De zogenaamde gebedsgenezing getoetst aan de Schrift

(II)

2. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid

 

Het volgende argument van de verdedigers der gebedsgenezing is Hebr. 13 : 8: "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid." Zij beweren dan: "Toen de Heer op aarde wandelde vergaf Hij de zonden, ook nu vergeeft Hij de zonden. Hij is gisteren en heden dezelfde! Zo is het ook met de ziekte. Toen de Heer op aarde was, genas Hij de zieken. Hij is gisteren en heden dezelfde en dus geneest Hij ook nu".

 

Tegenwerpingen

 

Ogenschijnlijk is ook deze stelling volkomen betrouwbaar. Laten we de conclusies echter wat nader beschouwen.

Geheel ongemerkt, en we geloven onbewust, leest men de tekst een beetje anders. In plaats van Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde", leest men alsof er stond: Jezus Christus doet gisteren en heden hetzelfde. In feite staat het woordje "is" helemaal niet in de grondtekst. Letterlijk vertaald zouden we moeten zeggen: "Jezus Christus, gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid". Hij is "de Ik ben, die Ik ben" van het oude testament. Het gaat dus helemaal niet om wat Hij doet, maar om wat Hij is in zijn persoon, de onveranderlijke.

Dat God niet altijd op dezelfde wijze handelt, is al duidelijk als we de bedeling der wet vergelijken met die van de genade. God stelt andere normen. Maar ook in eenzelfde bedeling handelt Hij met de n anders dan met de ander. We moeten maar eens letten op het verschil tussen Hebr. 11 : 33-35 en vers 36-38. In het eerste gedeelte vinden we gelovigen, die koninkrijken ten onderbrachten, de kracht des vuurs uitblusten, de scherpte van het zwaard ontvloden, heirlegers van vreemden op de vlucht dreven. Zij ondervonden dus wonderbare uitredding. In het tweede stuk lezen we van anderen, die gefolterd werden, bespot, gegeseld, in stukken gezaagd. Hier geen uitredding, geen vertoon van kracht, alleen stille kracht om het lijden te doorstaan. Toch was God voor al deze mensen dezelfde.

In het nieuwe testament hebben we daarvan een leerrijk voorbeeld in het boek "de Handelingen". Jakobus., de apostel, werd door Herodes gevangen gezet en gedood, terwijl Petrus op wondere wijze uit de gevangenis werd gered. Zijn taak was blijkbaar nog niet afgelopen. Hij moest ons nog zijn brieven, met zijn getuigenis aangaande de verheerlijking op de berg, nalaten. Toch was Christus voor beiden dezelfde!

Trouwens de redenering, die men op Hebr. 13 : 8 bouwt, deugt in zichzelf niet. Trekt u de konsekwentie maar:

Christus vergaf in het verleden?... ja!

Christus vergeeft in het heden?... ja! Want Hij is gisteren en heden dezelfde. Welnu dan vergeeft Hij ook in de eeuwigheid. Want er staat: "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid". Dan zou er voor hen, die in ongeloof gestorven zijn, nog een kans wezen! Men komt dan terecht in de leer der alverzoening!

 

3. De tijd der wonderen nog niet voorbij?

 

Het derde argument waarop de voorstanders van de gebedsgenezing zich beroepen is: De tijd der wonderen is nog niet voorbij. Zij redeneren daarbij: In Mark. 16 : 17 beloofde de Heer, vlak voordat Hij deze aarde verliet: "En hen, die geloven, zullen deze tekenen volgen: in mijn naam zullen zij duivelen uitwerpen, in nieuwe talen zullen ze spreken; slangen zullen ze opnemen; en al zullen zij ook iets dodelijks drinken, het zal hun geenszins schaden, op zieken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden."

Deze belofte geldt voor iedere gelovige, in elke omstandigheid en door alle eeuwen heen, zo zegt men dan.

Ja, de discipelen ontvingen in Joh. 14 : 12 een belofte, die nog verder gaat: "Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Wie in mij gelooft, de werken, die ik doe, zal hij ook doen, en zal grotere doen dan deze." Wonderen zijn zelfs noodzakelijk, wil men het evangelie geloven.

