Het nazireeŽrschap

 

In vreugde en rouw

Laten we ons in onze gedachten een ogenblik verplaatsen in Palestina. Temidden van de mensen zien we een man gaan, die volgens Num. 6 een nazireeŽr is. Hij is net als alle anderen en toch ook weer anders. Waar de andere mannen zich vanzelfsprekend bij hun doen en laten openbaren in hun positie als mannen, heeft de nazireeŽr hiervan afstand gedaan. Zijn lang haar is daar het teken van. Zie, zijn buurman komt bij hem en nodigt hem uit voor een feestelijke bijeenkomst ter gelegenheid van een heugelijk feit. Vriendelijk, maar beslist antwoordt de nazireeŽr dat hij de uitnodiging niet kan aannemen, omdat hij de nazireeŽrsgelofte wil houden en dat hij daarom geen wijn, ja zelfs geen druif, de verkwikkende vrucht bij uitstek, nemen kan.

Daar sterft iemand, heel na verwant. Alle familieleden en vrienden van de gestorvene rouwen, maar de man die nazireeŽr is, gaat het sterfhuis niet binnen. Hij ziet uit naar de tijd, waarop zijn nazireeŽrschap eindigt.

Numeri 6 is tot onze lering geschreven en wij zullen zeker wŤl doen om acht te geven op hetgeen God ons daarin leren wil.

Ieder die de Heer Jezus toebehoort, die dus bekeerd en wedergeboren is, is in beginsel door de dood van de Heer in geestlijk opzicht een nazireeŽr geworden.

 

Alles anders geworden

Krachtens onze geboorte zijn wij kinderen van Adam. Als zodanig eigenden wij ons het recht toe om onze gedachten en onze wijze van doen te laten beheersen door de wil van onze menselijke natuur.

Door onze geboorte uit Adam waren wij, zonder het ons bewust te zijn, kinderen des toorns (Ef. 2 : 3). Nadat wij met Christus gestorven zijn, is onze positie echter volkomen veranderd. "Het oude is voorbijgegaan, zie het is alles nieuw geworden" (2 Kor. 5 : 17).

In deze nieuwe positie zijn wij, als nazireeŽrs, afgezonderd voor God. Wij hebben onze rechten door bankroet verloren en hebben door genade deel ontvangen in de hemel (1 Petr. 1 : 4, 5).

Wat de natuurlijke mens noodzakelijk acht om in de wereld te kunnen leven en bestaan, is voor de christen voorbijgegaan. De bevrediging van zijn eigen wil, ten opzichte van alles wat zijn positie in de wereld meebrengt, heeft voor hem afgedaan.

Noch de vreugde van de wereld (zinnebeeldig voorgesteld in alles wat van de wijnstok is), noch de rouw van deze wereld, noch de rechten van de mens, kunnen voor een gelovige de weg bepalen die hij moet gaan. Zijn wandel is in de hemelen. Wanneer hij door de Heer Jezus een verheerlijkt lichaam zal hebben ontvangen, is zijn nazireeŽrschap geŽindigd.

Vanzelfsprekend mist de natuurlijke mens, de mens die niet wedergeboren is, het inzicht om deze dingen te begrijpen. Voor zijn begrip is afzondering een dwaasheid. Hij vreest dat hij daardoor veel moet missen, wat hij noodzakelijk acht om een goed en aangenaam leven te kunnen leiden in deze wereld. Maar het geloof kent het geheim van de ware afzondering voor Gods aangezicht.

 

Afzondering

Ongetwijfeld zijn er mensen die een zekere afzondering wensen, die overeenkomt met hun natuurlijke gevoelens: "raak niet en smaak niet en roer niet aan" (Kol. 2 :21). Daardoor pogen zij om zichzelf voor God aangenaam te maken.

De mens die door genade behouden is, behoort echter reeds tot de heilige tempel Gods (2 Kor. 6 : 16). Hij is niet van deze wereld (Joh. 17 : 16) en wordt nu geroepen, als een waar nazireeŽr in Christus, zich af te scheiden van het gehele stelsel der wereld, hoe het zich ook vertoont. Ongetwijfeld zal zulk een afzondering of afscheiding, of weigering om aan te raken wat onrein is (2 Kor. 6 : 17) door anderen als een aanmatiging worden beschouwd. Het geheim van ware afzondering wordt ook alleen gekend door de gelovige die ootmoedig zijn weg gaat, die de voetsporen volgt van de Heer Jezus, de volmaakte nazireeŽr. Zijn beoordeling van de dingen stemde geheel overeen met die van God. Hij was vervuld van liefde, zoals God liefheeft. Hierin ligt het geheim van de ware afzondering. We zien er een voorbeeld van, als de Heer de farizeeŽr antwoordt op zijn verwijt dat hij zich vůůr het middagmaal niet gewassen had. De Heer zegt dan: "Gij gaat voorbij het oordeel en de liefde van God" (Luk. 11 : 42).

