De tijden der volken (II)

 

J. KLEIN HANEVELD

 

In het aprilnummer komt het eerste artikel over dit onderwerp voor. Kort samengevat was de inhoud daarvan als volgt:

De "tijden der volken" zijn begonnen met Nebukadnezar (Lukas 21 : 24) en aan hem wordt de wereldgeschiedenis getoond in het beeld met

a. het gouden hoofd (het Babylonische rijk)

b. de borst en armen van zilver (het Medisch-Perzische rijk)

c. de buik en lendenen van koper (het Grieks-Macedonische rijk)

d. de benen van ijzer en de voeten van ijzer en leem (het Romeinse rijk).

De geschiedenis van de eerstgenoemde drie rijken, die allang verleden tijd is, hebben we in dat artikel beknopt besproken. We willen ons nu bezig houden met de geschiedenis en de toekomst van

 

4. HET ROMEINSE RIJK

Het vierde rijk wordt in DaniŽl 2 door de benen van ijzer en de voeten van ijzer en leem voorgesteld. In DaniŽl 7 heeft het vierde dier geen naam, maar het wordt genoemd "vreselijk, schrikwekkend en geweldig sterk". Uit de ruimte die de beschrijving van dit dier in Dan. 2 en 7 inneemt, kunnen we opmaken dat het een grote rol zal spelen. Aan dit rijk worden meer verzen gewijd dan aan ťťn van de drie vorige. De geschiedenis leert ons, dat Rome oorspronkelijk een onbelangrijk klein stadje geweest is in midden-ItaliŽ. Na een reeks van oorlogen tegen nabuurstaatjes is het omstreeks 300 v. C. in het bezit gekomen van het hele schiereiland ItaliŽ. Dan begint de strijd om de hegemonie tegen Carthago om het westelijk bekken van de Middellandse zee. Ook deze strijd wordt door Rome met succes gevoerd, zodat het omstreeks 200 v. C. een macht van betekenis is geworden.

Dan wendt het zich naar het oosten. Achtereenvolgens worden MacedoniŽ, SyriŽ, Griekenland en Egypte onderworpen. Ten slotte zijn alle landen om de Middellandse zee veroverd. In Dan. 7 :23 lezen wij: "Het zal de gehele aarde verslinden en haar vertreden en vermorzelen". Groter en machtiger dan alle vorige rijken! "Het vierde koninkrijk zal hard zijn als ijzer, juist zoals ijzer alles verbrijzelt en vermorzelt; en gelijk ijzer dat vergruizelt, zal dit die allen verbrijzelen en vergruizelen" (2 : 40). Die hardheid hebben ook de joden ondervonden. Harder dan ťťn van zijn voorgangers is Rome tegen de joden opgetreden. Onder de Babylonische en de Perzische heerschappij was het nog mogelijk gebleken dat joden aanzienlijke plaatsen innamen aan het hof. We denken daarbij aan DaniŽl en aan MordechaÔ. Onder het Romeinse bewind was dit niet denkbaar. We vinden daar al duidelijk het "anti-semietisme", dat gebleven is, de eeuwen door, tot in onze dagen toe en waaraan niet eerder een eind zal komen, voordat het vijfde koninkrijk, het vrederijk van Christus wordt opgericht.

En nu komen we bij het wonderlijke feit, dat het Romeinse rijk opgehouden heeft te bestaan. In 476 n. C. viel het Westromeinse rijk en in 1453 het Oostromeinse rijk. Eeuwen lang had het de wereld beheerst, langer dan ťťn der voorgaande rijken. Maar het is weggevaagd. Niemand spreekt er meer over.