Uit het werkje van Osborn, getiteld "Zeven stappen om genezing van Christus te krijgen" (blz. 68 en 73), citeer ik het volgende: "Een machtig wonder, in de naam van Jezus Christus, is heden ten dage meer waard, dan een mensenleeftijd van theoretische prediking."

"Als er geen wonder gewerkt wordt, is er niets, dat de heidenen trekt om naar het evangelie te luisteren, noch om ze te bewegen het te geloven".

 

Wat is hierin onjuist?

We zullen de laatsten zijn die zeggen, dat er nu geen wonderen gebeuren. De geboorte van een mens is in feite een wonder (Ps. 139 : 14). Het gedrag van water, dat volkomen afwijkt van iedere andere stof, wanneer het vanaf 8 C. afgekoeld wordt, plaatst de geleerden voor een wonder. Wij zijn echter zo aan deze dingen gewend, dat we er niets wonderlijks meer in zien. Maar ook buiten dat geloven we in een God, die ook nu nog wonderen doet in de zin van Mark. 16 : 17. Maar... we ontkennen ten stelligste, dat Hij verplicht is, aan elke gelovige, ten allen tijde en in iedere omstandigheid de belofte van Mark. 16 te houden. We zullen zien, dat de Heer slechts daar en dan wonderdadig ingrijpt, als Hij dat naar zijn souvereine wil nodig acht. Trouwens de bijbel zelf werpt ernstige bedenkingen op tegen de mening, dat Mark. 16 : 17 zo vrstrekkend is als men in pinksterkringen wil beweren. Ten overvloede zullen we daar nog op terugkomen, hoewel dit in "Spreken in talen" ("Bode" jrg. 1959 sept.-dec. nummer) al behandeld is.

 

Verschil tussen teken en wonder

Vr we dat doen, willen we echter het onderscheid aangeven tussen een teken en een wonder. Een wonder is een Goddelijk ingrijpen buiten de heersende natuurwetten om, of er lijnrecht tegen in. Wanneer een klein kind in een bos vergiftige bessen eet, zonder dat iemand dat weet en God Zich over deze kleine ontfermt, zodat het er geen enkele schade van ondervindt, dan zou dit een wonder zijn, maar geen teken. Een teken is echter een wonder, of het in vervulling gaan van een voorzegde gebeurtenis, waaraan bewijskracht verbonden is. Een teken bewijst de waarheid van een bepaalde boodschap, of geeft aan, dat God achter de brenger van de boodschap staat. Zulke tekenen werkt God ook nu nog ter bevestiging van zijn Woord. Nog onlangs lazen we van een mohammedaanse vrouw, die tot bekering gekomen was. Haar man trachtte haar door een sterk vergif van het leven te beroven. Dat middel had nog nooit gefaald. De vrouw bemerkte dat ze vergif binnen gekregen had en bad vurig tot God om haar leven te sparen. Tegen alle verwachtingen van haar familieleden in, bleef de vrouw in leven, zonder dat ze noemenswaardig letsel bekomen had. Maar we weten evenzeer, dat in ons land en daarbuiten vele kleine kinderen en ook volwassenen, waaronder gelovigen, sterven aan het innemen van verkeerde stoffen. Ik hoor al iemand tegenwerpen: "Dan zijn ze gestorven omdat de ouders of zijzelf niet genoeg geloof gehad hebben." Maar als men enerzijds Mark. 16 in de meest uitgebreide zin wil handhaven, dan moet men ook zo eerlijk zijn om te erkennen, dat hier niet van groot geloof of klein geloof of genoeg geloof gesproken wordt. Er wordt zonder meer gezegd: "hen, die geloven, zullen deze tekenen volgen."

Dat slaat dus op alle christenen, op allen die in de Heer Jezus geloven als hun Heiland en verlosser. De Heer geeft deze tekenen waar het nodig is om zijn Woord te bevestigen, maar nergens vinden we de garantie dat Hij dat altijd en overal zal doen. Het is misschien pijnlijk, maar zonder rancune willen we memoreren het verschrikkelijke ongeluk dat nog niet zo lang geleden een bekend gebedsgenezer overkwam. Waarom heeft God toen Mark. 16 niet in vervulling doen gaan? Of zou men de bescherming nu alleen willen beperken tot slangen en vergif. Dat is toch te dwaas!! Of is men zo vermetel deze man achteraf ongeloof etc. te verwijten?