Als iemand God toebehoort, heeft hij ook alleen rekening te houden met de beoordeling van Godswege. Daarom zondert hij zich af. Hij mag alleen de liefde van God in zijn hart laten werken en dan strekt hij zich uit tot het ellendigste. Nu hij God toebehoort, geeft hij zijn rechten prijs (1 Kor. 6 : 7), maar hij ontvangt alles (2 Kor. 6 10).

 

Vrijwillig

In de vermelding van het nazireeŽrschap in Num. 6 wordt zeer bizonder het element van vrijwilligheid voor de aandacht gesteld. Voor ons ligt daar een belangrijke les in. Hoewel wij voor een dure prijs gekocht zijn en daardoor naar lichaam en ziel het eigendom van de Heer zijn, zo zijn wij toch niet onder de wet. Er wordt tot ons gezegd: "Ik vermaan u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende offerande... welke is uw redelijke dienst" (Rom. 12 : l).

Nu wij de barmhartigheid van God hebben ontvangen, worden onze harten bewogen en bereid om ons aan Hem toe te wijden. Het element van vrijwilligheid wordt overal in het nieuwe testament geleerd. Heel duidelijk vinden we het b.v. in de brief aan Filťmon. Wat onze gaven betreft lezen we dat God de blijmoedige gever liefheeft. Daarin zien we ook de vrijwilligheid naar voren komen. De beweegreden moet echter zijn: "Gods onuitsprekelijke gave" (2 Kor. 9 : 15).

Als het om de afzondering en afscheiding gaat, worden wij daartoe opgewekt, opdat zal blijken dat wij de genade van God niet tevergeefs hebben ontvangen (2 Kor. 6 : l).

Van de gelovigen in Korinthe wordt gezegd dat zij in alles rijk geworden waren in Christus (1 Kor. 1 :5). Zij waren door God geroepen tot de gemeenschap van zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer (1 Kor. 1 :9). Als dezulken werden zij aangespoord om hun rechten prijs te geven (1 Kor. 6 : 7).

 

Resultaten van de toewijding

In Num. 6 worden ook voorschriften gegeven over het beŽindigen van het nazireeŽrschap. Hij die zich voor de Heer had afgezonderd moest dan naar de deur van de tent der samenkomst gaan. Daar, in de tegenwoordigheid van God, werd zijn haar afgesneden en op het vuur onder het dankoffer mee geofferd. Voor de logica van de natuurlijke mens een pover resultaat van zoveel zelfverloochening. Het geloof ziet echter een heerlijk vergezicht en smaakt reeds iets van de vreugde der toekomst.

De volmaakte toewijding van de Heer Jezus tot in de dood wordt ons voorgesteld in het vet en de nieren van de ram ten dankoffer (Lev. 3 : 4, 5). Zie ook Fil. 2 : 1-11. De waarde hiervan wordt alleen door God gekend. De nazireeŽr mocht bij het altaar staan en toezien, evenals de broeders in Filippi opgeroepen werden om te zien (Fil. 2 : 5). Er is niemand wiens toewijding in de schaduw kan staan van de toewijding van de Heer Jezus. Hoe heeft Hij zijn rechten prijsgegeven en zichzelf vernietigd in gehoorzaamheid tot in de dood. En toch staat er: "die gezindheid zij in u".

Dus ook wij behoren onze rechten prijs te geven, en zoals het haar van de nazireeŽr onder het dankoffer vůůr Gods aangezicht was, zo zal in de dag des Heren, als alle knie zich voor de Heer Jezus zal buigen, gezien worden dat de afzondering voor God, in verbinding met Christus, waarde heeft in Gods oog.

In Fil. 2 lezen we dat de Heer Jezus de naam ontvangen heeft die boven alle naam is, na zijn vernedering en toewijding aan God. Tot degene die nu getrouw is wordt gezegd: "Ik zal op hem schrijven Ö mijn nieuwe naam" (Openb. 3 :12).

Laat de liefde van God en van de Heer Jezus ons aansporen tot het nazireeŽrschap, hoewel het niet begrepen wordt door hen die zeggen dat zij joden zijn, totdat zij zullen erkennen dat Hij ons liefheeft (Openb. 3 : 9). Liefhebben heeft hier de zin van: zijn liefde voor hen die zich aan Hem toewijden in afzondering en trouw, en die zijn Woord bewaren.

M. de J.