OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 119

 

IV

 

Liefde voor Gods Woord

Als iemand van wie ik veel houd mij een brief schrijft, zal zulk een brief van grote waarde voor mij zijn. Wanneer een man van zijn vrouw een brief krijgt, zal hij veel belangstelling hebben voor de inhoud daarvan. Een geschrift is niet te scheiden van de persoon die het geschreven heeft.

Zo is het, of zo moet het ook zijn voor de gelovige ten opzichte van het Woord, omdat het Gods Woord is. Hij heeft het lief naarmate de Heer Zelf een plaats heeft in zijn hart. In dit licht moeten we ook de uitroep zien van de psalmist in vs. 97. Het Woord van God geeft wijsheid (vs. 98), verstand (vs. 99) en inzicht (vs. 100 en 104). Dat was de ervaring van de psalmist en zal het ook zijn van ieder die met belangstelling het Woord onderzoekt. Een volmaakt voorbeeld hiervan zien we in onze Heer, toen Hij Zich op twaalfjarige leeftijd onder de leraars in de tempel bevond. Allen die Hem daar hoorden, waren verbaasd over zijn verstand en zijn antwoorden. Hij was weliswaar God Zelf, maar als mens verblijdde Hij Zich toch in de dingen van zijn Vader.

Het is wel nodig dat wij meer liefde hebben tot Hem die ons zijn Woord gegeven heeft. Dat zal tot zegen zijn voor onszelf en voor anderen. Het onderhouden van Gods Woord zal ons er van weerhouden om op verkeerde paden te gaan. De redenen des Heren zullen aangenaam voor ons zijn. Onze zielen zullen er zelfs meer genot in vinden dan van honing die de mond verkwikt.

Het lezen van Gods Woord moet niet alleen tot doel hebben om schriftkennis te verzamelen. Het moet ons er in de eerste plaats om te doen zijn, voedsel voor onze ziel te krijgen.

 

Een licht op het pad

De gelovige is door God Zelf uit de duisternis geroepen tot zijn wonderbaar licht (1 Petr. 2 : 9). Hij is verlost uit de macht der duisternis en bekwaam gemaakt om deel te hebben aan de erfenis der heiligen in het licht (Kol. 1 : 12, 13), want in Christus heeft hij vergeving van zonden ontvangen. Anderzijds is het zo, dat de gelovige zich nog bevindt in een duistere wereld. Daarom heeft hij licht nodig om op het goede pad te blijven. Dat licht is alleen het Woord van God (vs. 105). Hoe komt het dat we ons soms stoten? Omdat we zo menig keer ons pad niet laten verlichten door het Woord van God. In het licht van dat Woord vindt de gelovige het rechte pad door de duisternis.

Opnieuw is er sprake van verdrukkingen (vs. 107) in deze Psalm. De gelovige heeft echter het vaste voornemen om de rechtvaardige verordeningen des Heren te onderhouden. Hij verbindt daaraan de bede of de Here hem deze wil leren. Verder bidt de psalmist of de vrijwillige offers van zijn mond de Heer welbehaaglijk mogen zijn. Uit het nieuwe testament (1 Petr. 2 : 5) weten wij dat geestelijke offeranden voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.

Het Woord van God is ook een beschutting in tijden van gevaar (vs. 109) en als de goddelozen ons strikken leggen (vs. 110). Niets van dit alles zal ons kunnen schaden, als wij niet van het Woord afwijken. Zelfs onze blijdschap (vs. 111) zal er niet door gestoord worden.

 

Schild en schuilplaats

Het geloof heeft echter niet alleen licht nodig op het pad in een duistere wereld. Even nodig zijn een schild en een schuilplaats tegenover de vijand. In de verzen 113-120 wordt veel gesproken over de vijand en zijn handlangers.

Degene die het Woord des Heren liefheeft zal geen gemeenschap zoeken met bozen. WŤl heeft hij behoefte aan bescherming en bewaring. Onwillekeurig doet dit gedeelte ons denken aan de wapenrusting uit Efeze 6.

De beloften van de Here, dat Hij allen die op Hem vertrouwen bewaren zal, troost de gelovige. Anderzijds maakt het niet overmoedig. Integendeel! De overtuiging dat de Heer de zijnen niet verlaat, houdt ons toch afhankelijk. De behoefte aan de hulp van de Heer blijft bestaan.

In de verzen 105-112 zagen, we dat in de duisternis van deze wereld het Woord ons dient, als lamp en licht. Tegenover de vijanden die hun pijlen op ons richten, is de Heer Zelf onze schuilplaats en ons schild. Wanneer de gelovige bij Hem schuilt, keert hij zich vanzťlf van de vijand af en wordt hij door zijn pijlen niet getroffen. De laatste drie verzen (118-120) hebben als grondtoon het einde van de goddelozen. Als schuim zullen zij worden weggedaan en verworpen. Hun einde zal vreselijk zijn.

