De verzegeling met de Heilige Geest

 

De redactie van de "Bode" stelde mij een brief ter hand van C.v.d.B. te D.H., gedateerd augustus jl., met het verzoek iets te willen schrijven over door hem uitvoerig gestelde vragen over Efeze 1 : 13, 14. Bij de bespreking van dit gedeelte op de conferentie te Alphen aan den Rijn meende hij begrepen te hebben, dat daar geleerd en algemeen aangenomen werd dat gelovigen wel de inwoning van, maar niet de verzegeling met de Heilige Geest deelachtig konden zijn. Tussen die twee zou een kortere of langere tijdsperiode liggen, welke mening mede gebaseerd werd op het woordje “nadat". Dit was voor hem een nieuwe gedachte. Hij meent dat dit in strijd is met de algenoegzaamheid van het werk van Jezus Christus en stelt de vraag: Wanneer heeft die verzegeling dan plaats?

 

Het verwondert mij niet dat de vraagsteller de m.i. wat moeilijke discussie niet goed begrepen heeft. De kwestie die gesteld werd, was of iemand bekeerd en wedergeboren kan zijn, zonder de inwoning van en de verzegeling met de Heilige Geest te bezitten.

 

Hoewel ik mijn gedachten hierover had en ook aan de discussie heb deelgenomen, heb ik nu, zo goed ik dit kon, het onderwerp nog eens in studie genomen en daarbij ook iets gelezen wat vroeger in de "Bode" en andere geschriften over dit onderwerp is geschreven. Het resultaat hiervan wil ik trachten zo kort mogelijk samengevat weer te geven.

 

Dat we in de bijbel personen aantreffen, die wedergeboren waren en toch niet de inwoning van de Heilige Geest kenden, is m.i. duidelijk. Het is eveneens duidelijk dat er in dit opzicht een groot verschil bestaat tussen de plaats en functie van de Heilige Geest in de oudtestamentische bedeling en in de tijd na het volbrachte werk van de Heer Jezus.

 

In het oude testament vinden we gelovigen, wedergeboren mensen, die de kracht en leiding van de Heilige Geest ervaren hebben. Maar ze kenden de Heilige Geest niet als een in hen wonende persoon. Dit kon ook niet, zoals we duidelijk kunnen lezen in Joh. 7 : 39. Uit dit vers blijkt, dat zij die in de Heer Jezus zouden geloven, de Heilige Geest zouden ontvangen, nadat de Heer verheerlijkt was. Vóór die tijd kon er dus geen sprake zijn van een inwoning van, en een verzegeling en zalving met de Heilige Geest.

 

Als kracht werkte de Heilige Geest in Gods dienstknechten onder de oude bedeling. Dit kon zelfs bij een ongelovige als Bileam[1] plaats vinden, en ook kon die Geest weer weggenomen worden, zoals we van Saul lezen[2].

 

Na het sterven en de opstanding van de Heer werd dit anders. De Heer beloofde zijn discipelen, dat ze de Heilige Geest zouden ontvangen en dat die bij en in hen blijven zou. Ook voegde Hij er aan toe dat de wereld die Geest niet zou kunnen ontvangen.[3] De vervulling van deze belofte vinden we in Hand. 2 aan de 120 discipelen, die aan één plaats vergaderd waren.

 

Uit de daarop volgende prediking van Petrus blijkt dat deze belofte ook gold voor de andere joden, als ze bereid waren zich te bekeren, in de Heer Jezus te geloven en in zijn naam gedoopt te worden. Met drieduizend personen vond dit alles toen op één dag plaats.[4]

 

In Hand. 10 vinden we een groep heidenen in het huis van Cornelius. Hij was een godvrezend man, die weder­geboren was, evenals de oudtestamentische gelovigen. Van de anderen weten we niets. De prediking van Petrus bevatte een duidelijke weergave van inhoud en doel van het verlossingwerk van Christus, en werd afgebroken op het moment, dat hij zei: "Een iegelijk die in Hem gelooft, zal vergeving van zonden ontvangen".

