SATAN

I

Door alle eeuwen heen is er veel over Satan en zijn helpers gesproken. Het is goed, wanneer men zijn tegenstander terdege kent. De gelovigen immers "hebben de strijd niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de geestelijke machten der boosheid in de hemelse gewesten" (Efeze 6 : 12). Daarmee worden bedoeld Satan en de mt Satan tegen God in opstand gekomen engelen, die in de Schrift demonen of boze en onreine geesten worden genoemd (zie o.a. Matth. 12 : 43-45).

De goede engelen zijn "allen dienende geesten, die ten dienste worden uitgezonden om den wille van hen die het heil zullen berven" (Hebr. 1 : 14). De gelovigen hebben te strijden tegen de boze machten standvastig in het geloof (1 Petr. 5 : 9). Zij kunnen hierbij k rekenen op de bijstand van de goede engelen (Hebr. 1 : 14). De demonen ontkennen geenszins het bestaan van een Almachtig God, zoals blijkt uit Jak. 2 : 19 waar wij lezen: "k de demonen geloven, en zij sidderen". Zij zijn zich hun aanstaande veroordeling terdege bewust, want in Matth. 8 : 29 zeggen zij tot de Heer Jezus: "zijt Gij hier gekomen vr de tijd om ons te pijnigen?"

Aangaande Satan zlf lezen wij in Openb. 12 : 12: "wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergekomen, en heeft grote gramschap, wetende dat hij maar een kleine tijd heeft".

Nadat zij door de gelovigen geoordeeld zijn (1 Kor. 6 : 3), zullen zij komen in "het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is" (Matth. 25 : 41).

Wij doen goed ons te realiseren, dat Satan een geschapen persoon is. Als persoon trad hij handelend op in Job 2 : 7; Joh. 13 : 27; Hand. 5 : 3.

Als persoon sprak hij in Job 1 : 9-1 l; Matth. 4 : 8-11.

Als persoon bewoog hij zich in Job 1 : 7; 1 Petr. 5 : 8.

Als persoon zette hij tot daden aan in 1 Kron. 21 : l; Joh. 13 : 2.

Als persoon bedriegt hij in Efeze 6 11; 2 Kor. 2 : 11.

Als persoon verleidde hij in Gen. 3 1-5.

 

Zijn oorspronkelijke naam en staat

Satan is niet als tegenstander geschapen, Want ook zijn schepping is goed geweest.

In Ezech. 28 : 12-17 vinden wij een beschrijving van Satan, gepersonificeerd in de koning van Tyrus.

  1. Satan wordt genoemd: volmaakt van gestalte, vol van wijsheid en volkomen schoon (vers 12).

  2. hij was in Eden, Gods hof (vers 13).

  3. hij was een beschuttende cherub (vers 14).

  4. hij was op Gods heilige berg en wandelde in het midden van vlammende stenen (vers 14). (Wanneer wij de beschrijving van de heerlijkheid van het hemelse Jeruzalem lezen in Openb. 21 : 10-21, kunnen wij ons enigermate een begrip vormen van de schoonheid en heerlijkheid in Gods onmiddellijke nabijheid. Dan wordt ons k duidelijker de beschrijving van Gods hof, waar de beschuttende cherub (later Satan geworden) vertoefde, zoals wij dit beschreven vinden in Ezech. 28 : 13, 14).

  5. hij was onberispelijk in al zijn wandel (vers 15).

  6. hij verhief zich vanwege zijn schoonheid (vers 17).

  7. daarom heeft God hem op de aarde geworpen (vers 17).

