Enkele vragen en de antwoorden daarop

 

Vraag: (1)

U heeft zich beperkt tot gezagsbeperking. Zou u dat willen uitbreiden met een voorbeeld van gezagsuitbreiding? Daar liggen de grootste problemen.

 

Antwoord:

Als iemand de bijbelse chronologie gaat beschouwen zoals die van de burgerlijke stand, en zo de 4000 jaar van Adam tot op Christus als een absoluut getal hanteert, dan laat hij de Schrift iets zeggen wat zij niet bedoelt te beweren. Vergelijking van de diverse geslachtsregisters laat zien, dat ze niet een exact-rekenkundige, maar een morele waarde hebben.

Sprekender voorbeeld: Als iemand op grond van de uitspraak van Jozua: "Zon sta stil . . ." leert dat de zon om de aarde draait, dan geeft hij de Schrift iets in de mond wat zij niet pretendeert te leren en doet hij aan gezagsuitbreiding.

 

Vraag: (2)

Velen zullen altijd gemeend hebben dat de periode van Adam tot op Christus 4000 jaar was. Graag uitvoerige uitleg waarom dit niet juist is. Er staat uitdrukkelijk: Adam leefde 930 jaar (Gen. 5 : 5).

 

Antwoord

Er is niet gesteld dat dit onjuist is, maar dat de bijbel niet de bedoeling heeft dit te leren. Dat is aangetoond met het geslachtsregister van MattheŁs 1, waar de weglating van enkele geslachten duidelijk spreekt. Een andere aanwijzing vinden we in Lukas 3 waar tussen Arpachsad en Selah nog KaÔnan vermeld wordt, die we in Gen. 11 : 11, 12 niet vinden. Als er dus staat: "die-en-die leefde zoveel jaar en gewon een zoon" dan behoeft dat niet een lijflijke zoon te zijn. Zo wordt van Levi gezegd, dat hij nog was in de lenden van zijn vader Abraham, toen deze Melchizedek de tienden gaf.

We lezen nergens in de bijbel dat we de opgaven van de leeftijden moeten gebruiken om tot een sluitende chronologie te komen. Wel hebben deze gegevens een morele waarde. Zo zien we de doorwerking van de zonde in de afname van de ouderdom enz. Als God deze leeftijden vermeldt, mag ik ze natuurlijk tellen. Ze hebben mij iets te zeggen. Alleen moet ik de uitkomsten geestelijk gebruiken, want ze delen mij geestelijke zaken mee. We kunnen deze optellingen niet zonder meer naast onze kalender hangen. God rekent de tijden niet kwantitatief, maar kwalitatief. Het geslachtsregister van de Koning (Matth. 1) bevat 3 x 14 geslachten. Dat van de Mens Jezus Christus (Luk. 3) over eenzelfde periode 4 x 14.

 

Vraag: (3)

Er is gezegd dat het denken over de geslachtsregisters op twee manieren kan gebeuren: Úf konkluderen dat de bijbel hier geen gezag wil hebben, Úf zoeken naar de bedoeling. Waarom deze uitsluitende onderscheiding? Het is toch ook mogelijk te konkluderen dat de bijbel hier geen puur historisch gezag wil hebben en tegelijk zoeken naar de bedoeling, dus naar het bijbelse gezag?

 

Antwoord:

Inderdaad eist de bijbel geen puur historisch gezag voor zich op. Als men tenminste onder puur historisch gezag het gezag van de moderne geschiedsbeschrijving verstaat. Maar dat wil niet zeggen dat de bijbel onhistorisch zou zijn. Dat is de tegenstelling die men in de regel maakt. De in de geslachtsregisters genoemde personen hebben terdege bestaan. In die zin heeft de bijbel per sť historisch gezag. Alleen het begrip "zoon van" duidt niet altijd op een lijflijke zoon. God neemt in de linie van Abraham tot Christus de personen die voor Hem bestonden en laat weg hen die om een bepaalde reden niet voor vermelding in dit register in aanmerking komen.

