De bediening van het Woord

(1)

H. MEDEMA

Dit artikel wil zich niet alleen richten tot ,,de broeders die dienen", maar ook tot de zwijgende broeders, tot hen die, naar zij zeggen, geen gaven hebben. Zelfs tot de zusters, want het is een onderwerp dat ons allen raakt. Er is naast de persoonlijke, ook een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid wat betreft de ,,dienst des Woords".

Met ,,de bediening van het Woord" duiden we de samenkomsten aan, waarin we samenkomen om te luisteren naar wat God ons door zijn Woord te zeggen heeft. We belijden dan samen te zijn in de naam van de Heer Jezus en onder leiding van de Heilige Geest.

Dat betekent volledige afhankelijkheid van de Heer en van de werking van de Geest.

Een belangrijk beginsel en een grondslag die we niet kunnen missen. De vraag wordt vaak gesteld: Is de praktijk daarmee in overeenstemming? Of wordt er tegen dit principe meer dan eens gezondigd als één of meer broeders zich naar de mening van sommigen niets aantrekken van de gedachten die in lied en gebed voor de aandacht zijn gekomen? Is de broeder die dient daarvoor wel geschikt?

Delicate vragen.

Toch wel de moeite waard aan deze tere zaak aandacht te schenken. We willen dat doen aan de hand van enkele vragen:

  1. Wie zijn bevoegd met het Woord te dienen?
  2. Wat wordt bedoeld met de leiding van de Heilige Geest?
  3. Aan welke voorwaarden moet de ,,prediking" voldoen?

WIE ZIJN BEVOEGD MET HET WOORD TE DIENEN?

Omdat we spreken over het samenkomen als gemeente, is het haast overbodig te zeggen, dat zusters niet het recht hebben te spreken (zie 1 Kor. 14 :34; 1 Tim. 2 :11, 12).

We huldigen wel het bijbelse beginsel, dat alle gelovigen priesters zijn (1 Petrus 2 : 5, 9; Openb. 1: 6), maar dat betekent niet dat hun priesterlijke dienst tot uiting moet komen door het Woord te bedienen. Wat dat betreft zijn er uitzonderingen. Het zojuist aangehaalde voorbeeld van de zusters is wel heel duidelijk.

Ook al zijn alle broeders in principe wel bevoegd, toch gelden er ook voor hen beperkingen. Een broeder die nog jong is in het geloof en in jaren, met weinig kennis en inzicht in Gods gedachten, zal op grond daarvan niet in staat zijn om de gelovigen te dienen.

Er is een belangrijk beginsel in de woorden van Ezra, dat ook in onze dagen nog volledig van kracht is: ,,Ezra had er zijn hart op gezet om de wet des Heren te onderzoeken en haar te volbrengen, en om in Israël inzetting en verordening te onderwijzen" (Ezra 7 : 10).

Drie dingen worden hier van hem gezegd, die gelden voor elke broeder die met het Woord dient, waarbij de gezindheid van het hart voorop staat:

  1. het Woord van God onderzoeken;
  2. naar de zó vergaarde kennis trachten te leven, het Woord in praktijk brengen;
  3. anderen onderwijzen.

Het is onmogelijk deze volgorde om te keren, of met het Woord te dienen, zonder dit onderzocht en beleefd te hebben. Dat is dus de tweede beperking. Wel schrijft Paulus aan de Korinthiërs: ,,gij kunt allen, één voor één profeteren, opdat allen leren en allen getroost worden", maar daarmee wordt de deur niet voor elke broeder opengezet om te spreken.

In het vervolg van de tekst ligt de beperking al opgesloten: alle toehoorders moeten er door geleerd en getroost worden. Wie zou dat kunnen, als hij zelf niet eerst geleerd heeft en vertroost geworden is (zie 2 Kor. 1 : 4).

Laten we bovendien niet vergeten, dat de Heer sommigen heeft gegeven als apostelen, profeten, herders, leraars. En dat wordt juist gezegd met het oog op het volmaken van de heiligen, het werk van de bediening en de opbouwing van het lichaam van Christus (zie Efeze 4 :11, 12).

Het opsommen van al deze beperkingen klinkt wel erg negatief en kan bij velen de vraag oproepen. of het dan maar niet beter is de bediening van het Woord toe te vertrouwen of over te laten aan één of enkele broeders die nog wel aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Als we op de praktijk letten, heeft deze opvatting al diep wortel geschoten.

In onze samenkomsten zijn veel broeders vaak erg blij, dat een paar broeders (soms één broeder) zondag op zondag het Woord bedienen of bedient. Velen gaan er heerlijk voor zitten om kritisch te luisteren, zonder besef van hun medeverantwoordelijkheid.