 

Mark. 16 in verband met andere Schriftplaatsen

Het valt al direct op, dat de Heer tot de elven sprak. Zij moesten heengaan in de gehele wereld en hebben dat blijkens vers 20 ook gedaan, terwijl de Heer zijn belofte vervulde:

"En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal; en de Heer werkte mede, en bevestigde het woord door tekenen, die daarop volgden". We zien hier dat de tekenen een medewerkende taak hadden en als bevestiging dienden. Waar de nieuwe boodschap van het evangelie bevestigd is, moet ze daar steeds weer bevestigd worden? Het profetisch woord is bevestigd door de verheerlijking op de berg, dat was eens en vooral voldoende. Petrus kon zeggen: "En wij hebben het profetisch woord, dat bevestigd geworden is."

Ook Hebr. 2 :3, 4 verbindt de tekenen en wonderen met het optreden van hen, die de boodschap van het grote heil uit de mond van de Heer vernomen hadden: "terwijl God bovendien medegetuigde, zowel door tekenen als wonderen en menigerlei krachten en uitdelingen des Heiligen Geestes, naar zijn wil". Het gebeurde dus niet willekeurig, altijd, overal; maar daar, waar de Heer het nodig achtte. Jacobus werd gedood, Petrus bevrijd. De gevangenisdeuren gingen voor Petrus op wonderlijke wijze open, maar de deur van het huis van Maria niet.

We mogen toch zeker verwachten dat de belofte van Mark. 16 in het leven van de eerste discipelen vervuld werd. Laten we dan nagaan of het boek "de Handelingen" deze vervulling zo algemeen beschrijft. We lezen: "en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen" (Hand. 2 : 43). "En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk" (Hand. 5 : 12).

"En Stefanus, vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk" (Hand. 6 : 8).

"En de scharen hielden zich eendrachtig aan hetgeen door Filippus gezegd werd, daar zij hoorden, en de tekenen zagen, die hij deed" (Hand. 8 : 6).

"Zij (Paulus en Barnabas) vertoefden dan een lange tijd, vrijmoedig sprekende in de Heer, die getuigenis gaf aan het woord zijner genade, door te geven, dat tekenen en wonderen door hun handen geschiedden" (Hand. 14 : 3).

"En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus" (Hand. 19 : 11).

 

Uit deze teksten kunnen we de volgende conclusies trekken:

  1. de tekenen en wonderen geschiedden in verband met de evangelieverkondiging;

  2. slechts een beperkt aantal personen, de apostelen en enkele anderen, verrichtten ze;

  3. het was een bijzonder getuigenis, in verbinding met het woord der genade. Laten we toch niet vergeten, dat er een volkomen nieuwe boodschap aan jood en heiden werd verkondigd, en door de tekenen en wonderen schonk God als het ware het Goddelijk garantiemerk aan deze boodschap;

  4. de krachten, die Paulus deed, worden nog extra als uitzonderlijk beschreven.

Vervolgens is er de zeer belangrijke uitspraak van Paulus in 2 Kor. 12 : 12:

"De kentekenen van een apostel zijn onder u in alle volharding gewerkt, door tekenen en wonderen en krachten."

Moet ons dat niet tot nadenken stemmen? Tekenen en wonderen en krachten worden hier door de apostel het kenmerk, het kenteken van een apostel genoemd. Blijkbaar is het woord "apostel" hier van uitgebreider betekenis dan in "de 12 apostelen", zodat Barnabas, Stefanus en Filippus er ook onder vallen (Zie ook Hand. 14 : 14; 1 Kor. 9 : 1, 2 en 2 Kor. 11 : 13).

Van een algemene vervulling van Mark 16 : 17, in die zin, dat alle gelovigen deze tekenen zullen verrichten, vinden we dus niets. Integendeel, de bijbel leert ons, dat deze krachten slechts door enkelen, de apostelen, werden uitgeoefend.

