Roeping en toekomst van IsraŽl (slot)

 

J. PH. BUDDING

 

IsraŽl is in de bijbel "IsraŽl"

Een belangrijke bron van misverstand is de neiging om bijbelgedeelten die op IsraŽl betrekking hebben, op de gemeente toe te passen. In mijn zakbijbel staat boven de hoofdstukken een korte weergave van de inhoud. Zo staat er boven Zacharia 14 het volgende: "Profetie van de grote ellende, welke de stad Jeruzalem zou overkomen; doch met belofte, dat de Here de zijnen zal behouden en zalig maken". Verder wordt hier gesproken van de voortreffelijke gaven, welke de Here over zijn kerk zou uitstorten en van haar heerlijke en zalige staat; van de straf en ondergang harer vijanden; en van de bekering van enigen van hen; mitsgaders van de heilige ijver der kerk.

Hieruit blijkt, dat profetieŽn over Juda, Jeruzalem, Palestina en IsraŽl zonder meer op de gemeente worden toegepast, waardoor een onbegrijpelijke warboel zonder samenhang ontstaat. De overtuiging dat IsraŽl heeft afgedaan, verhinderde de uitleggers om te geloven, dat er werkelijk bedoeld wordt wat er staat.

In dit verband zijn Efeze 3 en Kolosse 2 van belang, waar over de gemeente wordt gezegd, dat zij een verborgenheid was, die voorheen de mensen niet bekend was gemaakt. En in Matth. 16 : 18 zegt de Heer Jezus: "Op deze rots ZAL ik mijn gemeente bouwen". Het is uit deze plaatsen duidelijk, dat de gemeente in nieuw-testamentische zin er vůůr het kruis nog niet was en dat daar bovendien niets over bekend was gemaakt (een verborgenheid wordt zij genoemd). Dit sluit te enen male uit, dat wij Zach. 14 en veel andere gedeelten van het oude testament op de gemeente kunnen toepassen.

Sommigen bestrijden dat door te zeggen, dat dan het oude testament voor de christen geen betekenis meer zou hebben. Dat getuigt van grote onkunde. De Schrift zegt immers: "Al wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven", en: "Al deze dingen nu zijn hun overkomen tot voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons". Bovendien heeft de Heer Jezus gezegd: "Mozes en de profeten, die zijn het die van mij getuigen". Zou dat voor ons waardeloos zijn? Dan zouden ook de evangeliŽn waardeloos zijn! En tenslotte, de toekomst is de toekomst van onze Heer Jezus Christus. Kan zijn toekomst ons onverschillig zijn?

 

Hij naar de aarde, of wij naar de hemel?

Een andere grote fout is de onkunde met betrekking tot de komst van Jezus Christus. Velen weten niet meer dan "dat Hij wederkomen zal om te oordelen de levenden en de doden." Deze korte zin is absoluut onvoldoende om de bijbelse leer over de komst van Christus weer te geven. Zegt deze zin iets over de belofte van de Heer Jezus in Joh. 16 : 22: "Gij hebt nu wel droefheid; maar ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden"? Of over Joh. 14 : 3: "Als ik heenga en u plaats bereid, kom ik weer en zal u tot mij nemen, opdat ook gij zijn moogt waar ik ben?" Wat zegt die zin over Joh. 17 : 24? En wat over 1 Korinthe 15 : 51 - 55? en wat over 1 Thess. 4 : 15-18? "Vertroost dan elkaar met deze woorden", zegt de apostel in vers 18. Kan Christus' komst ten oordeel mij een troost zijn? Een troost is het, dat Hij de zijnen zal opnemen in heerlijkheid om altijd met Hem te zijn. Een troost is het, dat voor Gods kinderen een woning in het vaderhuis is bereid; dat Hij ons tot Zich zal nemen, en wij een weerzien met onze geliefde Heer tegemoet leven. Bij zijn hemelvaart hebben de discipelen gehoord, dat Hij op de wolken zou weerkomen. Het genoemde hoofdstuk uit Zacharia zegt, dat zijn voeten op de Olijfberg zullen staan. Deze en veel andere schriftplaatsen duiden op zijn terugkeer naar de aarde.