 

Over de belofte van de Heilige Geest had Petrus toen nog niets gezegd. Klaarblijkelijk verwachtte hij niet dat zijn toehoorders de Heilige Geest direct zouden ontvangen. Maar zodra de aanwezigen het Woord "hoorden" ‑ en dit moeten we telkens lezen als "gelovig aannemen" ‑ viel de Heilige Geest op hen.[5]

Ook hier vinden we dus geen tijdsverloop tussen "geloven" en het "ontvangen van de Heilige Geest".

 

Dit tijdsverloop vinden we wel in een paar andere gevallen.

We lezen daarvan in Hand. 9 ten opzichte van Saulus. Ongetwijfeld kwam hij op weg naar Damaskus tot bekering. Maar op zijn vraag wat hij doen moest, ontving hij van de Heer geen rechtstreeks antwoord. Hem werd opgedragen naar Damaskus te gaan, waar het hem gezegd zou worden.[6] Toen bleek dat hij zich door Ananias moest laten dopen. We hebben reeds opgemerkt dat, in tegenstelling tot de heidenen, bij de joden de waterdoop aan het ontvangen van de Heilige Geest moest voorafgaan. Beide vond bij Saulus drie dagen na zijn bekering plaats.[7]

 

In Hand. 19 vinden we waarschijnlijk een langere tussenperiode. Bij de discipelen, die Paulus in Efeze vond, moet hij iets gemist hebben. Vandaar zijn vraag aan hen. Uit hun antwoord blijkt, dat zij inderdaad de Heilige Geest niet ontvangen hadden. Zij wisten niet eens dat de Heilige Geest reeds was neergedaald.

Deze toestand is te verklaren, als we bedenken wat de inhoud was van het evangelie, dat hun verkondigd was. Ze waren wel gelovig geworden, maar wat was de inhoud van hun geloof? Waarschijnlijk hadden ze het evangelie gehoord door Apollos. Deze had tot hen ge­sproken aangaande Jezus. Maar hij wist niet meer dan wat Johannes de doper geleerd had. Apollos had zelf nodig, dat hem de weg Gods nauwkeuriger door Aquilla en Priscilla werd uitgelegd. Op grond van dit geloof werden ze gedoopt met dezelfde doop waarmee Johannes doopte en dat was heel iets anders dan de christelijke doop en behoorde eigenlijk tot het verleden. Op zo'n evangelie en doop kon de gave van de Heilige Geest niet volgen.[8] Nadat hun het volle evangelie van Jezus Christus was verkondigd en zij dit aangenomen hadden, werden ze gedoopt tot de naam van de Heer Jezus en ontvingen toen ook dadelijk de Heilige Geest.[9]

Hieruit blijkt dus opnieuw, dat de Heilige Geest alleen inwonend komt bij hen die in het volbrachte werk van Christus geloven. En dan ook direct.

 

In Hand. 8 vinden we ook nog een bijzonder geval bij de gelovige Samaritanen. Daar werd het evangelie verkondigd door Filippus, een man vol des Heiligen Geestes. Aan de prediking kan het dus niet gelegen hebben, dat de Heilige Geest niet kwam op hen die geloofden en gedoopt werden. Daar we hier met een bijzondere bevolkingsgroep te doen hebben, die vijandig tegenover de joden stond, was er gevaar dat ook de gelovigen van elkaar gescheiden bleven. Algemeen wordt daarom aangenomen dat de Heilige Geest teruggehouden werd totdat de apostelen uit Jeruzalem kwamen om dit werk te erkennen. Eerst daarna daalde de Heilige Geest op hen neer, op dezelfde wijze als destijds in Jeruzalem plaats vond. Hierdoor werd de praktische eenheid der gelovigen verzekerd. Ik neem aan, dat deze verklaring wel de juiste is. Dus hebben we hier ook weer met een uitzonderings­geval te doen.