Hierin zit ook een praktische les. Het is een normaal verschijnsel in het Woord van God, dat de Heer buiten beschouwing laat wat niet door Hem erkend kan worden. We treffen dat aan bij Abraham. De jaren dat hij Hagar tot vrouw gehad heeft, telt God niet mee. In de samenvatting van de tijd van de Richters worden Ī 115 jaren niet meegeteld, namelijk de jaren dat het volk onder vreemde heerschappij zuchtte. Hetzelfde valt op te merken bij de 70 jaarweken in het boek DaniŽl. Die houden allen verband met de tijd dat IsraŽl in het land woont en in verbinding met God staat.

Nog iets over de geschiedsbeschrijving in de bijbel. Slechts dan wordt in de bijbel iets van de wereldgeschiedenis vermeld, als deze in verbinding staat tot de heilsgeschiedenis. Er zullen in de dagen van Abraham heel wat veldtochten hebben plaats gehad, maar alleen die van Kedor Laomer wordt vermeld. Daar raakte deze fase van de wereldgeschiedenis de heilsgeschiedenis.

Bovendien wordt de wereldgeschiedenis ook nog beschreven vanuit een Goddelijk gezichtspunt. Zo wordt AssyriŽ in Jesaja 10 de roede van Gods toorn genoemd. Het optreden van deze wereldmacht tegen IsraŽl wordt dan gezien als het werk van God. Maar even verder lezen we dat God Assur zal straffen, omdat het IsraŽl niet belaagde om Gods wil te doen, maar om buit te behalen.

Hier vinden we dus de "goddelijke kijk" en de "menselijke kijk" op hetzelfde geschiedkundige gebeuren naast elkaar.

De bijbel is geen geschiedenisboek, geen natuurkundeboek enz., maar alles wat de bijbel zegt over de geschiedenis, of over de natuur enz. is waar. Daarbij moeten we natuurlijk bedenken dat het Woord van God over deze dingen in gewone taal spreekt en niet in wetenschapsformules, en dat God niet meer zegt dan Hij wil zeggen en met het doel waarvoor Hij het zegt.

 

Vraag: (4)

Er zijn drie gronden voor tegenspraak genoemd. Het lijkt mij moeilijk voor ons om uit te maken: a. wat tegenspraak is, omdat de bijbel het Woord van God is; b. wat, omdat er vanuit verschillende gezichtspunten iets beschreven wordt; c. wat tot kopieerfouten gerekend moet worden.

 

Antwoord:

De eerste tegenspraak heeft betrekking op de inhoud, op de leer, zo u wilt op de boodschap. Als er aan de ene kant in de Schrift gesproken wordt over de uitverkiezing van God en aan de andere kant over de verantwoordelijkheid van de zondaar om zich te bekeren, dan is daar voor het natuurlijk verstand tegenspraak. De tweede tegenspraak wordt gevonden bij verschillende beschrijvingen van eenzelfde gebeurtenis. We zien dat bv. in de evangeliŽn, omdat elke schrijver de persoon van Christus op een andere manier belicht.

De derde tegenspraak spreekt voor zichzelf. Ook in onze taal kan een slechts geschreven "n" met een "u" verward worden.

Een handboek van een taalkundige kan ons hier uit de nood helpen. We moeten echter niet te gauw aan een overschrijffout denken. De verklaring van het verschil kan ook op heel ander terrein liggen. Het kommentaar van Grant in Numericle Bible bij Psalm 9 en 10 kan ons hiervoor de ogen openen.

J. G. F.


Vraag: (5)

a. Waarom heeft de inleider de godloze evolutietheorie niet aan de kaak gesteld?

b. En wat te denken van de zgn. theÔstische evolutieleer?