Dat deze beschrijving slechts voor een zeer klein deel op de heidense koning van Tyrus betrekking heeft, is duidelijk. De koning van Tyrus immers was geenszins volmaakt in zijn wandel en is al evenmin op Gods heilige berg geweest. Ook was de koning van Tyrus geen gezalfde, beschuttende cherub, die in het midden van de vlammende stenen wandelde. Maar, zoals in Satan de hoogmoed post vatte vanwege zijn uitzonderlijke positie, zo was er k hoogmoed bij de koning van de trotse zeehandelsstad Tyrus. Satan was dan ook de wrkelijke heerser in Tyrus en de koning slechts een werktuig in zijn handen.

Om geheel dezelfde reden wordt in Jes. 14 : 12-14 een beschrijving van Satan gegeven. Daar echter figuurlijk voorgesteld in de persoon van de machtige koning van de wereldstad Babel:

"Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden; ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen".

De koning van Babel was geenszins een morgenster,. en al evenmin een zoon des dageraads, die uit de hemel is gevallen.

Ook hier dus een beschrijving van Satan - d.i. van de oorsprong der zonde -, maar voorgesteld in een zondig mens, de koning van Babel, die zich door Satan liet beheersen.

Het woord "morgensterren" wordt in de Schrift mr gebruikt om engelen aan te duiden. In Job 38 : 4-8 lezen dat toen God "de aarde grondde ... de morgensterren tezamen juichten, en al de zonen Gods jubelden".

Hier zien wij, dat "morgensterren" en "zonen Gods" identiek zijn. Dit kan echter nooit op mensen betrekking hebben, want die waren toen nog niet geschapen. "In den beginne schiep God de hemel en de aarde" (Gen. 1 : 1) en toen zongen de morgensterren, terwijl eerst lter de mens werd geschapen (Gen. 1 : 27).

Satan is als een engel van zeer hoge orde geschapen. Hij was zeer goed, ja, onberispelijk, volmaakt van gestalte, vol van wijsheid en volkomen schoon (Ezech. 28).

Zo geldt dus k aangaande zijn schepping: "en zie, het was zr goed". Onberispelijk kwam hij uit de hand van zijn Schepper, om als beschuttende cherub een ereplaats in te nemen.

Hoe toepasselijk is op Satan het woord uit Spreuken 16 : 18 "hoogmoed komt vr de val", en ook dat wat wij vinden in 1 Kor. 10 : 12 "daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle".

 

Satans opstand en val

1 Tim. 3 : 6 handelt over het opgeblazen, d.w.z. het hoogmoedig worden van een pasbekeerde, en zegt dat dit de misdaad van Satan was. Satan, die hoogmoedig werd op zijn eigen wijsheid en schoonheid en daarom onder het oordeel van God is gevallen.

In Jes. 14 : 14 hebben wij gezien dat hij de Allerhoogste gelijk wilde worden en in Ezech. 28 : 17 dat door deze hoogmoed de wijsheid te niet werd gedaan. Satan heeft niet in de enig goede verhouding tot God zijn plaats ingenomen. Door de hoogmoed is hij gekomen tot de zondige en dwaze gedachte God gelijk te willen ziin. En in zijn opstand er val heeft hij vele, vele engelen meegesleurd.

Voor ons verstand is het iets onbegrijpelijks, dat God toegelaten heeft, dat Satan n zijn opstand en val, toch de mens tot zonde en afval van God heeft kunnen verleiden (Gen. 3 : 1-5), en dat hij nog steeds toegang heeft tot de hemelse gewesten (Job. 1 : 6), waar hij tot de huidige dag de aanklager der gelovigen is (Openb. 12 : 10). Uit plaatsen als Lukas 8 : 31 weten wij, dat de gevallen engelen zich op de aarde kunnen ophouden.

In 2 Kor. 11 : 14 deelt Gods Geest ons mede, dat Satan zelf optreedt als "een engel des lichts", hetwelk hem b.v. wonderwel gelukt in het spiritisme en de spiritistisch georinteerde theosofie. Als een "engel des lichts" verslindt Satan zo zijn slachtoffers bij duizenden en duizenden. In het boek de Openbaring zien wij in het bijzonder de geweldige macht van Satan, maar k zijn ondergang, wanneer hij voor eeuwig wordt geworpen in de poel van vuur en zwavel (Openb. 20 : 10), waar ook reeds het beest en de valse profeet zijn (Openb. 19 : 20).

