De bediening van het Woord

(2)

H. MEDEMA

AAN WELKE VOORWAARDEN MOET DE ,,PREDIKING" VOLDOEN?

Na wat we al over de ,,bevoegdheid" van sprekers hebben geschreven en over de leiding van de Heilige Geest, zou men kunnen denken dat alles wat nodig is wel gezegd is. Als we ons willen beperken tot het principiŰle, inderdaad. Dan kun je immers moeilijk praten over ,,voorwaarden" waaraan de prediking moet voldoen. Dan is alles het werk van de Heilige Geest en is het ,,menselijk" element volledig uitgeschakeld. Nu moeten we oppassen voor het scheppen van een absolute tegenstelling tussen dit ,,menselijk element" en de leiding van de Heilige Geest.

Het is niet de Geest Zelf die spreekt. Hij doet dat door mensen. Zo was het zelfs bij het te boek stellen van Gods Woord: ,,heilige mensen Gods hebben, door de Heilige Geest gedreven, gesproken" (2 Petr. 1: 21).

Wel werd hun eigen wil daarbij uitgeschakeld, maar het Woord kwam tot ons in hun menselijke taal, naar de aard en de aanleg van deze door God gebruikte mannen. Er is in de bijbel verschil in taal, stijl en woordgebruik, mede afhankelijk van opvoeding en vorming van de diverse ,,schrijvers". Elke bijbelkenner weet, dat er onderscheid is tussen de schrijfwijze van de apostelen Paulus, Petrus en Johannes, tussen de manier van zeggen van profeten uit het oude testament, zoals b.v. Jesaja en Amos.

En als dit reeds zo was bij het schrijven van het ge´nspireerde Woord van God, hoeveel te meer dan bij het spreken over dit Woord.

Nogmaals willen we daarom wijzen op de verscheidenheid van gaven, de verscheidenheid van bedieningen, waarover de bijbel spreekt, zonder dat dit strijdig is met de leiding van de Geest en van de Heer. Integendeel, God heeft die verscheidenheid Zelf gewild en bewerkt. Vandaar ook de verschillende gaven, waarbij aan de een gegeven is het woord van wijsheid, aan een ander het woord van kennis, en aan een ander profetie enz.

Weer een andere onderscheiding is die tussen herders, leraars, evangelisten enz.

Wel is er een algemeen beginsel, dat voor alle broeders geldt, wat ook hun gaven mogen zijn, n.l.: ,,Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God; als iemand dient, laat het zijn als uit kracht die God verleent, opdat in alles God verheerlijkt wordt" (1 Petrus 4 : 11).

Wat wil dit zeggen?

Niet alleen dat wat een broeder zegt in overeenstemming moet zijn met de gedachten van God. Het gaat veel verder. De woorden die hij spreekt, moeten toegepast worden op de omstandigheden van de hoorders, zoals die op dat ogenblik zijn. In de meeste gevallen zal een broeder de behoeften van zijn hoorders niet eens kennen. Maar God kent ze wel. En daarom is een ware dienst alleen mogelijk uit de kracht die God verleent, als uit zijn tegenwoordigheid gesproken.

Een broeder die de gave van leraar heeft, zal er aan moeten denken, dat het onderwijs zo moet zijn, dat de hoorders er werkelijk door onderwezen worden. Niet zo hoog gegrepen, dat hij misschien alleen tot zichzelf spreekt. De profeten van het oude testament hebben bij wat zij van Godswege aan het volk te zeggen hadden, ook altijd een beroep gedaan op het hart en geweten van hun hoorders.

De apostel Paulus heeft bij zijn onderricht aan de diverse gemeenten in zijn brieven rekening gehouden met het geestelijk niveau van de geadresseerden. Zij konden begrijpen wat hij hun wilde zeggen, mits zij geestelijk waren.