 

Er zijn echter ook bijbelgedeelten, die spreken over de opname van de gelovigen, van de aarde naar de hemel. Joh. 14 : 3: "Ik zal u tot mij nemen." 1 Thess. 4 : 17: "De doden in Christus zullen eerst opstaan; daarna zullen wij, de levenden, die overblijven, samen met hen in wolken opgenomen worden de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer zijn".

Wat is nu juist? Komt Hij op aarde, of gaan wij tot Hem?

Wat een dwaze vraag! Hij heeft toch gezegd, dat Hij op aarde zou weerkeren. Dan is dat immers waarheid! Zo heeft Hij ook gezegd, dat Hij de zijnen tot Zich zou nemen in de lucht om hen in het vaderhuis te brengen. Dan is ook dat waar. Beide is waar.

Het komen van de Heer in de lucht, om de zijnen tot Zich te nemen, geldt de gemeente. Zijn komst op aarde is de komst ten oordeel en tegelijk tot verlossing van de getrouwen onder IsraŽl. Dan is de volheid der volken reeds ingegaan en is de gemeente niet meer op aarde, maar bij Hem in heerlijkheid. Dan is een einde gekomen aan de huidige periode, waarin een tijdelijk oordeel over IsraŽl is gekomen. Dan zal God weer met IsraŽl handelen. Aan zijn komst ten oordeel gaat de grote verdrukking vooraf. De gemeente komt niet in die verdrukking. In Openbaring 3 : 10 zegt de Heer duidelijk, dat Hij de zijnen voor (niet in) dat uur der verzoeking zal bewaren. Een christen behoeft geen oordelen of de antichrist te verwachten, integendeel, wij moeten de Heer verwachten, elke dag. Niets verhindert zijn komst. Als de gemeente is weggenomen, breekt een geheel andere tijd aan, de tijd van verdrukking en benauwdheid voor Jakob. Dat werpt een totaal ander licht op de profetieŽn, de psalmen en de beloften aan IsraŽl. Dat verklaart ook de wraakpsalmen. Die passen inderdaad niet in onze tijd, de tijd van genade, maar wel in de dag van het oordeel.

Hier mag wel gezegd worden, dat de psalmen ook voor ons betekenis hebben. Zij spreken over het lijden van Christus en de heerlijkheid daarna. Wij vinden er troost, lering en bemoediging in. Dat neemt niet weg, dat zij geschiedkundig en profetisch joods zijn, althans niet op de toekomst van de gemeente op aarde betrekking hebben. De roep "breng ons weder" en "hoe lang nog?" slaat niet op de gemeente, op ons christenen, maar op de verdrukten en verstrooiden in IsraŽl. De genoemde misverstanden blijken grote hinderpalen te zijn om te leren verstaan, wat ons omtrent de toekomst door God is geopenbaard.

 

De verhouding gemeente-IsraŽl

Wat leert ons Gods Woord over de gemeente ten opzichte van IsraŽl? In Romeinen 10 : 19 citeert Paulus Deut. 32, waar Mozes zegt, dat IsraŽl tot jaloersheid gebracht zou worden door wat geen volk is. Wie zijn dat "geen volk"? Dat zijn zij, die uit de volken zijn ingelijfd, niet bij IsraŽl, maar bij de gemeente, zoals Efeze 2 : 11 e.v. beschrijft. Petrus gebruikt dezelfde uitdrukking in 1 Petrus 2 : 10. Wij, die ver van God waren, zijn nu nabij gebracht, die geen volk waren, zijn nu Gods volk geworden. Dat moest tot IsraŽl spreken. Helaas heeft de gemeente in deze roeping tegenover IsraŽl verschrikkelijk gefaald. In Romeinen 11 : 25 vermaant de apostel ons christenen om niet wijs in eigen oog te zijn, ons niets te gaan verbeelden, alsof IsraŽl verworpen zou zijn en wij hun plaats gekregen hebben. De wederaanneming van IsraŽl is een verborgenheid, die ons juist geopenbaard is, opdat wij ons niets zouden verbeelden. IsraŽl is wel verhard na de verwerping van de Messias, maar die verharding is slechts "totdat".

