De tijden der volken (I)

 

J. KLEIN HANEVELD

"Een rumoer van vele volken, die rumoer maken als rumoerige zeeŽn, en een gebruis van natiŽn, die bruisen zoals geweldige wateren bruisen"
(Jes. 17 : 12)

Met Nebukadnezar zijn de "tijden der volken" begonnen (Luk. 21 : 24). Als IsraŽl gehoorzaam was geweest en geluisterd had naar Jehova, dan zou Jehova het aan het hoofd van alle volken der wereld gesteld hebben. We lezen dat in Deut. 28 : 13. Maar het volk is ongehoorzaam geweest, het is afgeweken van Jehova en het heeft zich schuldig gemaakt aan schandelijke afgoderij. Herhaaldelijk heeft God hen gewaarschuwd en door zijn profeten vermaand; telkens weer heeft Hij hen getuchtigd, maar alles tevergeefs. Ten slotte is het hele volk, eerst het rijk van de tien stammen en later ook het rijk van de twee stammen in ballingschap gevoerd. Stad en tempel werden verwoest door Nebukadnezar (586 v. C.). De "troon des Heren", eens in Jeruzalem opgericht (1 Kron. 29 : 23), verdween geheel van de aarde en God, die eens als "de Heer der ganse aarde" (Joz. 3 : 11) met zijn volk het land Kanašn binnentrok, trok Zich als "de God des hemels" (Dan. 2 : 37 e.a.) om zo te zeggen, in de hemel terug.

 

Het 2e hoofdstuk van het boek DaniŽl geeft ons een juiste kijk op deze nieuwe stand van zaken. De tijd van IsraŽl was voorbij, als staatkundige faktor was het uitgeschakeld. Jeruzalem zal door de volken vertreden worden, totdat de tijden der volken vervuld zullen zijn. Gedurende die tijd heeft God de wereldheerschappij aan de volken overgelaten. In die tijd leven we nu nog. Die eindigt pas, als de Heer Jezus komt om zijn heerschappij te aanvaarden, dus als het duizendjarig rijk begint. Als de discipelen vragen: "Heer, zult Gij in deze tijd het koninkrijk weer oprichten voor IsraŽl?" (Hand. 1 : 6), dan vragen ze eigenlijk, wanneer de "tijden der volken" voorbij zullen zijn.

Aan Nebukadnezar en aan DaniŽl valt de eer te beurt de ontwikkeling van de wereldmachten in profetisch perspektief te zien, maar ze zien het van een verschillend gezichtspunt uit, in overeenstemming met hun verschillende positie in Gods plan.

 

Nebukadnezar, de heidense koning, ziet de wereldgeschiedenis zoals mensen die zien. Hij ziet het grootse, het heldhaftige, het imponerende: "het beeld was hoog en de glans er van was buitengewoon" (Dan. 2 :31). Hij ziet de ontwikkeling van de opeenvolgende wereldmachten in organische samenhang, nl. als ťťn beeld. Het koninkrijk van Christus komt hŤm voor als een "steen", die van de berg losraakt.

DaniŽl evenwel ziet in hoofdstuk 7 niet de uiterlijke verschijningsvorm, maar het innerlijk wezen van de wereldmachten. Hij ziet ze, zoals God ze ziet. Hij ziet hun ware aard, hun roofdiernatuur, hun onderlinge strijd, hun verscheurdheid. Hij ziet ze niet in hun humaniteit, maar in hun brutaliteit. Het menselijke ziet DaniŽl pas, als de "Mensenzoon" ten tonele verschijnt.

DaniŽl ziet dus vier achtereenvolgende wereldrijken. Dat wil niet zeggen dat er behalve deze vier geen andere grote en machtige rijken op aarde geweest zijn. De profetie houdt zich alleen bezig met die rijken die in nauwe relatie staan tot het volk IsraŽl en het land Kanašn. Die vier rijken zijn: het Babylonische rijk, het Medisch-Perzische rijk, het Grieks-Macedonische rijk van Alexander de Grote en ten slotte het Romeinse rijk. De profetieŽn over de eerste drie rijken zijn in vervulling gegaan; die over het Romeinse rijk nog maar zeer ten dele.

 

1. HET BABYLONISCHE RIJK

"Gij zijt dat gouden hoofd". Inderdaad was Nebukadnezar verreweg de grootste vorst over dat rijk. Van de ruim zeventig jaren dat het bestaan heeft valt het hoogtepunt tijdens de regering van Nebukadnezar. Het is de leeuw met adelaarsvleugels (Dan. 7). Nebukadnezar was het die Jeruzalem en de tempel verwoestte en het volk in ballingschap wegvoerde. Na de dood van deze vorst heeft het rijk nog 24 jaar bestaan. De veroveringen van de Meden en Perzen maakten er in het jaar 538 v. C. een eind aan. De profetie van Jeremia ging in vervulling: "De Here heeft de geest van de koningen van MediŽ opgewekt, want tegen Babel is zijn plan om het te verdelgen; want dit is de wraak des Heren, de wraak voor zijn tempel" (Jer. 51 : 11; zie ook vs. 24 en Jes. 13 : 17).

 

2. HET MEDISCH-PERZISCHE RIJK

Dit rijk wordt op verschillende manieren voorgesteld. Door de zilveren borst en de twee armen van het beeld (Dan. 2 : 32); door de beer, die zich op de ene zijde opricht (hfdst. 7 : 5); door de ram met twee horens van ongelijke lengte (hfdst. 8 : 3, 20).