Daarbij moet bedacht worden, dat er ook onder de hoorders een grote verscheidenheid is. Er zijn onder hen jonge mensen, pasbekeerden, meer in de Schrift onderlegden, eenvoudigen van Geest, broeders, zusters. Praktisch met verschillende behoeften.

We vinden in de Schrift zelf duidelijke aanwijzingen, dat de Geest van God oog had voor dit verschil in de geestelijke noden. In de brief aan de EfeziŰrs b.v., waarin de hoogste positie van de gelovigen uiteengezet wordt, is ook ruime aandacht besteed aan heel praktische vermaningen. Niemand wordt vergeten: kinderen, ouders, jongeren, ouderen, meesters, dienstknechten, mannen, vrouwen. Voor ieder van hen een speciaal woord. Verder wordt in deze brief geschreven over onze wandel, onze onderlinge verhouding, verkeerde taal uit onze mond, onreinheid, diefstal enz. enz.

We hebben hierin belangrijke richtlijnen voor de dienst van het Woord. Het is niet goed als alleen gesproken wordt over liefde en genade van God en van de Heer Jezus, hoe belangrijk ook op zichzelf.

Aan TimotheŘs schreef Paulus allerlei dingen, die deze nodig had om te weten hoe hij zich in het huis van God gedragen moest.

Maar hij gaf ook tal van aanwijzingen, die voor TimotheŘs als jonge gelovige nodig waren, waar het ging om zijn verkeren onder mensen en in de wereld waarin hij leefde.

We kunnen de wijsheid van God bewonderen, die ons zoveel veelzijdige lessen in zijn Woord gegeven heeft.

De broeders die dienen hebben de verantwoordelijkheid, naar de hun door God gegeven gaven, die veelzijdigheid te belichten in hun toespraken. Het doel moet zijn: het opbouwen van de gelovigen, door stichting, lering, vermaning, vertroosting enz., om hun harten dichter tot God en de Heer Jezus te brengen.

Als in 1 Kor. 14 : 29 gezegd wordt: ,,Dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen", bedoelt de apostel dat twee of drie profeten het maximum moest zijn. In de gemeente van Korinthe kon men moeilijk maat houden, men verdrong elkaar als het ware om ook aan het woord te komen. Vandaar deze beperking, die dus ook niet betekent dat het verkeerd is als slechts ÚÚn broeder het Woord bedient in een samenkomst.

Het tweede deel van deze tekst: ,,en dat de anderen oordelen", geeft ons geen volmacht om maar raak te kritiseren. Het geeft ons niet het recht om te oordelen over de vorm, lengte en stijl van de toespraak. Zelfs niet of de broeder wel door de Geest geleid wordt. Zulk oordelen wordt in verschillende bijbelteksten juist scherp veroordeeld (zie Matth. 7 : 2; Rom. 14 : 10; 1 Kor. 4 : 5).

Het ,,oordelen" in 1 Kor. 14 : 29 heeft de zin van ,,onderscheiden" - ,,toetsen" en dan, of wat er gezegd wordt, in overeenstemming is met de Schrift. We bedoelen natuurlijk niet, dat de ene broeder de ander geen aanwijzingen mag geven over de aard van zijn dienst, om zo elkaar behulpzaam te zijn. Als alle dingen maar tot opbouwing gebeuren.

Een oude broeder, nu bij de Heer, die zelf nooit aan de bediening van het Woord deelnam, zei eens: ,,de dienst van het Woord is in ons midden een gemakkelijke taak". Misschien leeft deze gedachte bij meerdere broeders en zusters.

Wellicht, dat hopen we tenminste, heeft dit artikel hen daarop een andere visie gegeven en zijn velen van de ernst, verantwoordelijkheid en belang van deze dienst meer overtuigd geworden.

Laten we dan meer bidden voor de ,,dienende broeders", meer voor de ,,zwijgende broeders", opdat ze komen tot een door de Heer en zijn Geest gewerkte dienst.

Voorgaande

Vervolg