 

Zover ik weet, wordt nergens in de brieven verondersteld, dat zij, die in Christus geloven, de Heilige Geest niet inwonend of niet meer inwonend zouden hebben. juist het tegenovergestelde blijkt telkens weer.

Tot de vleselijk geworden Korinthiërs werd gezegd, dat hun lichamen tempels waren van de Heilige Geest, die in hen woonde.[10] En de wettisch geworden Galaten werden er aan herinnerd, dat zij de Heilige Geest hadden ontvangen uit, of op grond van de prediking des geloofs, nl. dat Jezus Christus voor hun ogen geschilderd was als onder hen gekruisigd. De prediking van de wet zou dit nooit in hen hebben kunnen bewerken.[11]

 

Deze tekst geeft ons m.i. de sleutel in handen tot verklaring van het feit, dat er ook nu mensen zijn, die wel hun verlorenheid hebben ingezien, die ook hun zonden voor God beleden hebben en Hem herhaaldelijk om vergeving vragen, en die zich ook, voorzover dat mogelijk is, van hun verkeerde weg hebben bekeerd, terwijl zij toch niet de Heilige Geest bezitten. Gods Geest heeft dus wel aan hun hart gewerkt, maar zolang ze niet geloven in de algenoegzaamheid van Christus' verlossingswerk op Golgotha's kruis zijn ze nog geen "christenen" in de bijbelse zin van het woord. Ze missen de inwoning van de Heilige Geest en hebben daardoor ook geen vrede en zekerheid.

"Indien iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe"[12], en zo iemand kan dus ook geen "christen" genoemd worden. Hieruit zien we welke verschrikkelijke gevolgen een onvolledige, wettische, verdraaide, of van zijn kracht beroofde verkondiging van het evangelie heeft. Zo kunnen we begrijpen dat Paulus daarover zo ontzettend ernstig aan de Galaten schreef.[13]

 

In jrg. 23 van de "Bode" staat een artikel van J.N.D. over dit onderwerp. Hij getuigde daarin van zichzelf: "Ik was zeven jaar bekeerd zonder de Heilige Geest te bezitten, en ik ken iemand die dertig jaar in dit geval verkeerde. Ik stel echter mijzelf niet tot een goed voorbeeld. Is er geen vrij verkeer met God, dan is dat een bewijs, dat ik het evangelie niet goed verstaan heb, of dat ik het schild des geloofs heb losgelaten, dat ik de satan voet gegeven heb."

Uit hetzelfde artikel citeer ik van hem: "Niet zodra heb ik geloofd en verstaan, dat Christus voor mij stierf, of ik ontvang dadelijk de Heilige Geest, en ik word door Hem verzegeld uit kracht van het bloed."

 

Er wordt dikwijls gewezen op de gelijkenis van de verloren zoon. Zijn bekering vond plaats bij de zwijnentrog. De gemeenschap met de vader werd eerst genoten toen hij zich berouwvol in zijn armen wierp. Daartussen ligt dan de weg die de zoon moest afleggen voordat hij de zekerheid kreeg van de vergeving van zijn zonden. Hieruit wordt wel eens de conclusie getrokken dat er een tijd moet verlopen tussen de bekering en het ontvangen van de Heilige Geest.[14]

Maar niet om ons dit te leren heeft de Heer deze gelijkenis verteld. Tussen beide momenten hoeft nu niet zo'n weg te liggen. Alleen als iemand wèl berouwvol op het verleden ziet, zonder het oog gelovig op het kruis van Christus te richten, ontstaat er bij hem deze niet door God gewilde toestand. Een heerlijke door de Heer Zelf mogelijk ge­maakte zaak, die binnen enkele minuten zijn volledig beslag kan krij­gen, wordt door de werk­zaam­heid van de vijand tot een periode van vele jaren, of vindt nooit plaats. Helaas!

 

In Hand. 2 en 10 hebben we de gevallen, die de Schrift als normaal aangeeft.