Ze vergeten dan, dat er in de Schrift aansporingen staan om te ijveren naar: de geestelijke gaven (1 Kor. 14 : 1) en te ijveren om te profeteren (1 Kor. 14 : 39).

Dat betekent natuurlijk niet: er zo vlug mogelijk bij zijn om in de samenkomst te spreken. Het wil wel zeggen, dat er op elke broeder, of hij meent gaven te hebben of niet, de verantwoordelijkheid rust om met ijver het Woord van God te onderzoeken. In de eerste plaats om voedsel te vergaren voor zijn eigen ziel. Ook om inzicht te krijgen in de gedachten van God. Om dan de praktisch beleefde kennis en ontvangen zegen te kunnen doorgeven aan anderen.

Deze aansporingen worden m.i. sterk verwaarloosd. Met als gevolg de situatie die we nu hebben, dat slechts enkelen in staat zijn werkelijk met het Woord te dienen.

Het is niet recht de Heer de schuld te geven van ,,weinig gaven". Hij wil veel meer geven. als er bij velen maar niet de innerlijke tegenstand was zich door Hem te willen laten gebruiken. Zij hebben hun pond in een zweetdoek weggelegd (Luk. 19 : 20) en zijn zodoende niet nuttig in de dienst voor de Heer en ten behoeve van hun medegelovigen.

Een gevolg daarvan is, dat er een te zware last wordt gelegd op één of meer broeders.

Ook kan het voorkomen, dat daardoor broeders ,,aan het woord komen", die er minder geschikt voor zijn, maar zich op grond van hun verantwoordelijkheidsgevoel gedrongen achten tot spreken. De zwijgende broeders, die traag zijn om zelf te leren, werken er zodoende aan mee, dat de dienst des Woords niet de zegen uitwerkt die de Heer zo graag aan allen wil geven. Nog een belangrijk punt is, dat oudere broeders, gewend en bekwaam om met het Woord te dienen, rekening houden met elkaar èn met de mogelijkheid dat de Heer misschien een ander, minder bekwaam en jonger van jaren, wil gebruiken om een boodschap door te geven. Een al te haastige spoed kan de vrijmoedigheid van jongeren belemmeren. Als we later spreken over de leiding van de Heilige Geest, hopen we hierop nader in te gaan.

WAT WORDT BEDOELD MET DE LEIDING VAN DE HEILIGE GEEST?

Er bestaat veelal de grote misvatting, dat alleen de ,,dienende broeders" verantwoordelijk zijn om zich te stellen onder de leiding van de Heilige Geest. Voor de overigen is, denkt men dan, dat niet nodig. Wil de Heilige Geest werkelijk kunnen werken, ook in en door de broeder die Hij in de betreffende samenkomst wil gebruiken om het Woord te brengen, dan moeten alle aanwezige gelovigen zich van Hem afhankelijk weten en zich open stellen voor en onderwerpen aan zijn leiding. De vermaning ,,blust de Geest niet uit" (1 Thess. 5 : 19) geldt voor allen. Dat uitblussen van de Geest kan veroorzaakt worden door een verkeerde geesteshouding vóór en tijdens de samenkomst om het Woord. Direct na de vermaning ,,blust de Geest niet uit" volgt: ,,Veracht de profetieën niet", d.w.z. minachting van het Woord. Door een zondige levenspraktijk wordt bovendien de Heilige Geest bedroefd (Efeze 4 : 30) en wordt zijn werkzaamheid verhinderd.

Hoe groot is dan de verantwoordelijkheid van elke gelovige, die aanwezig is in zo'n samenkomst. Om nog maar niet te spreken van de thuisblijvers, die uit lauwheid een samenkomst verzuimen en de Heilige Geest daardoor de gelegenheid ontnemen in en door hen een bijdrage te leveren tot een zegenrijke dienst van het Woord.

De gedachte, dat alleen de broeders die kunnen spreken zich onder de leiding van de Geest van God hebben te stellen, is bovendien een loochening van het bijbelse beginsel, dat God alles in allen werkt (1 Kor. 12 : 4-6).

Nauw met het voorgaande verbonden is de vraag: wanneer begint de Heilige Geest in de samengekomen gelovigen te werken? Natuurlijk wil Hij dat doen van het aanvangstijdstip af. Dat betekent dus, dat ook de liederen die worden opgegeven, het gebed dat wordt uitgesproken, door Hem gewerkt moeten zijn. Niet minder dan in de samenkomst tot de broodbreking is er volkomen afhankelijkheid van zijn leiding nodig, als een broeder een lied opgeeft, of een gebed uitspreekt. Eigenlijk zou het zo moeten zijn, dat de inhoud van het lied overeenstemt met de gedachten die de Heilige Geest werkt in de harten van alle aanwezige gelovigen.

