De ruimtevaart

 

UIT DE LEZERSKRING

 

Naar aanleiding van een artikeltje in de "Bode" van februari 1969, genaamd "De torenbouw van Babel en de maanreis", zouden wij graag enige opmerkingen maken. Wij menen namelijk dat de wijze waarop in dit artikel bijbelteksten en krantencitaten in n verband zijn samengebracht, tot de konklusie doet leiden dat de maanreis - en daarmee de ruimtevaart - een verschijnsel is in de wereld, waaraan God niet zijn goedkeuring kan hechten en het daarom zal veroordelen.

Deze konklusie vinden wij te generaliserend t.o.v. de mensen die bij de ruimtevaart zijn betrokken en te eenzijdig t.o.v. het verschijnsel zelf.

 

Het verschijnsel ruimtevaart is er een van onze tijd. We zullen er in de bijbel dus geen direkte uitspraken over vinden. Willen we echter weten hoe God er over denkt en wij als gelovigen er tegenover moeten staan, dan moeten we bedenken dat het gaat om:

a. het kennen van de gedachten van God uit de hle bijbel;
b. het letten op de tekenen van de tijd.

Het is altijd gevaarlijk om teksten, die duidelijk op iets bepaalds betrekking hebben, zonder meer ook op iets anders te laten slaan. Daarom zijn we geschrokken van de tekstaanhalingen uit Psalm 2 en Psalm 79, die zonder meer op de ruimtevaart-mens worden toegepast. Natuurlijk kunnen we kerngedachten ontlenen en die, vergelijkenderwijs, toepassen. Doen we dit niet, en laten we teksten direkt op aktuele gebeurtenissen slaan, dan lopen we het gevaar later bedrogen uit te komen. Dan veroordelen we ook alle nieuwe uitvindingen en ontwikkelingen op grond van de bijbel.

 

De ruimtevaart is een nieuwe fase in de technologische ontwikkeling van de mens. Ze komt voort uit een ontwikkeling, die al enkele eeuwen op gang is en die de mensen tot steeds grotere prestaties in staat stelt. Het is een ontwikkeling die de mensheid al vele nuttige, voor ons allen bruikbare resultaten heeft opgeleverd. Het nut van al deze dingen staat onomstotelijk vast en heeft ook in het zendingswerk bewezen van onschatbaar belang te zijn. We zouden ze niet eens meer kunnen missen. De ruimtevaart luidt een nieuwe fase in in deze doorgaande ontwikkeling. Wie dus de ruimtevaart aan de hand van teksten als verkeerd bestempelt, doet dit in feite met heel de ontwikkeling, waaruit ze voortkomt, en, als die ontwikkeling niet deugt, deugen ook eerder bereikte resultaten daaruit niet. Zo iemand moet, wil hij konsekwent zijn, ook zijn auto maar laten staan en niet meer in een vliegtuig stappen, enz. Maar, is de ruimtevaart dan goed te praten? Want, de ontwikkelingen zijn toch beangstigend! We kennen allen - en velen van ons uit eigen ervaring - k de vloek van de techniek. De toepassing van veel verkregen resultaten in het oorlogsbedrijf zijn ons allen voldoende bekend.

 

In Gen. 11 vinden we een tot op zekere hoogte vergelijkbare situatie aan die van onze tijd. De mens is er bezig en is versteld van wat hij kan presteren. Dat is in onze tijd zeker ook het geval. Het is de mens in Gen. 11 er om te doen zichzelf een naam te maken. Zijn handelen is daarmee gericht tegen God. En dat kan God niet dulden. Hij brengt de bekende spraakverwarring, waardoor het verder bouwen aan de toren van Babel eenvoudig onmogelijk wordt. Op deze wijze wordt de ongehoorzame mens gedwongen Gods bevel om de hele aarde te bevolken op te volgen. Het is opmerkelijk dat God niet het bouwen verbiedt. Dat was op zichzelf ook niet verkeerd. Het is de toestand van het menselijk hart chter dit bouwen, die God veroordeelt. Dat is waar het om gaat: niet in de eerste plaats wt de mens doet, maar ho hij het doet.

Maar er is ook een verschil.
In Gen. 11 deelt God ons mee dat de mensheid zich als geheel van Hem heeft afgekeerd, ongehoorzaam is geworden en dat Hij haar daarom veroordeelt.

 

Wat de ruimtevaart betreft, mogen wij niet zeggen dat alle erbij betrokkenen zich tegen God hebben gekeerd en ongehoorzaam zijn.

God Zelf zegt ons niets over de ruimtevaart. Wij kunnen uit de Schrift alleen weten dat Hij de harten beoordeelt en, als daarin kwaad gevonden wordt, Hij dat veroordeelt.

Het is daarom onjuist om het oordeel van God dat over de torenbouwers kwam, ook op de bedrijvers van de ruimtevaart te laten slaan. God kent de harten, wij niet. Het verschijnsel ruimtevaart is daarom o.i . niet op grond van de bijbel te veroordelen.

Doen we dit wel, dan blijven we staan op een punt ergens in de geschiedenis, terwijl het wel eens zou kunnen zijn, dat alles wat aan kennis en aan kunde is en wordt gepresteerd in onze wereld, straks, maar dan van de zonde ontdaan, nog eens wordt gebruikt tot Zijn eer.

 

(Zie ons kort kommentaar onder "Correspondentie").