 

Volgens verschillende plaatsen in de brieven van Paulus hebben alle gelovigen zonder uitzondering de Heilige Geest ontvangen, en woont die nu in hen.[15]

De toevoeging tot de gemeente, het lichaam van Christus, heeft niet plaats door het laten inschrijven van de naam als lidmaat van een kerkelijke gemeenschap, maar geschiedt door de doop. Niet door de doop in water, hoewel die noodzakelijk is, maar door de Geestesdoop. En onder het ontvangen van de Heilige Geest hebben we tevens de doop, verzegeling en zalving met de Heilige Geest te verstaan. Wij zijn allen door één Geest tot één lichaam gedoopt.[16]

 

Christus werd gedoopt, verzegeld en gezalfd met de Heilige Geest, op grond van hetgeen Hij in Zichzelf was voor God.[17] In Hem was Gods welbehagen. Dit kan niet van enig mens vóór Hem gezegd worden. En wat met de Heer Jezus gebeurde heeft nu plaats met allen die met belijdenis van zonden geloven in de verlossende kracht van zijn bloed.

Wie wèl zijn zonde belijdt, maar niet komt tot dit geloof in Christus, kan die grote zegen niet ervaren.

 

Een verkeerde opvatting van het woord "nadat" in Efeze 1 : 13 heeft velen in verwarring gebracht.

Als een gelovige het bewustzijn van deze verzegeling, of in het algemeen de kracht en blijdschap mist, die verbonden zijn met de inwoning van de Heilige Geest, heeft dit een oorzaak.

In zijn zeer lezenswaardig boek "De Heilige Geest" gebruikt br. Heijkoop het beeld van de stoommachine. De kracht van de stoom is er in aanwezig, maar eerst door het overhalen van bepaalde handles kan de machine van die kracht profiteren.

Wereldsgezindheid, eigenwillig handelen, onbeleden zonden en meer dingen kunnen de oorzaak van deze toestand zijn. Eerst wanneer deze dingen beleden en weggedaan zijn, zal de vreugde en kracht van de inwonende Geest ervaren worden. Wie de Heilige Geest bedroeft, zal daardoor blijdschap en kracht missen.[18]

 

Op de conferentie werd er op gewezen, dat het woord "nadat" in de vertaling van het N.B.G. met "toen" is vertaald. Ik heb dit nog eens nagegaan en heb gezien dat dit ook is gebeurd in Hand. 19 : 2. In jrg. 84 op blz. 140 van de "Bode" vond ik een artikeltje waarin deze kwestie besproken wordt. De ongenoemde schrijver daarvan zegt, dat de betekenis niet is "na enige tijd", maar "op het ogenblik zelf”. Hij waarschuwt daarin voor de verkeerde leringen, die op dit woordje "nadat" zijn gebaseerd. Hij vindt daarom deze vertaling beter dan die in de "Voorhoeve" vertaling. Ook Grosheide, die voor een betrouwbaar tekstverklaarder geldt, heeft deze vertaling.

 

Ik heb zo'n bitter beetje kennis van het Grieks, dat ik mij niet aan een oordeel waag. Wel merk ik op, dat hier in het oorspronkelijk een tegenwoordig deelwoord staat. Letterlijk dus: "in wie ook gelovende gij zijt verzegeld". De keuze van het voegwoord "nadat" of "toen" berust dus op inzicht, daar beide vertalingen taalkundig mogelijk zijn. In het eerste gedeelte van dit vers: "nadat gij het woord der waarheid gehoord hebt", staat eveneens letterlijk: horende het woord. In de Engelse Darby vertaling staat dan ook letterlijk vertaald in Efeze 1 : 13: "in wie gij ook hebt geloofd, hebbende gehoord het woord der waarheid, het evangelie van uw behoudenis; in wie ook, hebbende geloofd, gij zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte".