Aanvankelijk stonden de Perzen onder de soevereiniteit van hun broedervolk de MediŽrs. Maar in Ī 550 trok Kores (of Cyrus) aan het hoofd van zijn Perzische stammen uit Suza op tegen Astyages in Ecbatana en versloeg hem. Toen waren de rollen omgekeerd. De beer had zich op de ene zijde, de Perzische zijde, opgericht; van de twee horens van de ram was de ťťn (PerziŽ) groter dan de ander (MediŽ). Daarna trok Kores op tegen koning Croesus van LydiŽ en veroverde zijn land. Toen was Babylon aan de beurt. In 538 viel ook dit rijk. De opvolger van Kores wist zelfs Egypte te veroveren in 525. Toen strekte het Perzische rijk zich uit van de Kaukasus tot EthiopiŽ en van de Indus tot de Middellandse zee. DaniŽl had de ram zien stoten naar het westen, naar het noorden en naar het zuiden, en geen enkel dier had tegen hem stand kunnen houden. Drie ribben had de beer in zijn muil: LydiŽ, BabyloniŽ en Egypte. Opmerkelijk is nog, dat het oosten niet genoemd wordt; inderdaad hebben de Perzische veroveraars geen expedities tegen IndiŽ ondernomen. Maar in de genoemde richtingen had het geweldige veroveringen gemaakt. "Sta op, eet veel vlees!" Met zijn 127 provincies omspande het bijna de gehele toenmalige beschaafde wereld (Esther 1 : l). Onder de heerschappij van de Perzen is een deel van het joodse volk in het eigen land teruggekeerd, maar de onafhankelijkheid hebben ze niet verkregen.

 

3. HET GRIEKS-MACEDONISCHE RIJK

Na een bestaan van ruim 200 jaar werd aan het Perzische rijk een eind gemaakt door Alexander de Grote. Zijn rijk wordt voorgesteld door de buik en lendenen van koper in het beeld van Nebukadnezar; door de gevleugelde panter in het droomgezicht van DaniŽl en de geitebok met de grote horens, die van uit het westen komt aanrennen in grimmige kracht en die de Perzische ram ten val brengt. De veldtocht van Alexander heeft maar kort geduurd: nauwelijks drie jaar. In die tijd veroverde hij met een betrekkelijk klein leger het reusachtige Perzische rijk. Aan de panter was heerschappij gegeven (Dan 7 : 6); de geitebok was bovenmate groot geworden (hfdst. 8 : 8). Maar op het hoogtepunt van zijn macht stierf Alexander plotseling in het jaar 323 op een leeftijd van 33 jaar. De grote horen brak af (hfdst. 8 : 8 en 22). DaniŽl 11 : 3 en 4 vermelden: "Er zal een heldhaftige koning opstaan, die met grote heerschappij zal regeren en doen zal wat hem goeddunkt. Maar nauwelijks is hij opgestaan, of zijn koninkrijk zal verbroken worden en verdeeld naar de vier windstreken des hemels; doch niet aan zijn nakomelingen, en zonder de macht waarmee hij heerste; want zijn koninkrijk zal uiteengerukt worden en aan anderen dan dezen komen".

 

Na een strijd van ongeveer 20 jaren tussen de generaals van Alexander valt het rijk in vier delen uiteen. Het Syrisch-Babylonische rijk van Seleucus; het Egyptische rijk van PtolemeŁs; het Grieks-Macedonische rijk van Cassander en het Thracisch-Bithynische rijk van Lysimachus. Zo werd de profetie van DaniŽl letterlijk vervuld, bijna drie eeuwen nadat ze was uitgesproken. De panter had niet alleen vier vleugels, maar ook vier koppen (7 : 6).

Voor de geschiedenis van het volk IsraŽl zijn alleen de eerste twee rijken van belang geweest. In DaniŽl 11 heten ze "de koning van het noorden" en "de koning van het zuiden". Over hun onderlinge strijd worden we in Dan. 11 uitvoerig ingelicht. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de "kleine horen" van Dan. 8 : 9, 10. Hiermee wordt bedoeld Antiochus IV Epiphanes, de achtste "koning van het noorden" (175-164).

Om zijn eigen positie te versterken en van zijn rijk een eenheid te maken wilde hij in zijn hele land ťťn cultuur en ťťn godsdienst invoeren. Het moest worden: ťťn volk, ťťn rijk, ťťn koning. Daardoor kwam hij in een hevig conflict met de joden. Hij verbood de besnijdenis en de eredienst in de tempel, ook de viering van de sabbat en de joodse feesten op straffe des doods. Hij liet zoveel mogelijk exemplaren van de Heilige Schrift vernietigen en op het bezit er van stelde hij de doodstraf. De tempel werd dienstbaar gemaakt aan de verering van de Olympische Zeus. Op het altaar werd varkensvlees geofferd. Overal in steden en dorpen werden heidense altaren opgericht en het al of niet offeren op deze altaren werd beschouwd als bewijs van al dan niet trouw zijn aan de staat. Vele joden stierven in die tijd de martelaarsdood, terwijl anderen vluchtten. In deze tijd valt ook de opstand van de MakkabeeŽn.

 

Maar niet alleen om de verschrikkelijke vervolgingen die IsraŽl heeft moeten verduren wordt aan deze koning in de Schrift zoveel aandacht besteed. Juist daardoor is deze Seleucidenkoning een type van de Antichrist. Bij het lezen van DaniŽl 8 en 11 blijkt ons wel dat de profeet deze gebeurtenissen in verband ziet met de "eindtijd". Zijn droomgezicht heeft betrekking op een verre toekomst, op de tijd van het einde (hfdst. 8 : 17, 19, 26 en 11 : 35). Hierover zou nog heel wat te zeggen zijn, maar daar gaan we nu niet op in. We willen in het meinummer aandacht schenken aan het vierde wereldrijk.