Het lijden van de Heer Jezus

 

H.MEDEMA

 

De vraag "Heeft de Heer Jezus ook na zijn sterven en vóór zijn opstanding nog geleden?" werd beantwoord in het aprilnummer. De plaatsruimte liet echter niet toe alles, wat we hierover aan de vraagsteller schreven, te publiceren.

Aan het slot van dit antwoord hadden we een uiteenzetting gegeven van de verschillende soorten van lijden van de Heer Jezus als mens. Nu daarvoor in dit nummer ruimte beschikbaar is, menen we goed te doen dit slot alsnog te plaatsen.

 

Er is helaas veel verkeerd inzicht, veel misverstand als gevolg van het niet onderscheiden van de verschillende soorten van lijden van de Heer. Hoewel dit in uw vraag niet genoemd wordt, zijn er ook gelovigen die menen dat de Heer gedurende zijn hele leven als mens op aarde onze zonden gedragen heeft. In zeker opzicht komt deze leer overeen met wat de door u genoemde broeders beweren, al zullen zij dit waarschijnlijk niet onderschrijven.

Voor een goed begrijpen van het lijden van Christus zullen we het onderscheid moeten zien tussen:

a. wat het voor Hem, die het aan God gelijk te zijn geen roof geacht heeft, betekende de hemel te verlaten, Zichzelf te ontledigen, de gestalte van een slaaf aan te nemen en de mensen gelijk te worden, in een gedaante gelijk aan het vlees van de zonde (zie Fil. 2 : 7; Rom. 8 : 3); als zodanig lag Hij als kind in de kribbe, leefde Hij als timmerman in het verachte Nazareth, had Hij als mens geen plaats waar Hij zijn hoofd kon neerleggen, was Hij onderworpen aan al de moeiten van het menselijk bestaan, leed Hij honger en dorst, kende lichamelijke vermoeidheid, was Hij blootgesteld aan de gevolgen van de vloek die op de schepping rustte;

b. wat het voor Hem, als de rechtvaardige en heilige mens Christus Jezus was om te leven onder een zondige, weerspannige en goddeloze mensheid. Als Lot zijn ziel reeds kwelde door het zien van de ongerechtige daden van de inwoners van Sodom, dan moet dit voor de Heer in veel en veel sterkere mate zo zijn geweest. Hij zuchtte in zijn geest om het ongeloof, dat Hij bij de leiders van het volk aantrof (Mark. 8 : 12). Hij was bedroefd over het ongeloof dat zelfs zijn discipelen kenmerkte (Matth. 17 : 17). Hij was bewogen in de geest en ontroerd in Zichzelf, omdat Hij de macht van de dood zag en de onmogelijkheid van de mens om zichzelf te verlossen (Joh. 11 : 33-35);

c. wat het voor Hem betekende de smarten van de mensen te dragen en hun ziekten op Zich te nemen (Jes. 53 : 4, vergel. Matth. 8 :17; Mark. 5 : 30). Er was geen smart, geen lijden, geen droefheid, die Hij niet op zijn hart droeg;

d. het lijden dat het gevolg was van het onrecht, de bespotting, het schelden, de vijandschap en verachting, die Hij van de mensen ondervond (zie Jes. 53 : 7; 1 Petr. 2 : 23). Daartoe behoorde ook de onrechtvaardige behandeling van zijn rechtszaak voor het Sanhedrin, voor Pilatus en Herodes, de ruwe behandeling van de Romeinse soldaten, de kruisiging en wat Hem werd toegevoegd vóór de drie uren van duisternis. Dit alles wordt vaak samengevat in de uitdrukking: het lijden terwille van de gerechtigheid;

e. ook onder de verzoekingen van Satan in de woestijn (Matth. 4 en Lukas 4) heeft de Heer geleden en niet het minst toen deze terugkwam en Hem in Gethsémané al de verschrikkingen van het kruislijden en de Godverlatenheid voorstelde. Daar was wat Hij leed zo zwaar, dat zijn zweet werd als grote bloeddroppels. Welke gevoelens er toen in zijn hart waren, wordt ons profetisch onder meer meegedeeld in Ps. 102 : 3-12;

f. zijn lijden op het kruis in de drie uren van duisternis, toen Hij van God verlaten werd, om onze overtredingen werd doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld, de straf die ons de vrede aanbrengt op Hem was en Hij Zichzelf tot schuldoffer stelde (zie Ps. 22 : 2, 3; Jes. 53 : 4, 5, 10).

 

Het is slechts een summiere opsomming van wat de Heiland doorstaan heeft, maar het opent een zee van gedachten als we ons er in verdiepen. Het resultaat daarvan zal zijn, dat we nu reeds komen tot lofprijzing en aanbidding:

 

Hallelujah, onze zangen
zijn voor eeuwig Hem gewijd,
die het godsrijk zal ontvangen,
als het loon op al zijn strijd;
die aan 't kruis Zich liet verhogen,
en ons liefhad tot de dood,
met een liefde, ondenkbaar groot,
met een God'lijk mededogen;
Hem, die ons onrein gemoed
heeft gewassen in zijn bloed.