 

Antwoord

De evolutietheorie is maar een klein onderdeel van wat men tegenwoordig wetenschap noemt. Ik meen, dat ik in mijn inleiding heel duidelijk "aan de kaak gesteld heb", wat wetenschap is. Ik voel mij echt niet geroepen om hier speciaal de onjuistheid van de evolutiehypothese in het licht te gaan stellen. Ik heb daartoe geen wetenschappelijke competenties. Dus vanuit wetenschappelijk oogpunt kan ik haar geldigheid niet bestrijden. Trouwens - dan zal men ook een heel goede competentie moeten hebben!

Maar wat ik wel eenvoudig kan vaststellen is, dat zoals op veel andere terreinen van wetenschap, ook de evolutietheorie komt met hypothesen, uitspraken, conclusies die in openlijke strijd zijn met wat de bijbel mij over het ontstaan der dingen zegt. Dat is niet anders - ook al lees ik zo nauwkeurig mogelijk en houd ik er zoveel mogelijk rekening mee, dat de bijbel natuurlijke verschijnselen meestal in volkomen subjectieve taal weergeeft. En als u mij vraagt: - wat dient een gelovige nu te geloven, waarvoor heeft hij zich te buigen? - dan is mijn antwoord even eenvoudig: - hij heeft zich te buigen voor de uitspraken van de Schrift. Maar veronderstel, dat hier een man zou zitten die een olieopsporingsbedrijf had en naar olie moet gaan zoeken. Dan zou ik hem zeggen: - man, ze hebben me verteld dat de evolutietheorie je met haar hypothesen een aardig systeem kan leveren, waarmee je de gassen en oliŽn, die door organische resten in de bodem zijn geproduceerd, kunt opsporen en vinden. Ik zeg niet dat die thorieŽn waar zijn, maar je schijnt er beslist meer kans van slagen mee te hebben, dus 't is te proberen, want er is mee te werken.

M.a.w. de evolutietheorie is een goede werkhypothese. Dan werken we er mee, maar we moeten het niet voor waarheid verkopen! Zodra ik het voor waarheid verkoop, wordt het ongoddelijk gezwets van ten onrechte zogenaamde wetenschap. Dan matigen we ons aan dingen te beweren over God en zijn werkwijzen, die ons ten enenmale niet geopenbaard zijn en die ons in Gods Woord heel anders zijn geopenbaard geworden. Precies hetzelfde beginsel geldt voor allerlei andere takken van wetenschap.

Wat de theÔstische evolutietheorie betreft: - dat is weer een van die pogingen om bijbel en wetenschap met elkaar te verzoenen. Dat moeten we eenvoudig nooit proberen - het is een dwaasheid. Bijbel en wetenschap (wetenschap in de zin als in de inleiding gedefinieerd) staan wezensvreemd tegenover elkaar. Men heeft dit juist in de tijden voor de Middeleeuwen gedaan. Men heeft in de christelijke Kerk het wereldbeeld van PtolemeŁs, Aristoteles en andere wijsgeren uit de oudheid samengevoegd met en ingepast in wat in de bijbel wordt gezegd en deze hutspot als onfeilbare leer der kerk, ja als Gods Woord aangeprezen. Toen daarna GalileÔ ter bestudering van de hemellichamen de zintuigenlijke bewapening van het oog invoerde en via zijn waarnemingen tot nieuwe wetenschappelijke inzichten kwam, kwam hij in botsing met de gevestigde bijbeluitleg, of beter "inleg", en werd met de brandstapel bedreigd. Het was alles een dwaasheid, omdat men van een totaal onjuiste conceptie was uitgegaan. De gedachte dat we de "geestelijke dingen", die ons door "geestelijke woorden" worden meegedeeld en die ook nog "geestelijk moeten worden onderscheiden", onder dezelfde noemer zouden kunnen samen brengen met de resultaten van de gissingen der menselijke rede, uitsluitend gebouwd op indrukken die via zintuigelijke waarneming werden verkregen ... die gedachte is absurd! Je moet aan zoiets eenvoudig niet beginnen.

J. Ph. F.