Afscheidswoorden (3)

 

H. WILTS

 

SamuŽl

De derde afscheidsrede die we gaan beluisteren is die van Samuel, in het twaalfde hoofdstuk van het naar hem genoemde boek.

Door zijn moeder van de Here afgebeden, werd hij door haar als kleine jongen tot Eli gebracht om onder diens toezicht in de dienst van de Heer te zijn (hfdst. 2 : 11). In enkele verzen (hfdst. 2 : 18, 26; 3 : 10, 19, 20) wordt ons zijn ontwikkelingsgang geschetst. Hij kreeg de dubbele funktie van richter en profeet en is het volk tot grote zegen geweest. Door de aanstelling van een koning kwam aan zijn richterschap een einde, als profeet heeft hij zijn werk nog kunnen voortzetten. Zijn afscheidsrede heeft dan ook betrekking op zijn taak als richter. Ook uit deze rede willen wij graag enkele punten belichten.

 

De keuze van een koning

Dit is het eerste punt waarover hij spreekt. De gang van zaken vinden we in hoofdstuk 8. Oud geworden had hij zijn twee zonen tot richters aangesteld. Die waren voor die taak echter ongeschikt. Ongetwijfeld heeft SamuŽl hier een fout gemaakt. Het is al vaak gebleken, dat een objectief oordeel erg bemoeilijkt wordt wanneer banden van bloedverwantschap of intieme vriendschap een rol spelen. Toch blijkt dit voor het volk slechts een aanleiding te zijn om met hun verzoek voor de dag te komen. Het werkelijke motief was om dan te zijn als alle andere volken (vs. 5, 20). En daarmee verwierpen zij niet alleen SamuŽl, maar God Zelf.

Dit was een zeer ernstige zaak. God had Zelf dit volk geroepen en geleid, hen door zijn woord van alle andere volken afgezonderd. En dit eigen, afgezonderde, karakter had het volk moeten bewaren. Dan hadden ze aan het door God gestelde doel kunnen beantwoorden.

Met de gemeente van God is het net eender gegaan. Afgezonderd tot een bijzonder eigendomsvolk, nam de gemeente aanvankelijk een afgezonderde plaats in ten opzichte van Joden en heidenen. Doordat de wereld in de gemeente werd opgenomen, is men er toe gekomen ook een bestuursvorm te kiezen die met deze beginselen in overeenstemming is. Christus is daardoor als hoofd van de gemeente praktisch terzijde gesteld. Als we zien hoe heden ten dage vele besluiten op concilies en synodes enz. tot stand komen, zien we welk een geringe plaats gegeven wordt aan de Heilige Geest en het Woord van God.

Zijn als andere volken, zich conformeren aan de wereld, geen isolement of afzondering, dat is de leuze geworden van onze tijd. Op deze wijze kan de gemeente evenmin als destijds het volk IsraŽl aan het door God gestelde doel beantwoorden. En wat geldt voor de gemeente als geheel, geldt ook voor iedere gelovige individueel. Een herstel in de oorspronkelijke toestand is niet mogelijk, wordt in de Schrift ook niet geleerd. Dan treedt persoonlijke trouw op de voorgrond. En dan is wereldgelijkvormigheid nog altijd het grote gevaar.

Er wordt dan gestreefd naar wat het vlees bevredigt, het oog verlangt en de menselijke hoogmoed streelt (1 Joh. 2 : 16). Als deze beginselen in ons hart en leven en in onze huizen de plaats gaan innemen van het beginsel: "Ik en mijn huis wij zullen de Heer dienen", zijn we verloren voor het getuigenis, waartoe de Heer ons geroepen heeft.

 

De gezindheid van SamuŽl

Het is erg begrijpelijk dat een integer man als hij, die zijn dienst zo volkomen onbaatzuchtig had uitgeoefend, zich persoonlijk gekrenkt moest voelen, toen het volk met dit verzoek tot hem kwam. Hij had de bemoediging van de Heer nodig die tot hem kwam in de woorden: "Zij hebben niet u, maar Mij verworpen". Daarmee kwam hij weer op zijn juiste plaats te staan: een instrument in de hand van de Heer.

