Uit de lezerskring

 

J. Ph. Fijnvandraat

 

In "Bode" no. 5, mei '69, blz. 70 stuitte ik op uw onder punt 3 voorkomende opmerking waarin u zegt "grif" in te stemmen met een bewering "Uit de lezerskring", dat het er niet in de eerste plaats om gaat "wat" een mens doet, maar "hoe" hij het doet. Aan uw "grif" betuigde instemming voegt u dan volledigheidshalve nog het punt van het "waarom" toe.

Weliswaar blijkt voor de nauwlettende lezer uit uw verder betoog, dat u blijkbaar ook oog heeft voor het probleem van de gevolgen van 's mensen handelen. Maar dit laatste komt heel wat minder kernachtig naar voren dan uw grif gegeven instemming. Bij de wat minder nauwlettend te werk gaande lezer, zal m.i. de indruk blijven hangen, dat de opmerking uit de lezerskring beslist een groot element van waarheid bevat. Dit nu meen ik ten stelligste te moeten ontkennen.

De briefschrijver wekt met zijn opmerking in ieder geval de indruk, zich geen rekenschap te hebben gegeven van de jongste ontwikkelingen in het denken en gevoelen van vele geleerden, die zich met technisch-wetenschappelijke ontwikkelingsarbeid bezig houden. Bovendien vindt de onderhavige bewering geen enkele grond in de Heilige Schrift. In feite vindt dit denken zijn oorsprong in de optimistische 19e-eeuwse "verlichte" wetenschapsbeoefening. Vooral na de verschrikkingen die in de afgelopen wereldoorlog over de mensheid kwamen, is men in wetenschappelijke en technische kringen meer en meer geneigd zich te realiseren, dat men niet in een heilig isolement, in een reine, onaantastbare ivoren toren, maar in een corrupte mensenmaatschappij "wetenschap" bedrijft.

 

Sinds Einstein en Oppenheimer - om slechts twee te noemen - door de konsekwenties van het doordringen in de atoomgeheimen in ernstige gewetensnood kwamen … sinds bio-chemici huiveren voor de afschuwelijke en demonische mogelijkheden, die hun nieuwste ontdekkingen openen … Sinds de transplantatietechnieken de ethische problemen van hersentransplantaties aan de horizon doen opdoemen en het vraagstuk van de klinische dood aktueel maakten … sinds welhaast geen uitvinding kan worden gedaan, die niet tevens een vergroting van de militaire massa-moordpotentie betekent, is de door u onderschreven stelling volkomen door de feiten achterhaald,

 

Wanneer een physicus op 't spoor zou komen van een natuurkundig proces dat het mogelijk maakt uit gewone huis- tuin- en keuken-ingrediënten gecontroleerde kernenergie, maar daarmee tevens explosieve kernenergie vrij te maken, zodat zelfs iedere gangster zich een privé atoombom kon fabrieken … doet het er dan niet toe "wat" de man doet? De bedoeling goedkope energiebronnen te vinden, kan zeer wel tot een positieve waardering van het "hoe" en "waarom" voeren, maar of de man na zo'n ontdekking ook rustig slapen zal????

 

De genoemde stelling is in feite individualistisch en dus a-sociaal. Deze stelling houdt in het geheel geen rekening met de mogelijke gevolgen en resultaten van iemands werk in een zondige wereld! Zij past bij de mentaliteit die spreekt uit het "ben ik mijns broeders hoeder?" (Niet dat ik de betreffende briefschrijver van die mentaliteit wil verdenken, maar hij zal zich rekenschap moeten geven van de konsekwenties van zijn bewering).

De resultaten van het ruimtevaartonderzoek, zoals van alle andere wetenschappelijk onderzoek, vallen in handen van een aan de zonde verslaafde en door demonen overheerste mensenwereld.

 

Kan een christen dan geen wetenschapsbeoefenaar, geen techniekontwikkelaar, geen konstructeur of laborant zijn? Wie meent dat dit onmogelijk is, kan ook geen bakker, groenteboer of automonteur wezen! Maar dat er een groot gradueel en moreel verschil bestaat tussen het bakken van een tarwebrood en het "bakken" van een atoombom of het konstrueren van een ruimteplatform als atoombomdrager is duidelijk.

 

Als zelfs ongelovigen tot de erkenning komen, dat wetenschapsbeoefening niet langer, zoals in het verleden, kan worden geacht plaats te vinden op een niveau dat zich aan de toepassing van zedelijke, morele normen onttrekt - doet het naďef aan, te lezen dat het niet in de eerste plaats gaat om "wat" een mens doet, maar "hoe" en "waarom" hij het doet.

Laten we in deze stelling "doen" eens vervangen door "spreken". Niemand zal ontkennen dat Petrus gedreven werd door edele motieven toen hij Matth. 16:22 uitsprak! Hij was bereid zich voor zijn Heer op te offeren - het waarom zat wel goed!

Hij had een groot geloof in de wondermacht van Christus - ook het hoe was oké. Maar het waarheen had hij buiten beschouwing gelaten!

"Terwijl Jezus zijn discipelen aanzag bestrafte hij Petrus" (die kennelijk achter hem stond) (zie Mark. 8 : 33). De Heer lette op het "waarheen" van Petrus' woorden - wat zou er immers van zijn discipelen worden als hij niet zou sterven?

Laten we daarom als christenen niet enkel het individualistische "hoe" en "waarom", maar terdege ook het "waarheen", het "waartoe" van ons handelen en werken in het oog houden. Het lijkt me daarbij in het licht van de verstrekkende gevolgen die arbeid op technisch-wetenschappelijk gebied kan hebben, zelfs erg moeilijk op dit terrein in het algemeen te stellen, wat bij de beoordeling van iemands werk "In de eerste plaats" moet staan, het "hoe", het "waarom" of het .,waartoe", het "waarheen".