Roeping en toekomst van IsraŽl (2)

 

J. PH. BUDDINGH

 

In de volheid van de tijd is de beloofde verlosser gekomen. Jezus Christus, de rechtvaardige.

Hij was naar het vlees uit het zaad van David. Maar Hij was ook Gods Zoon, de vervulling van de profetie, dat de maagd zwanger zou worden. Zijn geboorte was niet het begin van zijn bestaan. Hij was van eeuwigheid, de Here die tot zijn tempel moest komen, zoals Maleachi had geprofeteerd. Hij was degene, tot wie God in psalm 102 als antwoord op de klacht: "Mijn God neem mij niet weg in het midden van mijn dagen" gezegd heeft: "Uwe jaren zijn van geslacht tot geslacht. Gij hebt voormaals de aarde gegrond" enzovoort.

Van Hem had Jesaja in hoofdstuk 53 geprofeteerd: "Hij is als een schaap ter slachtbank geleid en als een lam dat stom is tegenover zijn scheerders".

Hij is het lam van God, waarvan het paaslam een zwak beeld was. De genade, die het begin van IsraŽls geschiedenis kenmerkt, is gegrond op zijn offer. Dat offer is tegelijk de basis voor de genade waardoor er voor hen nog een toekomst is. Door Hem was IsraŽls begin, door Hem hebben zij een toekomst.

In Johannes 19 : 36 en 37 vat de apostel begin en toekomst van IsraŽl samen als hij over zijn kruisdood schrijft: "Deze dingen zijn gebeurd, opdat de Schrift vervuld zou worden: "Geen been van hem zal gebroken worden". En weer een ander schriftwoord zegt: "Zij zullen zien op hem die zij doorstoken hebben".

"Geen been van hem zal gebroken worden" wordt in Exodus 12 van het paaslam gezegd. Daar vinden wij Hem aan het begin van IsraŽls geschiedenis. De andere aanhaling is uit Zacharia 12 : 10, een profetie over het laatste der dagen als de Messias in heerlijkheid zal verschijnen.

 

Met deze laatste schriftplaats zijn wij bij IsraŽls toekomst gekomen. Voor wij daarover iets zeggen, eerst nog het heden. Dat is de tijd van een tijdelijke terzijdestelling van IsraŽl, althans als volk. De tijd ook waarin u en ik leven, waarin over onze eeuwige bestemming de beslissing valt.

 

Wonderlijk zijn Gods wegen. De Zoon van God is gekomen tot de zijnen (IsraŽl), maar zij hebben Hem niet aangenomen. Zij hebben Hem ter dood verwezen en wij, de heidenen, hebben het recht verkracht en Hem aan een kruis gehangen. En daar, hangend aan het kruis, heeft Hij zijn ziel tot een schuldoffer gesteld, de basis van het heil voor zowel Joden als heidenen. Zou dat in het hart van een mens kunnen opkomen? Dat zij als volk Hem verworpen hebben, zowel vůůr als na het kruis, heeft over hen een tijdelijk oordeel van God gebracht. Maar tegelijk is er nu redding door geloof in Jezus Christus voor iedere Jood. Gods raad ging echter nog verder. In Jesaja 49 heeft God gezegd: "Het is te gering, dat gij mij een knecht zoudt zijn om op te richten de stammen van Jakob en weder te brengen de bewaarden in IsraŽl; ik heb u ook gegeven tot een licht der heidenen en om mijn heil te zijn tot aan de einden der aarde".

Daarom kon en kan er sinds de dood en de opstanding van de Heer Jezus een blijde boodschap aan allen verkondigd worden, nl. dat God zijn eniggeboren Zoon heeft overgegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven hebbe. Dit grote feit, dat God zijn Zoon in de wereld gezonden heeft om zondaren te behouden, moet overal verkondigd worden, opdat ieder die het hoort, zich tot Hem zal bekeren en behouden worden.

 

De opvatting over IsraŽl in de christenheid

Er is in de gemeente al vroeg invloed van joodse zijde uitgeoefend, die ten doel had de christenen op joods en wettisch standpunt te brengen. In Handelingen 15:5 lezen wij van gelovigen uit de sekte van de farizeeŽn, die de christenen uit de heidenen er toe wilden brengen zich te laten besnijden en de wet van Mozes te onderhouden. Daarop is het zogenaamde apostelconvent gehouden, dat onder de leiding van de Heilige Geest besloot de christenen deze last niet op te leggen (zie Hand. 15 : 28). Daarmee was evenwel aan het streven van de joodse leraars geen eind gekomen. In verschillende van zijn brieven waarschuwt Paulus de gelovigen voor hen. In de brief aan de Galaten, die met het oog op dit euvel is geschreven, zegt de apostel van hen: "Als iemand u een evangelie verkondigt, behalve wat gij ontvangen hebt, die zij vervloekt". En in hoofdstuk 2 : 4 zegt hij, dat deze Joden de christenen tot slavernij wilden brengen.

