Vraag en antwoord

 

H.MEDEMA

 

Heeft de Heer Jezus ook na zijn sterven en vóór zijn opstanding nog geleden?

 

D.W. te H. schrijft: Enkele broeders, ernstige christenen, zeggen dat het de glorie van onze Heer nog meer verhoogt, als we aannemen, dat Hij, toen Hij in het graf lag, nog steeds heeft geleden. Zij menen dat Hij moest worden wat wij waren en dat niet alleen, maar daar de zondaar de eeuwige dood had verdiend, is de Heer Jezus voor ons de eeuwige dood ingegaan. Hij smaakte ten volle het van God verlaten zijn. Als tekstmateriaal verwijzen zij naar o.a. Jona 2 : 3-8; Ps. 18 : 4-7, 17; 88 : 3-19. Zij verwijzen vooral naar de uitdrukking in de Statenvertaling "de onderste kuil". Verder naar Jes. 53 : 10: "Wanneer Hij zijn ziel ter schuldoffer gesteld zal hebben".

Kunt u mij licht verschaffen over bovengenoemde teksten?

 

Antwoord:

Uit de door u genoemde opmerkingen van "ernstige christenen" over het lijden van de Heer dat nog voortduurde toen Hij in het graf lag, zien we waartoe menselijke filosofieën, hoe goed bedoeld ook, kunnen leiden. Wanneer dergelijke theorieën gebaseerd worden op iets wat de Schrift niet zegt, komen we tot redeneringen die afbreuk doen aan de waarde en betekenis van Christus' lijden aan het kruis tijdens de drie uren van duisternis. Er staat nergens in de bijbel dat de Heer de eeuwige dood is ingegaan. Door zijn sterven heeft Hij wel het loon van de zonde ontvangen. Maar de Heer heeft onze zonden in zijn lichaam gedragen op het hout (het kruis). Na zijn sterven werd zijn lichaam in het graf gelegd, zijn ziel bevond zich in het paradijs (Luk. 23 : 43) en we hebben geen enkele grond om aan te nemen dat dit voor Hem een plaats van lijden was. Integendeel, zijn geest beval Hij aan zijn Vader (Luk. 23 :46) en dat sluit elke gedachte aan voortdurend lijden uit.

 

Alleen in zijn lijden tijdens de drie uren van duisternis was Christus de zondendrager, alleen toen werd Hij door God tot zonde gemaakt, alleen toen droeg Hij onze zonden in zijn lichaam (zie 2 Kor. 5:21; 1 Petr. 2:24 enz.). Wat daaraan voorafging, kon geen zonden wegnemen, daardoor kon niemand met God verzoend worden.

In de drie duistere uren heeft de Heer dan ook alles gedaan wat nodig was ten behoeve van hen die in Hem geloven, om de eer van God te herstellen, om Satan de kop te vermorzelen, om te voldoen aan de heilige eisen van de Goddelijke gerechtigheid, om vrede te maken om alle dingen tot God te verzoenen.

In de uitoefening van dat oordeel over Christus had de mens geen aandeel. Satan evenmin. Dat oordeel kwam alleen van Godswege over Hem. En toen dit oordeel voorbij was, het licht op Golgotha terugkeerde, toen kon de Heer naar waarheid zeggen: "Het is volbracht". Nadat Hij Zichzelf onberispelijk aan God had geofferd, kon en behoefde er niets meer bijgevoegd worden. God was volkomen verheerlijkt en bevredigd door wat Christus geleden en gedaan had in die drie uren (zie bv. Hebr. 10 : 10-12). Zijn lijden was toen voorbij.

 

Wanneer de door u genoemde broeders als bewijsplaatsen voor hun opvattingen zich beroepen op Jona 2; Ps. 18 en 88 maken zij enkele denkfouten. In Psalm 18 heeft David de gevoelens weergegeven die hij had toen hij in doodsangst verkeerde als gevolg van de vervolging door Saul en de dank vertolkt voor de door God bewerkte bevrijding.

In Psalm 88 beluisteren we de klacht van de Korachieten, waarin zij uitdrukking geven aan hun gevoelens die veel lichamelijk lijden meebracht en waarin zij menen te zien de toornende hand van God over hen. Wat zij zeggen is beeldspraak om de verschrikkingen van hun lijden aan te duiden. Dat geldt ook voor de inhoud van de verzen 5-7.

In beide psalmen gaat het om nog levende mensen. Wil men de daarin voorkomende gedachten toepassen op het lijden van Christus, dan past daarvoor in de eerste plaats wat Hij doormaakte in Gethsémané (zie Hebr. 5 :7, 8). Wat Jona uitdrukte in zijn gebed, was eveneens de weergave van de zielsbenauwdheid die hij ondervond bij zijn leven, zij het dan in het ingewand van de vis.

Ook dit lijden kan worden toegepast op wat Christus doorgemaakt heeft en de verhoring van zijn gebed tot God (vergel. Ps. 22 : 25; Hebr. 5 : 7). Als zodanig was Jona een type van Christus, in diens dood en opstanding (Matth. 12:42).

In Jes. 53 : 10 staat dat Christus Zichzelf tot een schuldoffer gesteld heeft. Dat schuldoffer was Hij in de drie uren van duisternis op het kruis, niet daarna.

We willen besluiten met te wijzen op Hebr. 2 : 14, waar staat dat Christus door zijn dood, dat wil zeggen: toen Hij voor ons al de verschrikkingen daarvan smaakte onder het oordeel van God op het kruis, teniet gedaan heeft hem die de macht van de dood had, dat is de duivel.