Echtscheiding (2)

 

H.MEDEMA

 

Motief voor de wegzending in Deuter. 24

In het eerste artikel over dit onderwerp, dat geplaatst werd in het februari nummer, hebben we ons hoofdzakelijk bezig gehouden met wat hierover gezegd wordt in Deuteronomium 24 : 1-4.

Het is misschien nuttig er nogmaals op te wijzen dat het wegzenden van de vrouw met een scheidbrief gebeurde, omdat de man "iets onbehoorlijks" (schandelijks) aan haar had gevonden. Er wordt echter nergens gezegd, waaruit dit "onbehoorlijks" bestond.

Dezelfde uitdrukking komt, voorzover ik heb kunnen vinden, als enige keer ook nog voor in Deut. 23 : 14. Letterlijk betekent "iets onbehoorlijks": "de naaktheid van een ding". Het oorspronkelijke Hebreeuwse woord is dan ook diverse keren vertaald met "naaktheid" (zie bv. Gen. 9 : 22, 23; 1 Sam. 20 : 30; Klaagl. 1 : 8; Ezech. 16 : 8).

In Deut. 23 : 14 wordt gezegd, dat God slechts in de legerplaats van IsraŽl kon verkeren, als Hij daar niets onbehoorlijks zag.

Hoewel dit "iets onbehoorlijks" niet kon slaan op gepleegd overspel of hoererij, omdat de wet in die gevallen eiste, dat de vrouw gestenigd moest worden (zie Lev. 20; Deut. 22 : 13-20), heeft het toch een ongunstige betekenis.

De beperking, dat een man zijn vrouw wegzond omdat hij "iets onbehoorlijks" aan haar gevonden had, sluit mijns inziens de mogelijkheid uit, dat dit wegzenden met een scheidbrief kon gebeuren "om iedere reden". Deze uitleg werd er pas later in de geschiedenis aan gegeven.

In de evangeliŽn

a. MattheŁs 5 : 31, 32:

Toen de Heer Jezus temidden van zijn volk verkeerde, was de echtscheiding tot een twistpunt geworden tussen twee groepen onder de Joden, die ook de farizeeŽn in twee stromingen verdeelde. Sommige farizeeŽn deelden de mening van rabbijn Hillel, die verdedigde dat een man zijn vrouw om elke willekeurige reden mocht wegzenden. Rabbijn ShammaÔ daarentegen leerde, op grond van zijn uitleg van Deut. 24 : 1, dat alleen hoererij of overspel een reden tot echtscheiding was. Zijn volgelingen vormden de orthodoxe richting onder de farizeeŽn.

In dit licht moeten we ook zien de verzoeking van de Heer door de farizeeŽn, zoals we die lezen in Matth. 19 : 3 en Mark. 10 : 2 e.v.

Daaraan vooraf gaat een uitspraak van de Heer in de zogenaamde bergrede:

"Er is ook gezegd: Een ieder die zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidbrief geven. Maar ik zeg u, dat een ieder die zijn vrouw verstoot, behalve uit oorzaak van hoererij, die maakt dat zij overspel pleegt; en wie een verstotene trouwt, pleegt overspel". (MattheŁs 5 : 31, 32)

Met de woorden: "Maar ik zeg u" e.v. wilde de Heer duidelijk maken, dat de onder IsraŽl gangbare opvatting en handelwijze, wat betreft het verstoten van een vrouw om elke reden, beslist onjuist waren, in strijd met de bedoelingen van God. Zelfs de op grond van Deut. 24 : 1 aangevoerde reden voor echtscheiding, werd door de Heer niet erkend. De gevolgen van het verstoten van de vrouw waren, dat de man die dit deed, maakte dat zijn vrouw overspel pleegde, en dat de man die haar daarna trouwde in dezelfde zonde viel. Er ontstonden zodoende drie schuldige partijen: de man die zijn vrouw verstootte, de vrouw die hertrouwde en de man die een verstoten vrouw huwde.