Tussen het "horen" of "aannemen" van het evangelie der behoudenis en het erfgenaam worden, nemen we ook geen tijdsperiode aan. Waarom zouden we het dan wel doen met het geloven en de verzegeling?

In beide gevallen brengt het eerste noodzakelijk het tweede met zich mee. Het is ook duidelijk dat van de verzegeling geen sprake kan zijn als het geloof niet aanwezig is.

Of men hier "toen" of "nadat" leest, is niet zo belangrijk, als men uit het tweede woord maar geen verkeerde conclusies trekt. Geloof en verzegeling zijn als oorzaak en gevolg onmiddellijk met elkaar verbonden. En waar het tweede niet gevonden wordt, is het met het eerste niet in orde.

 

Samenvattend kunnen we m.i. zeggen:

De belofte van de Heilige Geest geldt voor allen die in Christus geloven. In de brieven van Paulus wordt het ook zo voorgesteld,. dat alle gelovigen de Heilige Geest hebben ontvangen.[19] De verzegeling met de Heilige Geest heeft uitsluitend en altijd plaats als het evangelie der behoudenis in Christus Jezus aangenomen wordt.

 

Het ontvangen van de doop, de verzegeling en de zalving met de Heilige Geest zijn geen verschillende fazen, die door een kortere of langere periode van elkaar gescheiden plaats vinden, maar moeten gezien worden als verschillende aspecten, die ons de betekenis van de aanwezigheid van de Heilige Geest duidelijk maken.

 

Zonder de inwoning van de Heilige Geest kunnen we God niet toebehoren en zouden we geen bron van liefde, kracht of blijdschap bezitten.[20]

 

Door de doop met de Heilige Geest zijn we gevormd tot één lichaam, de gemeente van Jezus Christus.[21]

 

De verzegeling met de Heilige Geest betekent dat God zijn stempel op ons gezet heeft als bewijs dat wij zijn eigendom zijn, en dat er geen vervreemding, herroeping of verandering kan worden gebracht in die toestand.[22] De Heilige Geest als zegel is tevens het onderpand van onze toekomstige erfenis.[23]

 

Door de zalving met de Heilige Geest hebben we inzicht aangaande de dingen Gods en geschiktheid tot de dienst.[24] We vinden dit in beeld bij de priesterwijding.[25] Ook het openbaar optreden van de Heer werd door deze zalving voorafgegaan.[26]

 

H.W.

 

[1] Num. 24 :2.

[2] 1 Sam. 16:14.

[3] Joh. 14:16, 17.

[4] Hand. 2 :41.

[5] Hand. 10 :44.

[6] Hand. 22 : 10.

[7] Hand. 22 : 16; 9 : 17.

[8] Hand. 18 : 24 vv.

[9] Hand. 19 : 5, 6.

[10] 1 Kor. 6 : 19.

[11] Gal. 3 :2, 5.

[12] Rom. 8 : 9.

[13] Gal. 1 :6‑9.

[14] Luk. 15 : 11‑24.

[15] Rom. 8:9; 1 Kor. 2:12; 6:19; 12:13; 2 Kor. 1 :22; Gal. 3:2,5; 4:6; Ef. 1:13; 2:18; 4:30; Fil. 3:3.

[16] 1 Kor. 12 : 13.

[17] Luk. 3:21; 4:18; Hand. 4:27; 10:38.

[18] Ef, 4 : 30.

[19] Mark. 1:8; Joh. 14:17; Hand. 1:5; 2:4, 38 (zie verder 16).

[20] Rom. 8 :9; Rom. 15 :13; Gal. 5 :22.

[21] 1 Kor. 12 : 13.

[22] Esther 8 :8; Jer. 32; Dan. 6 : 18; Op. 7 :3; 2 Kor. 1 :22; 5 :5.

[23] Ef. 1 : 13.

[24] 1 Joh. 2 : 20.

[25] Lev. 8.

[26] Luk. 3 :22; 4 : 18; Hand. 4 :27; 10 :38.