Wanneer de psalmist denkt aan de oordelen van God, komt er vrees in zijn hart. Niet voor zichzelf, maar met het oog op de goddelozen. Ook de apostel Paulus kende dit. De gedachte aan de komende oordelen was voor hem mede een reden om de mensen te overtuigen van de noodzaak van hun bekering (2 Kor. 5 : 11 ). Het is goed dat ook wij daaraan denken, want het lot van hen die verloren gaan, zal vreselijk zijn.

 

Gebed en verlossing

De verzen 121-128 doen ons denken aan de tijd van de antichrist en de grote verdrukking die over het trouwe deel van IsraŽl komen zal. Ze geven ons een indruk van de toenemende moeite die hun deel zal zijn. Hun dringend geroep tot de Here wijst hier ook op.

Driemaal spreekt de psalmist in dit gedeelte van zichzelf als "uw knecht". Zo zal ook de getrouwe IsraŽliet in de toekomst spreken. Hij zal met vs. 126 zeggen:

"Het is tijd voor de Here om te handelen, zij hebben uw wet verbroken".

Zijn ogen smachten naar het heil des Heren (vs. 123). Met verlangen ziet hij uit naar de dag der verlossing, in het vertrouwen dat de Heer recht zal doen in gerechtigheid. Maar in afwachting van dit Goddelijk ingrijpen heeft hij de geboden des Heren lief en hecht er meer waarde aan dan aan het fijnste goud (vs. 127). Dit gaat gepaard met een afkeer van elk leugenpad (vs. 128).

Is dit niet erg leerzaam voor ons? Hoe dichter wij bij de komst van de Heer zijn, hoe duisterder het in geestelijk opzicht wordt. Het oog des geloofs ziet met rasse schreden het einde naderen. Ook voor ons betekent de komst van de Heer het einde van alle strijd en verdeeldheid. Laat dan ook bij ons gevonden worden wat de psalmist kenmerkte: een vasthouden aan de Heer en aan zijn Woord.

Het toenemende verval in de christenheid moet de gelovige er toe brengen, als een getuigenis daartegenover zich nauwer aan de Heer te verbinden. Wij kunnen echter niet, zoals de psalmist, Gods gerechtigheid inroepen om deze wereld te oordelen. Ons gebed moet zijn tot behoudenis voor allen die niet in de Heer Jezus geloven.

 

Voor de eenvoudigen

Een van de namen van Jehova is Wonderbare Raadsman (Jes. 9 :5). Zijn Woord is daarmee in overeenstemming. Het kan zijn dat we niet alles daaruit begrijpen. Dat moest Maria ook zeggen toen GabriŽl haar zoveel wonderlijke dingen mededeelde. Maar we lezen van haar dat zij alles in haar hart bewaarde. De psalmist heeft dat ook gedaan (vs. 129) en wij doen goed deze voorbeelden na te volgen.

Het openen van Gods Woord geeft licht voor hen, die erkennen onverstandig te zijn (vs. 130). Voor wijzen en verstandigen zijn en blijven de dingen des Heren verborgen. Maar ze worden openbaar aan hen die eenvoudig zijn als een kind.

Laten we bij de prediking van het Woord geen hoge eisen stellen aan de manier waarop het Woord bediend wordt. Het is in de eerste plaats nodig om in ons hart op te nemen wat ons dienen kan. Laat hij die het Woord spreekt, niet trachten nieuwe dingen te brengen, maar er aan denken dat hetgeen hij zegt tot stichting moet zijn (1 Kor. 14 : 1 en 26).

De psalmist bidt ook om genade. Hij weet dat allen die de naam des Heren liefhebben op deze genade kunnen rekenen (vs. 132). Door die genade kunnen ook onze voeten vaststaan in het Woord der waarheid. Dan zullen we niet worden afgetrokken door allerlei vreemde leringen, maar de waarheid vasthouden in liefde (Efeze 4 : 14, 15).

In de ziel leeft ook de wens om verlost te worden van de verdrukking der mensen (vs. 134). Blijkbaar was de psalmist daardoor gehinderd en belette dit hem het volle licht van Gods aanschijn te zien (vs. 135). Het bedroeft hem dat er nog zovelen zijn, die de wet des Heren niet onderhouden (vs. 136). Wat hem gelukkig maakt, zou hij ook zo graag aan anderen gunnen. [1]

 

J.A. Vellekoop


[1] Bij het lezen van dit artikel, vůůrdat het werd gedrukt, dacht ik aan een voorval uit het leven van de schrijver.

Op een winteravond in ťťn van de oorlogsjaren liep onze broeder alleen door de donkere straten van zijn woonplaats. Het was pikdonker en hij meende op een ogenblik dat hij links moest afslaan om zijn huis te bereiken, maar hij had het mis. Toen hij na een poosje ontdekte verkeerd te zijn gelopen, wist hij niet wat hij doen moest. Gelukkig ontmoette hij een heer, aan wie hij de juiste weg vroeg en die hem thuis kon brengen.

Toen br. Vellekoop mij de volgende dag zijn wedervaren vertelde, voegde hij er aan toe: Nog nooit heb ik zo goed de betekenis begrepen van Joh. 12 : 35: "Die in de duisternis wandelt weet niet, waar hij heengaat".

B. L.