De enige toelaatbare reden om een vrouw te verstoten was, naar de woorden van de Heer: uit oorzaak van hoererij.

 

Omdat door velen bij de uitlegging van Matth. 5 : 31, 32 en 19 : 9 geen onderscheid gemaakt wordt tussen hoererij en overspel, is het misschien nuttig er enkele woorden aan te wijden.

 

In diverse Schriftplaatsen, zoals bv. Matth. 15 : 19; Mark. 7 : 21; 1 Kor. 6 : 10; Hebr. 13 : 4 worden "hoererij" en "overspel" naast elkaar genoemd als verschillende zonden.

Van IsraŽl wordt gezegd, dat het als "vrouw van de Here" in hoererij geleefd heeft door niet haar man te dienen, maar de vele goden van de volken na te lopen, zoals een hoer dat doet met meerdere mannen (zie bv. Jerem. 3; Ezech. 16:23; Hosea 4). De aard van IsraŽls nalopen van diverse afgoden wordt aangeduid als hoererij (vert. N.B.G.: ontucht), omdat het accent daarbij ligt op het schaamteloze en schandelijke van haar gedrag, waardoor zij haar eer had prijs gegeven. Wat IsraŽl deed in godsdienstig opzicht, zouden we kunnen noemen "geestelijke hoererij". Wat in het natuurlijke leven gebeurt, de "lichamelijke hoererij", heeft in het algemeen dezelfde kenmerken.

 

Wanneer iemand die hoererij bedrijft, getrouwd is, pleegt hij/zij bovendien overspel. Dit laatste kan alleen gedaan worden door een gehuwde man of vrouw, als hij/zij huwelijksgemeenschap heeft met een andere vrouw of man. Diverse vertalingen hebben in plaats van overspel "echtbreuk". Onder de wet moest ieder die hoererij bedreef of overspel had gepleegd, door steniging gedood worden.

 

Hoewel dus beide zonden aanrakingspunten hebben en beide behoren tot zedelijk kwaad, is het toch stellig niet zonder betekenis, dat de Heer in Matth. 5 : 32 en 19 : 9 speciaal hoererij noemde als de enige toelaatbare reden voor het verstoten van de vrouw. In dit vers sprak de Heer ook van overspel of echtbreuk, die het gevolg was van het hertrouwen van een man die zijn vrouw verstootte om een andere reden dan hoererij. De Heer maakte dus onderscheid tussen het een en het ander.

In diverse verklaringen van Matth. 5:32 en 19 : 9 wordt in plaats van hoererij "overspel" als reden voor het verstoten genoemd. Als men daarmee wil zeggen, dat hoererij en overspel hetzelfde zijn, beweert men dat de Heer Jezus twee woorden nodig had om hetzelfde te zeggen, zoals wij mensen synoniemen gebruiken om aan onze taal kleur te geven.

b. MattheŁs 19 : 3-9

Kennelijk hebben de farizeeŽn de Heer Jezus met het oog op zijn uitspraken in de bergrede willen verzoeken. Zij meenden waarschijnlijk dat zij Hem, op grond van de uitspraken in de wet, konden brengen tot een meningsuiting strijdig met die van Mozes. Maar, zoals in al zulke gevallen, nam de Heer het middel te baat om tot hun geweten te spreken. De vraag van de farizeeŽn: "Is het een man geoorloofd zijn vrouw te verstoten om iedere reden?" (Matth. 19:3) beantwoordde de Heer met:

"Hebt gij niet gelezen, dat Hij die ze gemaakt heeft, ze van het begin af gemaakt heeft als man en vrouw en gezegd heeft: "Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot ťťn vlees zijn, zodat ze niet meer twee zijn: maar ťťn vlees? Wat dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet".