Hoe heeft Satan kunnen vallen?

God heeft de engelen - en ook de mens - een vrije wil gegeven. Zonder deze vrije wil zouden de engelen - en ook de mens - niets meer dan automaten, niets meer dan blinde werktuigen zijn.

De mogelijkheid van de val - bij engelen en mensen - berust op de persoonlijke vrijheid, hun door God gegeven.

Er is echter een groot onderscheid tussen de val van de engelen, met Satan aan het hoofd, en de val van de mens.

Satan en zijn engelen hebben de vreugde en de blijdschap des hemels ervaren. Zij kenden God op een geheel andere wijze dan de mens, die later geschapen werd.

Satan heeft zich dan ook doelbewust God gelijk willen maken, terwijl de mens door Satan in verzoeking is gebracht en z tot opstand tegen God is verleid geworden (2 Kor. 11 : 3; 1 Tim. 2 : 14). God houdt hier dan ook rekening mede, want in Hebr. 2 : 16 lezen wij: "waarlijk, niet (gevallen) engelen neemt Hij aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan".

Nadat Satan en zijn engelen zich hun heerlijke en heilige plaats in Gods tegenwoordigheid onwaardig hadden betoond, is voor hn het eeuwige vuur bereid (Matth. 25 : 41).

Maar voor de gevallen mens heeft God zijn Zoon gegeven, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3 : 16).

 

Het tijdstip van Satans val

De gegevens in de Schrift zijn hierover zeer sober.

God heeft "In den beginne" de hemel en de aarde geschapen (Gen. 1 : 1) en ten was daar vreugde en blijdschap onder de engelen (Job. 38 : 4-8). De engelen zijn dus vr de schepping f tegelijk mt de hemel en aarde geschapen.

"De aarde nu was woest en ledig" (Gen. 1 : 2) ; (zie ook Jes. 45 : 18). De aarde is "in den beginne" goed geschapen, omdat alles wat God doet volmaakt en goed is en hiervan gezegd kan worden: "zie, het is zr goed" (Gen. 1 : 31).

Het Hebreeuwse woord "hayetha", door "was" vertaald, wordt in het oude testament evenzovele malen door "werd" vertaald. Doen wij dit nu ook in Gen. 1 : 2, dan is het duidelijker: "de aarde nu werd woest en ledig". De aarde is niet "woest" geschapen, doch geworden, door een vijand (vergelijk 1 Kor. 14 : 33). Misschien door Satan, de vorst der duisternis, toen hij na zijn opstand op aarde werd geworpen (Ezech. 28 : 17; Jes. 14 : 12).

Z is de aarde in een woeste en ledige toestand gekomen, waaruit God iets nieuws voortbracht. God heeft de aarde bij de schepping van de mens toebereid in de vorm zoals wij haar thans kennen, alleen zonder zonde en vloek (Hebr. 11 : 3).

De Heer Jezus heeft in Joh. 8 : 44 gezegd dat Satan "een mensenmoorder van den beginne" geweest is (dus n de oorspronkelijke schepping van hemel en aarde die "in den beginne" was) en in 1 Joh. 3 : 8 lezen wij dat Satan "zondigde van den beginne".

De val van Satan zullen wij dus moeten stellen in de periode gelegen tussen "in den beginne" (Gen. 1 : 1 ) en "van den beginne" (de toebereiding van de aarde voor de mens).

Wanneer de val van Satan dus precies heeft plaatsgevonden, deelt de Schrift ons niet mede, maar het was in ieder geval vr dat God in de scheppingsweek (Gen. 1 : 1-31) de aarde in haar huidige vorm herstelde.

P. G. V.

Vervolg