Daarmee is tevens aangegeven, dat deze tekenen alleen in die overvloedige mate in het begin van de gemeente geschonken werden. Toen moest het Woord bevestigd worden. We kunnen ze nu slechts, als het God behaagt ze te geven, verwachten in zendingsgebieden. Zoals we reeds schreven, gebeuren ze daar ook, hoewel van een overvloed van tekenen, zoals vlak na de pinksterdag, niet gesproken kan worden. De tekenen en krachten behoren eigenlijk niet bij deze eeuw (of bedeling). God gaf ze, maar ze zijn niet onlosmakelijk met de bedeling van de genade verbonden. Ook dat moeten we bedenken. Ze worden in Hebr. 6 :5 de "krachten der toekomende eeuw" genoemd.

 

Wie in mij gelooft... zal grotere werken doen dan deze

Zo is de verkorte inhoud van Joh. 14 : 12. Het is een tekst die elke schriftverklaarder voor een moeilijkheid plaatst. En wij matigen ons niet aan hier een onweerlegbare verklaring te geven. Wat echter opvalt is, dat niet van wonderen en tekenen, maar van werken wordt gesproken. Als deze belofte alleen van toepassing zou zijn op wonderen en tekenen, dan zouden de apostelen, zelfs ook Paulus, misschien enigszins dezelfde, maar nimmer grotere werken dan de Heer hebben verricht. Geen van hen heeft op het water gewandeld, niemand heeft een schare van 5000 mannen gespijzigd. Er is ook niet iemand, wiens lichaam al aan het ontbinden was, opgewekt. Heeft God dan zijn Woord niet gestand gedaan, of hebben zelfs de apostelen niet genoeg geloof gehad? En zouden wij ons dan met hen durven meten? Of moeten we de oplossing op een heel ander vlak zoeken? Gaat het bij de werken om de wonderen stuk voor stuk, of om het gehele optreden van de Heer? Was Hij gekomen om wonderen te verrichten of om het Woord te prediken en de Vader te openbaren, waarbij de wonderen slechts een nevenfunctie hadden? Valt het niet op, dat in Joh. 14 : 10 woorden en werken haast als synoniem worden gebruikt? De Heer heeft niet gezegd: grotere werken dan ik gedaan heb, maar grotere werken dan deze. Het gaat o.i. om werken van geestelijke aard, en de resultaten daarvan.

Wanneer deze conclusie juist is, dan zien we dat de discipelen inderdaad grotere werken gedaan hebben dan de Heiland. Op de pinksterdag werd het Woord gepredikt en 3000 zielen werden de Heer toegevoegd. Dat is tijdens Jezus' omwandeling op aarde nooit gebeurd.

 

Uitwerking van wonderen

Hebben de wonderen die uitwerking, die er door Osborn e.a. aan toegekend wordt? Wie de bijbelse geschiedenis nagaat zal het volgende opmerken:

 

  1. Van Adam tot Noach wordt niets van tekenen en wonderen vermeld. Zelfs de prediking van laatstgenoemde ging niet met wonderen gepaard.

  2. De eerste tekenen vinden we bij Mozes. Daar hadden ze een zeer speciaal doel: te bewijzen, dat God achter Mozes stond.

  3. Gedurende de tijd van Jozua en de Richteren slechts een enkel teken.

  4. Tijdens de koningen werd het optreden van Elia en Elisa door wonderen bevestigd. Opmerkelijk is het, dat deze twee niet in Juda, maar in het afvallige tienstammenrijk optraden.
    Ook hier was de wenselijkheid van de wonderen duidelijk. In Juda werd aan Gods Woord, al was het dan vaak alleen maar naar het uiterlijke, vastgehouden.

  5. Tot aan Johannes de doper geen wonderen, en van deze profeet, volgens de Heer Jezus Zelf "de grootste, die van vrouwen geboren is", wordt getuigd: "Johannes deed wel geen teken; maar alles wat Johannes van deze zeide, was waar" (Joh. 10 : 41). En wie heeft de moed zijn prediking voor effectloos te houden?