Hij wees hen er daardoor op, dat de Goddelijke beginselen ten aanzien van het huwelijk niet veranderd waren, ook niet door de harde harten en verkeerde praktijken, die onder IsraŽl werden aangetroffen. Zijn beroep op of verwijzing naar Gen. 2:24 vormt de kern van dit antwoord. De farizeeŽn namen daarmee geen genoegen en kwamen met een nieuwe vraag: "Waarom heeft Mozes dan geboden een scheidbrief te geven en haar te verstoten?" (vs. 7).

Dan toont de Heer hen aan, dat zij het helemaal mis hebben met hun opvatting, dat Mozes geboden had een scheidbrief te geven en daarmee een vrouw weg te zenden. Nee, zegt de Heer, de zaak ligt heel anders. Als gevolg van de hardheid van uw harten heeft Mozes u toegelaten uw vrouw te verstoten, maar van het begin af is het niet zo geweest. Wat onder IsraŽl een zeker burgerrecht had verkregen, tot gewoonte was geworden, streed met de Goddelijke instelling van het huwelijk. Ook de polygamie (= het hebben van meer dan ťťn vrouw), zoals dat gevonden werd onder IsraŽl, zelfs bij mannen als David en Salomo, getuigde van een zedelijk verval, in strijd met de gedachten van God. Toch werd dit toegelaten. We lezen tenminste niet van geboden of verboden in dit opzicht, noch aan het adres van David, noch aan dat van Salomo, om maar bij die twee mannen te blijven. Het hebben van meer dan ťťn vrouw werd in die gevallen zelfs niet als overspel of hoererij betiteld. Maar niemand zal daaruit concluderen dat polygamie de goedkeuring van God heeft.

 

Na de terechtwijzing van de farizeeŽn ten aanzien van hun verkeerde opvatting en toepassing van de woorden van Mozes, volgt de uitspraak: "En ik zeg u, dat een ieder die zijn vrouw verstoot, niet om hoererij, en een ander trouwt, overspel pleegt; en wie een verstotene trouwt, pleegt overspel".

Buiten de directe vraag van de farizeeŽn om, legt de Heer de klemtoon op het feit, dat verstoting van een vrouw, gevolgd door een nieuw huwelijk, overspel is, als er geen sprake is van hoererij van de vrouw. Gezien de heersende praktijken van lichtvaardige verstoting, betekende dit een ernstige veroordeling. Dat was het eerste doel van de Heer in zijn gesprek met de farizeeŽn.

Opmerkelijk is ook, dat de Heer Jezus in vers 8 tot de farizeeŽn zei: "om de hardheid van uw harten heeft Mozes u toegelaten uw vrouwen te verstoten". Deze toelating was dus niet alleen voor de mensen die in de tijd van Mozes leefden. Dan zou er gestaan hebben: "hun harten". De farizeeŽn en het merendeel van de joden hadden dezelfde verharde harten als de IsraŽlieten tot wie Mozes sprak. Zij waren eveneens onwedergeboren mensen, op wie dezelfde regels van toepassing waren. Er was wat dat betreft geen onderscheid. De farizeeŽn wilden niet anders dan zich stellen op de grondslag van de wet en hun eigen voorschriften. Op die basis werd dan ook het gesprek gevoerd.

Hoewel de Heer dus in die geest tot hen sprak, beperkte Hij toch het recht van verstoting of echtscheiding tot: uit oorzaak van hoererij. Wat Mozes had toegelaten, nl. het geven van een scheidbrief ingeval een man iets onbehoorlijks bij zijn vrouw had gevonden, trok Hij in. Het verstoten om iedere reden werd door de Heer zonder meer afgewezen.

 

In Markus 10 : 11, 12 en Luk. 16 : 18 ontbreken de woorden "niet om hoererij". We willen daarmee natuurlijk niet beweren, dat deze weglating de betreffende woorden in Matth. 19 ongeldig maken. Anderzijds is de weglating ook niet zonder betekenis.

