Vraag en antwoord

 

H.MEDEMA

 

Koninkrijk Gods - Koninkrijk der hemelen

H. K. te A. vraagt: Kunt u op zťťr eenvoudige wijze het verschil aantonen tussen het koninkrijk Gods en het koninkrijk der hemelen? Of zijn beide gelijk?

 

Antwoord:

De uitdrukking "koninkrijk der hemelen" komt alleen voor in het evangelie naar MattheŁs. In de andere evangeliŽn staat "koninkrijk Gods" waar in MattheŁs "koninkrijk der hemelen" voorkomt. Dit bewijst al dat er in die bijbelteksten dezelfde zaak mee wordt aangeduid, nl.: de openbaring van Gods regerende macht, onafhankelijk van iets of iemand. Toch is er ook verschil tussen beide uitdrukkingen. Om een voorbeeld te noemen: elke koe is een herkauwer, maar niet elke herkauwer is een koe.

Zo kunnen we overal voor "koninkrijk der hemelen" lezen: "koninkrijk Gods", maar niet andersom, omdat de uitdrukking "koninkrijk Gods" meer omvat.

Het "koninkrijk Gods" was er al toen het "koninkrijk der hemelen" nog toekomstig was (vergelijk Matth. 12 : 28 met Matth. 10 : 7).

Het door de Heer Jezus, zijn discipelen en Johannes de doper aangekondigde "koninkrijk der hemelen" is er nog steeds niet in de door God bedoelde vorm, omdat de Koning (Jezus Christus) werd verworpen. Als zodanig zal het er pas zijn als de Heer zijn koningschap op aarde zal aanvaarden.

Het "koninkrijk Gods" was in de persoon van Christus zichtbaar en tastbaar op aarde (Matth. 12:28; Luk. 17:21). Nu is het er ook nog, maar in een heel andere vorm nl. van geestelijke aard (zie Rom. 14 : 17; 1 Kor. 4 :20). In de vorm waarin het nu bestaat, zal het kwaad steeds meer toenemen (Luk. 13 : 21), tot er ten slotte alleen het naam-christendom overblijft.

 


Zuurdeeg

Dezelfde vraagt: Zuurdeeg spreekt van zonden (Matth. 16 : 6, 11, 12; Luk. 12 : l; 1 Kor. 5 :6; Gal. 5 :9). Maar kunt u het met mij eens zijn, dat wat de Heer zegt in Luk. 13 : 21 over het zuurdeeg, niet op zonden wijst?

 

Antwoord:

In oud- en nieuw testament is "zuurdeeg" altijd en overal een symbool van kwaad, van het verkeerde, van zonde. Elke IsraŽliet kende die betekenis. Daarom was het voor de discipelen volkomen begrijpelijk wat de Heer bedoelde toen Hij sprak over "het zuurdeeg van de farizeeŽn" (Luk. 12 : 1). Bij "zuurdeeg" kon een IsraŽliet onmogelijk aan iets met een gunstige betekenis denken. Als de Heer er dus in zijn gelijkenis van het zuurdeeg, dat een vrouw nam en verborg in drie maten meel (zie Matth. 13:33; Luk. 13:21), een andere betekenis aan wilde toekennen, dan zou Hij op zijn minst hebben moeten verklaren wat Hij er, in afwijking van de normale zin van het woord, wel mee bedoelde.

De andere uitleg van bovengenoemde verzen, waarbij men het zuurdeeg noemt: "het evangelie dat de hele wereld zal kerstenen", vloeit voort uit het misverstaan van de gelijkenissen van het koninkrijk.

Deze gelijkenis wijst op de toestand waarin het koninkrijk Gods = de belijdende christenheid, ten slotte zal geraken. Het kwaad zal daarin steeds meer de overhand krijgen en wanneer de ware gelovigen zijn opgenomen, zal er slechts geheel doorzuurd meel overblijven. Het is het grote Babylon dat door God geoordeeld zal worden (Openb. 18).

 

Voor een uitvoerige bespreking van de gelijkenissen van het koninkrijk der hemelen in Matth. 13 zie: "Zie uw koning komt" I, beschouwing over het evangelie naar MattheŁs door A. C. Gaebelein.