God zal hen na het tijdperk van de gemeente waarin wij leven, door oordelen tot bekering leiden en een overblijfsel zal behouden worden. Dan zal pas komen waarover Petrus heeft gesproken, de tijden van verkwikking, als de Heer voor zijn volk zal terugkeren en zij zullen zien op Hem die zij doorstoken hebben. Zo zal God vervullen wat Hij aan de vaderen heeft beloofd.

De christen dient te beseffen, dat de IsraŽlieten geliefden zijn om der vaderen wil. Het christelijk getuigenis moet allereerst tot IsraŽl uitgaan. Van groot belang is het besef, dat IsraŽls toekomst ten nauwste verbonden is aan de toekomst van de Heer Jezus Christus. Hij, die op aarde veracht en verworpen was, zal straks tot zijn volk komen, niet in vernedering als eertijds, maar in kracht en heerlijkheid. Dan zullen zij zich met verootmoediging en schuldbesef voor Hem buigen, zoals eens de broers van Jozef voor hem bogen. Maakt dat ons niet blij? Zouden wij ons niet verheugen in het vooruitzicht van die tijd der herstelling van alle dingen, omdat Hij dan verheerlijkt zal worden?

 

De plaats van de gemeente in die toekomst

De gemeente is verbonden aan haar Heer in de hemel. Zij is zijn bruid. Zij zal zijn heerlijkheid met Hem delen. Daartoe zal de Heer ons tot Zich nemen en ons met Zichzelf verenigen in heerlijkheid vůůr zijn verschijning aan IsraŽl, zoals de bruid van Jozef aan hem was verbonden nog voor zijn broers voor hem bogen.

In het oude testament is dat niet bekend gemaakt. Zo goed als de gemeente een verborgenheid was, is ook de opneming van die gemeente in heerlijkheid een verborgenheid geweest, zoals 1 Kor. 15 zegt. Ook 1 Thess. 4 : 13 duidt daarop, als er staat: "Wij willen u niet onkundig laten". De Heer zal komen in de lucht (niet op aarde), de gestorven gelovigen zullen opstaan en de gelovigen die dan nog leven, zullen veranderd worden en een verheerlijkt lichaam ontvangen. Dan worden beide groepen samen opgenomen, de Heer tegemoet in de lucht en zo zullen wij altijd met de Heer zijn. 1 Kor. 15 en 1 Thess. 4 zijn op dit punt glashelder. Maar wie wil vasthouden aan "zal komen om te oordelen de levenden en de doden", weet met deze schriftplaatsen geen raad en kan er zelfs toe komen om te zeggen, dat Paulus zich in Thessalonika heeft vergist. Wat een aanmatiging!

Als de gemeente is opgenomen in heerlijkheid, blijven allen, die niet bij de gemeente gevoegd waren, achter. Ook de onbekeerde IsraŽlieten, ook het naamchristendom (dat Hij uit zijn mond zal spuwen). Dan komt de tijd van verdrukking en benauwdheid voor Jakob. Dan zal God de druk gebruiken om hen te reinigen en tot inkeer te brengen. Dan zullen zij God ernstig gaan zoeken. Het zal hen gaan als indertijd de broers van Jozef in de hongertijd.

Dat is de grote verdrukking, waarover de Heer in Matth. 24 : 21 heeft gesproken, die samenvalt met het optreden van de antichrist.

In hun grote nood zullen sommigen tot God leren roepen. Zij vormen een gelovig overblijfsel temidden van de massa der Joden, die de antichrist volgen. Dat overblijfsel zal het evangelie van het koninkrijk prediken; terecht, want Christus zal dan komen om als koning te heersen.

Dan is vervuld, wat de discipelen hoopten, toen zij vroegen: "Zult Gij in deze tijd het koninkrijk over IsraŽl weer oprichten?"

Van deze dingen zien wij in onze dagen de voorbereiding. Er is een staat IsraŽl, omringd door vijanden. Zij zijn ten dele naar hun land teruggekeerd, maar nog niet tot God. Daartoe zal God groter nood dan zij tot nu toe kenden, gebruiken.

Voordien zal echter de gemeente worden opgenomen. Zo ooit, dan geldt nu: "Zie, ik kom spoedig". Laat ons dan ontwaken, zoals de wijze maagden, opdat wij nog veel slapende dwazen tijdig kunnen waarschuwen en het voor hen niet te laat zal zijn om olie te kopen.