Volgens Mark. 10 : 10 sprak de Heer daar de in Matth. 19 genoemde woorden, met uitzondering van "niet om hoererij" tot zijn discipelen, dat wil zeggen: tot wedergeboren mensen, met uitzondering van Judas.

In het evangelie naar Lukas wordt ons de Heiland voorgesteld als Zoon des mensen, die temidden van de mensen de macht van God in genade openbaart. In het begin van dit evangelie treffen we Hem nog aan in relatie met IsraŽl, maar vrij spoedig ontvouwt Hij beginselen die van toepassing zijn op alle mensen zonder onderscheid, dus niet voor de Joden onder de wet.

Als de apostel Paulus in 1 Kor. 7 : 10 zegt: "Aan de getrouwden beveel ik, niet ik, maar de Heer", dan laat hij daarop volgen de uitspraken van de Heer Jezus, ontleend aan wat we lezen in Markus en Lukas. Bij de bespreking van 1 Kor. 7 gaan we daarop nog nader in.

Het evangelie van MattheŁs sluit het nauwst aan bij het oude testament en heeft een voornamelijk Joods karakter.

Bij de beoordeling van de genoemde verzen kunnen we niet voorbijgaan aan dit verschil tussen de evangeliŽn.

 

Als we de inhoud van het gesprek tussen de Heer Jezus en de farizeeŽn ontleden, dan valt het uiteen in twee delen:

a. in de verzen 3-6 de vraag over echtscheiding "om iedere reden". Deze wordt door de Heer ontkennend beantwoord met een beroep op de Goddelijke instelling van het huwelijk bij de schepping, gebaseerd op Gen. 2 :24. Als algemene regel geldt: Wat God heeft samengevoegd, scheide de mens niet;

b. in de verzen 7-9 de weerlegging van de verkeerde interpretatie door de farizeeŽn van de uitspraak van Mozes in Deut. 24 : 1-4. Daaraan verbindt de Heer de vermaning, dat het verstoten van een vrouw, behalve in geval van hoererij, tot overspel leidt.

 

Voor we in een volgend artikel bespreken wat in de brieven van Paulus over ons onderwerp gezegd wordt, geven we een korte samenvatting van het tot dusver besprokene:

 

1. onder invloed van gebruiken bij andere volken, was het in IsraŽl gewoonte geworden, dat een man zijn vrouw met een scheidbrief wegzond als hij "iets onbehoorlijks" aan haar gevonden had (zie Deut. 24 : l);

2. de verstoten vrouw werd dan niet belemmerd in het aangaan van een nieuw huwelijk, maar haar eerste man mocht haar niet opnieuw tot vrouw nemen als zij door haar tweede man was weggezonden, of als deze gestorven was, omdat de vrouw door het tweede huwelijk verontreinigd was (Deut. 24 :2-4);

3. door Mozes werd het verstoten en de scheidbrief toegelaten om de hardheid van de harten der IsraŽlieten, waarop de farizeeŽn geen uitzondering maakten, zoals de Heer hun heeft gezegd (Matth. 19 : 8);

4. in zijn gesprek met de farizeeŽn heeft de Heer hen er uitdrukkelijk op gewezen, dat deze gangbare gebruiken in strijd waren met de Goddelijke instelling van het huwelijk, waarbij van het begin af de regel gold: Wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet (Matth. 19:4-6);

5. het onderricht van de Heer in Matth. 19 : 9 is: wie zijn vrouw verstoot om een andere reden dan hoererij, pleegt overspel. De conclusies die we daaraan kunnen ontlenen zijn:

  1. hoererij van de vrouw erkende de Heer als enige reden voor de man om haar te verstoten;

  2. het huwelijk van een niet om hoererij verstoten vrouw met een ander, is voor beide partners overspel;

  3. over de mogelijkheid van hertrouwen van de man na verstoting van zijn vrouw om hoererij, spreekt de Heer niet.