Toch lezen we in Dan. 2 dat de steen, die zonder toedoen van mensenhanden losraakt, het beeld treft aan de voeten van ijzer en leem. Ook uit Dan. 7 is het duidelijk dat het Romeinse rijk zijn bestaan zal voortzetten tot aan de komst van de Mensenzoon. Nu zijn er die beweren dat ook deze profetie al vervuld is. Zij menen dat het koninkrijk van Christus er al is, omdat het evangelie gepredikt wordt over de hele wereld. Zij menen dat het vrederijk al is aangebroken, het rijk waarin Christus in gerechtigheid heersen zal en Satan gebonden is.

Daartegen valt het volgende op te merken. De steen treft het beeld en verbrijzelt het. Dat wijst niet op een geleidelijke omverwerping, maar op een plotselinge vernietiging. De steen rolt niet langzaam over het beeld heen, maar de steen treft het beeld en verbrijzelt het! Bovendien is het niet zo, dat we de steen al maar groter zien worden, tot een berg die de hele aarde vervult. We zien juist in onze dagen dat het christendom terrein verliest! Ten slotte is er van een gebonden zijn van Satan niet veel te merken geweest. Meer dan ooit is hij de overste van de wereld en zijn invloed is stellig niet verminderd in de laatste tijd.

Ook lezen we, dat de steen zonder toedoen van mensenhanden aan het rollen komt. Dat kan alleen maar betekenen, dat het koninkrijk van Christus komt door Goddelijk ingrijpen, plotseling door de komst van Jezus Christus en niet door menselijke medewerking of beÔnvloeding. Er is nog een belangrijke reden waarom het vijfde rijk er nog niet zijn kan: de tenen van het beeld zijn nog niet te zien geweest. Babel is er geweest, het gouden hoofd; ook Medo-PerziŽ, de schouders, en Griekenland, de buik en de lendenen; en het Oost- en Westromeinse rijk, de twee benen - maar het is onmogelijk uit de geschiedenis te bewijzen, dat de tenen er ooit geweest zijn. Het beeld zal niet eerder worden vergruizeld, voordat de tien tenen er zijn! Immers aan de voeten wordt het beeld getroffen. Uit vs. 44 kunnen we opmaken dat die tien tenen koningen voorstellen, immers er staat: "in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan". Het Romeinse rijk zal zich dus opnieuw moeten manifesteren als een statenbond van tien rijken. Dat is nog toekomstig.

Het boek de Openbaring geeft hierover opheldering. Daar is sprake in hoofdstuk 13 en 17 van "een dier dat was, niet is en zijn zal". Hier wordt dus duidelijk gezegd dat het Romeinse rijk een tijdlang zou ophouden te bestaan, om daarna "uit de afgrond" op te rijzen, d.w.z. door Satan zelf hersteld te worden. In zijn laatste vorm zal dit rijk dus duidelijk een demonisch karakter dragen.

Wat van het Romeinse rijk verdwenen is, dat is de uiterlijke vorm. De geest van dit rijk leeft echter voort in wat men de cultuur van het westen noemt. Het Romeinse recht leeft voort in onze rechtspraak. Het "corpis juris romanum" van de Oostromeinse keizer Justianus (Ī 550) werd de grondslag voor de rechtspraak bij de germaanse en romaanse volken, de hele Middeleeuwen door tot in de Nieuwe geschiedenis.

De Romeinse taal, het latijn, leeft voort als de taal van de kerk van Rome en ze wordt nog steeds gebruikt als de internationale vaktaal voor de rechtswetenschap, de medische wetenschap en de natuurwetenschap.

Rome, de hoofdstad van het wereldrijk, is nog altijd de hoofdstad van de wereldkerk.

Het Romeinse militairisme leeft voort in de legerorganisatie. Nog steeds gebruiken we ook in onze taal in verband daarmee vele van oorsprong Latijnse woorden, zoals: kapitein, majoor, legioen, cavalerie, enz. Ook op andere levensterreinen hebben de Europese talen woorden aan het latijn ontleend. Ten slotte zijn alle Romaanse talen ontstaan uit het Latijn. Dat geldt voor het Italiaans, het Spaans, het Portugees, het Frans, het Roemeens.