Als dat het geval is, zal het voor een dienende broeder ook spoedig duidelijk zijn met welk onderwerp de Geest de gelovigen in die samenkomst wil bezighouden. Maar ook al is dit voor die broeder zelf duidelijk, dan nog zal hij moeten wachten of de Heer misschien aan een ander, die daar zit, iets gegeven heeft. Er is verscheidenheid van gaven, er is verscheidenheid van bedieningen en er is verscheidenheid van werkingen (1 Kor. 12 : 4-6). Als iemand werkelijk een ,,profeet" is, zal zijn geest aan hem onderwerpen zijn. Dan zal hij ook de ander uitnemender achten dan zichzelf en zich bescheiden gedragen. Voorbarigheid is niet uit de Geest. We verdedigen hiermee niet een lange tijd van stilte. Dat kan ook ongeestelijk zijn.

De juiste houding zal alleen geopenbaard worden als allen zich bewust zijn van hun grote verantwoordelijkheid, van de tegenwoordigheid van de Heer en afhankelijkheid van Hem, van de leiding van de Heilige Geest.

Een vaak gestelde vraag is, of het gesproken woord altijd in overeenstemming moet zijn met de inhoud van de liederen die vooraf gezongen zijn. Velen menen van wel en proberen dan ook, soms gewrongen, het verband tussen het een en het ander in hun toespraak duidelijk te maken. We moeten nooit vergeten, dat om praktische redenen onze samenkomst tot de broodbreking en die rondom het Woord veelal wel door een tussenruimte van enkele uren onderbroken zijn, maar dat ze toch één geheel vormen. Er zal dus ook bij de voortzetting gelet moeten worden op de gedachten waarmee de Heilige Geest ons tijdens ,,de eredienst" heeft bezig gehouden. Het kan zijn, dat Hij die gedachten nader wil doen uitwerken in de bediening van het Woord.

Overigens is het onmogelijk hiervoor bindende voorschriften te geven. Als de Geest maar werkzaam is, en het vlees geen gelegenheid krijgt zich te laten gelden, zal er Goddelijke orde zijn.

Dat geldt ook als het gaat om de aansluiting tussen lied en Woord. Elke broeder die geestelijk is, zal acht geven op de liederen die gezongen zijn. Hij zal zich afvragen wat de bedoeling van de Heilige Geest is door deze liederen voor de aandacht te brengen. En als het een zowel als het ander werkelijk door de Geest geleid is, zal er eenheid zijn in lied, gebed en prediking. Het kan zijn dat een broeder die een lied opgaf zich niet door de Geest heeft laten leiden. Dan zal de Heilige Geest de gedachten van dat lied ook niet laten doorwerken in de overige dienst. Zo kan het gebeuren dat een broeder over een heel ander onderwerp spreekt, dan waartoe het lied aanleiding gaf.

Het zou eenzijdig zijn, als we niet erkenden, dat ook een broeder die het Woord bedient zich kan onttrekken aan de leiding van de Heilige Geest, door ten onrechte geen acht te slaan op de inhoud van een lied dat gezongen werd. Hij heeft dan misschien een heel ander onderwerp in zijn hart, waarmee hij zo vervuld is, dat hij niet meer openstaat voor de leiding van Gods Geest. Ik denk dat elke broeder die geregeld het Woord bedient wel zal moeten erkennen, dat hij wat dit betreft niet blanco is.

We kunnen onmogelijk alle facetten van dit deel van ons onderwerp bespreken. Het aantal variaties is groot.

Omdat het accent in het voorgaande misschien teveel op het negatieve gelegd is, willen we het positieve element kort samenvatten: Met de leiding van de Heilige Geest wordt bedoeld, dat alle broeders èn zusters zich onder zijn controle stellen en dat ieder acht geeft op wat Hij wil werken. Dan zal er geen wanklank zijn in de samenkomsten. Maar als we ons er van bewust zijn dat dit voor het geheel te hoog gegrepen is, zal er toch zoveel mogelijk individueel deze onderwerping aanwezig moeten zijn.

Het zou goed en nodig zijn als meer het besef baanbrak hoe groot de verantwoordelijkheid is van alle broeders en zusters in de dienst van het Woord. De kritiek zou er door verminderen of verdwijnen en de afhankelijkheid van de Heer en van elkaar zou groeien.

Vervolg