  6. Wat was het doel van de tekenen van de Heer? Lokaas voor de massa? In geen geval. Maar al te vaak verbood Hij om Hem openbaar te maken. Moesten de tekenen zijn woorden geloofwaardig maken? Slechts ten dele. Het doel van de door de Heer verrichte tekenen vinden we heel mooi aangegeven in het antwoord, dat de boodschappers van Johannes de doper mee terugkregen (zie Matth. 11 : 15). Ze dienden om aan iedere Israliet, die de Messias verwachtte, duidelijk te maken, dat Jezus de Messias was.

  7. Daarna krijgen we het optreden van de discipelen vr de pinksterdag. Ze moesten prediken, dat het koninkrijk der hemelen nabij gekomen was. Hun zending werd bewezen doordat de krachten van dat koninkrijk door hun handen geschiedden.

  8. Tenslotte de apostelen na pinksteren.
    Er werd een nieuw getuigenis gegeven. Weer een overvloed van tekenen, maar langzaam namen die af. Er is een opvatting, dat de tekenen van het koninkrijk in de eerste tijd van de gemeente gegeven werden zolang het joodse volk nog niet volkomen terzijde gesteld was, en deze opvatting is niet onwaarschijnlijk.
    In ieder geval lezen we in het begin van het boek "de Handelingen" mr van tekenen dan aan het eind. Bovendien moeten we eens opletten hoe voorzichtig Paulus was met het gebruik van "zijn wondermacht". Het meisje met de waarzeggende geest in Filippi liet hij toe vele dagen achter hen aan te roepen, voordat hij de duivel uitwierp. En daar diende het wonder niet om kracht aan het evangelie te verlenen, maar omdat Paulus een dergelijke demonische verering niet wenste. Dat God ook niet willekeurig wonderen werkt, blijkt al in het begin van Paulus' loopbaan. Terwijl Petrus rustig de gevangenis uit kon wandelen, moest Paulus zijn heil zoeken in een vlucht met een mand over de muur van Damaskus.

 

Woord en wonderen

Dat wonderen op de ongelovigen niet het effect hebben, dat Osborn e.a. eraan toeschrijven, kunnen we opmaken uit Joh. 2 : 24, 25: "En toen hij te Jeruzalem was op het pascha, op het feest, geloofden velen in zijn naam, zijn tekenen ziende, die Hij deed. Maar Jezus zelf vertrouwde zich hun niet toe, omdat hij allen kende, en omdat hij niet nodig had, dat iemand getuigen zou van de mens, want hijzelf wist wat in de mens was". En omtrent het geloof van deze mensen licht Joh. 8 : 31, 37 ons afdoende in!!

Als iemand het woord verwerpt, verwerpt hij ook ieder wonder: "Indien zij Mozes en de profeten niet horen, zo zullen zij ook, al stond iemand uit de doden op, zich niet laten overtuigen" (Luk. 16 : 31). "Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het woord Gods" (Rom. 10 : 17). Het is te vrezen, dat wij het met het Woord, dat de joden een ergernis, en de Grieken een dwaasheid is, alleen niet durven wagen. Wij willen wonderen zien, omdat we veel op Thomas gelijken en we het "zalig, die niet zien en toch geloven", niet kunnen opbrengen.

 

We willen dit gedeelte besluiten met de vermelding van het oordeel over Ananias en Saffira. Zo goed als de wonderen en tekenen dienden tot bevestiging van het getuigenis, zo goed dienden ze ook voor de beveiliging ervan. De zonde van Ananias en Saffira komt onder ons, in principe, dagelijks voor. Meer willen schijnen dan men is, zich mededeelzamer en guller voor God doen voorkomen. En toch straft God niet in die zin, zoals Hij toen deed.

Laten we toch niet menen met de bijbel in onze menselijke handen de hemel te kunnen bestormen en God te kunnen voorschrijven, wat Hij wel en niet doen moet.

Laten we eenvoudig en rustig voortgaan met het werk des Heren. Biddend om meer geloof en bewaring voor twijfel, maar anderzijds vertrouwend dat de Heer zal werken wat Hem behaagt, tot verheerlijking van zijn naam.

 

J. G. F.