Paulus was zich bewust van de gevaren die van joodse zijde de gemeente bedreigden. Hij zag goed. dat de vermenging van wet en genade onbestaanbaar is en tot duisternis en verlies van inzicht in Gods gedachten leidt.

 

Na de dood van de apostelen heeft het streven van deze Joden als een zuurdeeg zijn bedervend werk in de christenheid voortgezet, waarvan wij de gevolgen om ons heen kunnen zien. Aan de ene kant is daar Rome met onderscheid tussen priesters en leken, aan de andere kant de verwarring in het protestantisme omtrent de wet als leefregel van dankbaarheid. Wij behoeven hierover nu niet verder uit te weiden.

 

Voor ons onderwerp is het van belang er aan te denken, dat de christenheid min of meer in het spoor van IsraŽl werd getrokken, wat grond heeft gegeven aan de gedachte, dat de gemeente in de plaats van IsraŽl is gesteld. Daaruit heeft men de conclusie getrokken, dat IsraŽl als volk voor God had afgedaan en geen toekomst meer had. Ook in ons land is dat de gebruikelijke opvatting geworden, al zijn er natuurlijk uitzonderingen geweest.

De gemeente is weliswaar als draagster van Gods getuigenis in IsraŽls plaats gesteld, maar dat betekent niet, dat zij dezelfde plaats als IsraŽl voor God inneemt.

Een paar opmerkingen over Romeinen 11 : 16 in dit verband:

In dat gedeelte wordt van IsraŽl gezegd, dat zij, de natuurlijke takken, afgehouwen zijn en dat de heidenen als tegennatuurlijke takken zijn geŽnt. Wie oppervlakkig leest, zou kunnen denken, dat IsraŽl dus heeft afgedaan en dat de christenheid daarvoor in de plaats is gekomen. In dat hoofdstuk wordt echter niet gezegd, dat de wilde takken dezelfde positie innemen als de natuurlijke takken. Er wordt wel gesproken van dezelfde stam, maar overigens wordt het onderscheid tussen de wilde en de natuurlijke takken juist gehandhaafd. De stam is wel voor beiden gelijk, voor IsraŽl en de gemeente, namelijk Gods barmhartigheid (vers 22). Maar het beeld wordt juist gebruikt om ons, de gemeente, duidelijk te maken, dat er voor IsraŽl nog een toekomst is (zie vers 24 tot einde). Die toekomst vangt aan zodra de volheid der volken zal zijn ingegaan (vers 25). Romeinen 11 bevestigt dus, dat IsraŽl nog een toekomst heeft na het tijdperk van de gemeente uit Joden en heidenen. Het is daardoor lijnrecht in tegenspraak met de gedachte, dat de gemeente in de plaats van IsraŽl is gekomen.

In sommige theologische kringen is er door de gebeurtenissen en ontwikkelingen in IsraŽl ernstig geschud aan de eertijds zo zekere opvattingen. Men is zich gaan bezinnen over de plaats en de roeping van IsraŽl en de verhouding tussen kerk en IsraŽl. Enerzijds was dat een verheugend verschijnsel. Anderzijds opende die bezinning de weg voor allerlei beschouwingen en theorieŽn, die in een andere dan de oorspronkelijke richting wijzen, maar ten dele evenmin aan de beloften omtrent IsraŽls toekomst recht doen. Bezinning is van geringe waarde, zolang het uitgangspunt daarbij niet onderwerping aan Gods Woord is. (Gelukkig zijn er ook uitzonderingen en misschien zelfs vele).

 

De oorzaak van het huidige zoeken in een verkeerde richting is voor een belangrijk deel de genoemde oorspronkelijke gedachte, dat IsraŽl heeft afgedaan. Die gedachte was principieel onjuist en kon niet anders dan onjuiste gevolgen hebben. Die gevolgen zijn merkbaar in de verklaring en toepassing van de vele schriftgedeelten die op de toekomst van IsraŽl en de openbaring van de Heer Jezus Christus betrekking hebben. Zij werden verklaard tegen de achtergrond, dat IsraŽl had afgedaan. Die verkeerde verklaringen werken nog steeds door.

Zij hebben het licht, dat genoemde schriftplaatsen op het onderwerp IsraŽl zouden kunnen geven, grotendeels verduisterd. (Over de funeste invloed van de bijbelkritiek willen wij liever zwijgen. Wie zich daardoor laat leiden, schijnt de duisternis liever te hebben dan het licht).

De weg om licht te ontvangen is verootmoediging. Echte verootmoediging kan niet gepaard gaan met een koste wat het kost handhaven van eigen gedachten. Zij stelt het hart open voor het spreken van God en de hulp van zijn Geest. Waar Woord en Geest samenwerken, komt het licht.