De titel "keizer van het heilige Roomse (d.i. Romeinse) Rijk" werd tot 1806 door de keizer van Duitsland gevoerd. In dat jaar legde Frans II die titel af, daartoe door Napoleon gedwongen. Ook aan Napoleon stond een herleefd Romeins wereldrijk als ideaal voor ogen. Vandaar dat hij zich tot keizer liet kronen. Zijn zoon gaf hij de titel van "koning van Rome". Nog niet zo lang geleden droomde Mussolini van een "Roma rediviva". Men spreekt niet voor niets over "het eeuwige Rome"! De geest van Rome is blijven voortleven.

 

Het profetisch woord laat ons zien dat het Romeinse rijk aan het eind van de bedeling waarin wij leven weer herrijzen zal om nog eenmaal een geweldige rol in de wereldgeschiedenis te spelen.

De staten van West- en Zuid-Europa zullen zich aaneen sluiten tot een hechtere gemeenschap. De eerste tekenen hiervan kunnen we in onze dagen zien. Na de tweede wereldoorlog is er een algemeen streven naar meer samenwerking, naar meer eenheid, naar integratie.

Een vijftig jaar geleden leek dat nog tot de onmogelijkheden te behoren, maar alles ontwikkelt zich volgens het profetisch plan, in Gods Woord ons voorzegd. Of die statenbond nauwkeurig dezelfde grenzen zal hebben als het vroegere Romeinse rijk, is niet met zekerheid te zeggen. Die grenzen zijn ook vroeger aan veranderingen onderhevig geweest; ze stonden eigenlijk nooit vast. Het is heel goed mogelijk, dat het toekomstige rijk veel groter zal zijn dan het vroegere. De westerse wereld, die toch eigenlijk de erfgenaam is van de cultuur van Rome, omvat tegenwoordig meer dan de landen van Zuid- en West-Eropa. Daar behoort Amerika mogelijk ook bij. Hoe het ook zij, het vroegere Romeinse rijk zal er de politieke kern en de Romeinse staatsopvatting de politieke ziel van zijn.

 

In Openbaring 17 blijkt, dat er een nauwe relatie bestaan zal tussen het Romeinse rijk en het afvallige christendom van de eindtijd, voorgesteld door de grote hoer, die op vele wateren zit. Naar vele schriftonderzoekers menen, zullen allen die de naam van christen dragen zich ten slotte verenigen in ťťn godsdienstig systeem en het is heel waarschijnlijk, dat dit de Roomse kerk zal zijn. In de beschrijving die van de vrouw in Openbaring 17 gegeven wordt vinden we verschillende karaktertrekken terug van de Roomse kerk. Van de vrouw wordt gezegd dat ze zit op het "scharlakenrode beest" en daarmee wordt het herstelde Romeinse rijk bedoeld. De politieke en religieuze invloed van het christendom zal dus toenemen; het zal het hele rijk beheersen. Maar het is een christendom zonder Christus en een godsdienst zonder God.

Lang zal die machtspositie niet duren, want we lezen, dat de tien koningen, die eerst met de vrouw gehoereerd hebben en zich gewillig aan haar onderworpen hebben, enige tijd later haar tyrannie van zich afwerpen. In vers 16 staat, dat zij de hoer haten en haar woest en naakt maken en haar vlees eten en haar met vuur verbranden. Met andere woorden: het naamchristendom zal van de aarde worden uitgeroeid en plaats maken voor volslagen ongeloof en verschrikkelijke godslastering. De tien koningen zijn het middel in Gods hand om het oordeel te voltrekken over de grote hoer: het naamchristendom. Het is waarschijnlijk dat dit ook zal plaats vinden in het midden van de zeventigste jaarweek, wanneer in Jeruzalem de antichrist optreedt en zich als God laat aanbidden. Dan begint de grote verdrukking, de tijd van benauwdheid voor Jakob. Daar zou nog veel over te zeggen zijn, waar we nu niet op ingaan.