werk des Heren gelden dienen te worden ingezameld. Uitvoerig lezen we hierover in 1 Kor. 9 : 1 -23. Met meerdere voorbeelden toont de apostel aan dat hij die in het evangelie werkzaam is, het recht heeft om beloning voor zijn arbeid te ontvangen. Maar door dit betoog, dat in de eerste plaats op hemzelf slaat, geeft de apostel tevens aan volgens welk algemeen principe men dient te handelen ten opzichte van elke dienstknecht van de Heer. De apostel wilde echter van zijn recht geen gebruik maken en van de KorinthiŽrs niets ontvangen, hoewel hij hun het evangelie had verkondigd; hij wilde liever aller slaaf zijn om zoveel mogelijk mensen te winnen. Als tentenmaker heeft hij in zijn onderhoud voorzien en zelfs van zijn verdiensten ook anderen laten meedelen. Wel had hij van andere gemeenten gelden aangenomen om in Korinthe zonder hun steun te kunnen werken. En dit alles deed hij om hun de aanleiding tot valse beschuldigingen en verkeerde gevolgtrekkingen af te snijden (Hand. 18 : 3 en 2 Kor. 11 : 7-18; 12; 13). We weten b.v. ook uit Hand. 20 :33, 34 van Efeze en uit 2 Thess. 3 : 6 - 12 van Thessalonika, dat de apostel van deze gemeenten niets heeft willen aannemen. Van de gemeenten van MacedoniŽ en met name van de gemeente te Filippi had hij wŤl voor zijn levensonderhoud aangenomen (2 Kor. 11 : 7 - 12; Fil. 4 : 15 - 18).

 

Beloning voor oudsten

In 1 Tim. 5 : 17 - 19 wordt gesproken over oudsten, die op hun plaats trouw dienen. Allereerst wordt gezegd dat deze geŽerd moeten worden. Vooral als deze oudsten met het Woord en de leer dienen, verdienen zij respect. De vraag komt dan vanzelfsprekend naar voren op welke wijze zulke broeders moeten worden geŽerd.

Ongetwijfeld is ťťn vorm van eer bewijzen dat zij ondervinden dat naar hen wordt geluisterd en dat zij worden gehoorzaamd. (1 Thess. 5 : 12, 13). Wat is het voor zulke voorgangers een bemoediging als de anderen zien en erkennen dat die broeders verantwoordelijkheid gevoelen voor de kudde en intens meeleven in hun geestelijke gesteldheid (Hebr. 13 : 17). Nu kunnen wij ons goed voorstellen dat er zulke oudsten zijn die, doordat zij voor hun levensonderhoud en dat van hun gezin hebben te zorgen, niet in de gelegenheid zijn om zich te wijden aan de zorg voor de gemeente, zoals dat wel gewenst zou zijn. Wat heeft dan de gemeente te doen? Zij heeft dan bij zulk een "dorsende os" de muilband weg te nemen, d.w.z. de gemeente moet voor zijn levensonderhoud gaan zorgen, zodat hij zijn dienst in de gemeente onbelemmerd kan verrichten (Gal. 6 : 6). In dit verband wordt in 1 Tim. 5 : 18 een woord van de Heer Zelf aangehaald, nl. "De arbeider is zijn loon waard". En wanneer de Overste Herder verschenen is, zal hij voor zijn trouwe dienst de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid uit zijn hand ontvangen (1 Petr. 5 : 1-5).

 

Nog enkele opmerkingen

(Jes. 58 : 7, 8; Luk. 3 : 11; Rom. 12 : 8 en Ef. 4 : 28)

Wanneer we Hebr. 13 : 16 bekijken, dan zien we dat God welgevallen heeft in offers van weldadigheid en mededeelzaamheid. Wij mogen weldoen aan allen en het meest aan de huisgenoten van het geloof (Gal. 6 : 9, 10). God let er op en heeft er een welgevallen aan. En ook als wij meedelen van het onze aan de medebroeders en zusters, is dat voor God wel gevallig. Of dat nu is zoals ons in Gal. 6 : 6 speciaal wordt gezegd in betrekking tot hen die ons onderwijzen, of dat het is jegens andere broeders en zusters aan wie wij hartelijkheid bewijzen door iets met hen te delen, dat doet er niet toe, het is God welgevallig als zulke offers spontaan worden gebracht.

Wat een tegenstelling met de wereldling, die alles voor zich opeist, die niets missen kan, opdat hij toch maar alle dingen zelf kan genieten. Maar helaas vertonen ook vele gelovigen de neiging zoveel mogelijk voor zichzelf op te eisen. Velen ontzeggen zich zelfs bepaalde levensbehoeften om allerlei moderne genotmiddelen in huis te kunnen halen. En wat kan er dan overschieten voor de "God welgevallige offeranden?" Die moeten daar dan in ieder geval onder lijden!

Zoals reeds is aangegeven, wordt dus in Gods Woord direct of indirect gesproken over enkele inzamelingen, zoals de behoeften van de heiligen, het werk des Heren en eventueel voor hen die bepaalde diensten in plaatselijke gemeenten verrichten.

 

Vanzelfsprekend behoren ook huishoudelijke kosten tot de gelden die moeten worden samengebracht, hoe men dat ook wil doen, door kollekte of door hoofdelijke omslag. Heel dikwijls echter worden in verschillende vergaderingen meerdere inzamelingen gehouden, waarvan de meeste wel zijn onder te brengen onder het hoofd: werk des Heren. Immers wordt alle dienst in het evangelie bestempeld met de uitdrukking "het werk des Heren" en wordt zelfs de gehele gemeente te Korinthe opgewekt om in het werk des Heren te ijveren (1 Kor. 15 : 58). Vanzelfsprekend behoeven niet allen in deze dienst te worden ondersteund, zoals ons dat in 1 Kor. 9 uitvoerig wordt meegedeeld. Er zijn vele broeders, die in de dienst van de Heer staan voor wie Hij heeft gezorgd dat zij geheel of gedeeltelijk inkomsten hebben, die hen in staat stellen onbezorgd voor Hem of voor zijn gemeente te werken.

 

Wat zijn wij in ons land bijzonder bevoorrecht! Algemeen leven wij onder gezegende maatschappelijke omstandigheden. In tegenstelling tot zoveel andere landen mogen wij leven in grote welstand en ontvangen ruimschoots voor onze levensbehoeften. Wanneer wij dat inzien, zal het ons niet moeilijk vallen om iets af te zonderen voor hen die voor de Heer werken (Luk. 19 :23). Wij kunnen er dan zeker van zijn dat het oog van God en van onze Heer met goedkeuring op ons is gericht en wij zullen ongetwijfeld de zegen daarvan ondervinden.