Hij kon alles aan Hem overgeven en bleef daardoor in de door God gewilde gezindheid tegenover het volk, dat hem zo onheus behandelde. Dit blijkt duidelijk uit wat volgt. Hij zal voor het volk blijven bidden en zo voor hen het goede zoeken. Welk een belangrijke les voor allen, die zich in de dienst van de Heer geroepen weten. Het ontbreekt hen naast bemoediging en waardering gewoonlijk ook niet aan miskenning en kritiek. De grote dienstknecht Paulus kon daarvan meepraten. Maar dit mag nimmer leiden tot bitterheid en wrok en een teleurgesteld opgeven van de dienst. Helaas komt dit vaak voor, tot schade van het werk en oneer van de Heer.

En als die dienstknechten dan fouten maken? Als dan de kritiek gerechtvaardigd is? Ik geloof dat de woorden van SamuŽl: "Zie, mijn zonen zijn bij u" een erkenning en herstel van een gemaakte fout betekenen. Met instemming wil ik hier citeren wat de bekende Schriftverklaarder Dr. Rossier schreef: "Met deze woorden brengt hij hen, die hij eens ten onrechte aangesteld had, op hun ware plaats terug. Zijn vroegere handelwijze, die zo natuurlijk schijnt, maar die hem een zekere kastijding van de zijde van zijn God had berokkend, veroordeelt hij naar het mij toeschijnt door de woorden: "bij ulieden". Zijn zonen waren valse richters, en als SamuŽls zonen waren ze hem opgevolgd, terwijl hij, de ware richter, voor het volk gewandeld had. En nu waren ze bij het volk, terwijl het de koning was, die thans voor het volk uittoog."

Laat toch geen dienstknecht van de Heer ooit schromen gemaakte fouten ootmoedig te erkennen en te herstellen.

 

Bemoediging

Ook SamuŽl brengt de lessen van het verleden in herinnering. Hij wijst op de afwijking en zonden in het verleden, op hun berouw en de uitreddingen van God. Het is noodzakelijk voor de toekomst van het volk, dat ze tot inzicht en overtuiging komen van hun zonde in het begeren van een koning. Vandaar zijn gebed om onweer en regen in de tijd van de tarweoogst. Later zien we de profeet Elia bidden om droogte, opdat die inkeer bij het volk bereikt wordt. De belijdenis komt: "Aan al onze zonden hebben wij nog kwaad toegevoegd door voor ons een koning te vragen." Dan kan het woord van bemoediging tot hen komen. Drie belangrijke dingen worden voor hun aandacht gebracht. Allereerst de uitverkiezende genade van God, die ter wille van zijn grote naam zijn volk niet zal verstoten. Ten tweede het feit, dat SamuŽl niet zal ophouden voor hen te bidden. Ten derde, dat hij hun de goede en rechte weg zal leren. Hierin zien we SamuŽl als type van Christus, die niet ophoudt voor de zijnen tussenbeide te treden. Ook heeft de Heer ons zijn Woord gegeven, waardoor Hij ons onderwijst en ons de goede en rechte weg leert. Er is in alles voorzien van Gods zijde. In dit laatste gedeelte wisselen woorden van bemoediging en waarschuwing elkaar af, zoals we dit zo menigmaal in de Schrift vinden. Die waarschuwingen zijn van dezelfde aard als we reeds in de toespraken van Mozes en Jozua hebben beluisterd.

 

SamuŽls gebed

Op ťťn zin in SamuŽls toespraak wil ik ten slotte nog de bijzondere aandacht vestigen: "Het zij verre van mij dat ik tegen de Here zou zondigen door op te houden voor u te bidden." Het gebed, de voorbede, maakte een wezenlijk aandeel uit van zijn dienst aan het volk. We vinden dit ook bij Mozes en Paulus en verschillende andere dienstknechten in het nieuwe testament.

SamuŽl noemt ophouden met bidden: zondigen tegen God.

We kunnen niet enkel zondigen door het doen van verkeerde dingen. We kunnen evenzeer zondigen door het nalaten van goede dingen, waartoe we in staat zijn gesteld. Jakobus zegt: "Wie dan weet goed te doen en het niet doet, voor die is het zonde." De man met het ene talent in MattheŁs 25 wordt een boze en luie en onnutte slaaf genoemd, niet omdat hij verkeerd gedaan heeft, maar verzuimd heeft het talent te besteden in dienst van zijn meester, hoewel hij hiervoor niet eens de opdracht had gekregen. Het kennen van de meester had voor hem voldoende aanwijzing moeten zijn!