Oren om te horen

 

De eerste plaats

In de toespraak van de Heer Jezus tot de genodigden in het huis van een overste der farizeeŽn waar men Hem bespiedde en die we lezen in Lukas 14 : 7-24, geeft Hij hun en ons wijze lessen.

Van vers 7-11 gaat het om het zich uitstrekken naar de vooraanzittingen. Wij kunnen hetgeen de Heiland hier zegt gemakkelijk toestemmen, omdat wij allen min of meer mank gaan aan dit euvel. vooral als we het in wat ruimere zin opvatten. Bij kinderen merken we het reeds op. Ik herinner me dit van de feesten, die we hadden met de kinderen van de zondagsschool. Speciaal de kleinsten hielden bij het openen van de deuren een complete wedloop wie de beste plaats zou kunnen bemachtigen. Misschien hebben wij er in onze jeugd ook aan meegedaan.

Later kwam de zelfzucht openbaar als we b.v. van een schaal appelen er ťťn mochten uitkiezen. Ons verlangen ging er dan naar uit om de grootste te nemen. Deden we dit niet, dan was het omdat we ons fatsoen wilden ophouden. De mens in zijn natuurlijke staat zoekt de eerste plaats en het beste voor zichzelf.

Het is verkeerd te denken dat men iets is, omdat men meent een hogere plaats te hebben verworven dan "zijns gelijke". Dit is een gedachte die Satan in het hart van de mens heeft ingevoerd, toen hij in het paradijs gezegd heeft: "gij zult als God zijn, kennende goed en kwaad". Sindsdien heeft de mens steeds getracht te worden wat hij niet was. Om de laagste plaats onder de mensen te kunnen innemen, moeten we ons doorlopend het voorbeeld van de Heer Jezus voor ogen stellen. Hij heeft dit in volmaaktheid gedaan (Fil. 2 : 6-8, Markus 10 : 45, Joh. 13 : 15).

 

De beloning

In de verzen 12-14 van Luk. 14 lezen we dat de Heer zich speciaal tot zijn gastheer richt. Het gaat hier om de vergelding.

De Heer Jezus belicht het verschil tussen wat in de wereld algemeen gebruikelijk is, en wat onder de gelovigen moet worden gevonden. Het gaat om de terugbetaling door mensen (einde van vers 12) en de beloning in de opstanding der rechtvaardigen (einde van vers 14). Wij weten wel iets van wereldse feesten en partijen. De gastheer doet al zijn best om met zijn gasten vriendelijk en beleefd om te gaan; hij zal ervoor zorgen dat hun niets ontbreekt: hij zoekt slechts te doen wat hun kan behagen. Hij rekent er echter op dat de gasten op hun beurt hem straks hetzelfde zullen aanbieden. In de grond van de zaak is dit egoÔsme. De gelovige moet zich evenwel door heel andere motieven laten leiden. Hij is in staat om te handelen volgens 1 Kor. 13:

"De liefde zoekt het hare niet, zij is goedertieren."

Hij weet dat hij niet op aarde zal blijven en dat hij de beloning zal ontvangen in de opstanding der rechtvaardigen. De afzondering van de wereld en haar beginselen moet hem in zijn gehele leven kenmerken.

 

De uitnodiging

Eťn van de genodigden zei in antwoord op de tot de gastheer gerichte woorden:

"Welgelukzalig hij die brood zal eten in het koninkrijk Gods;"

Inderdaad is dit zo, maar de Heer Jezus toonde hem in zijn antwoord, hoe de mensen, in de eerste plaats de Joden, op de Goddelijke uitnodiging reageren. Hij vergeleek God met een mens die een groot avondmaal bereidde en velen nodigde. Hij zond zijn slaaf uit om aan de genodigden te zeggen: "Komt, want reeds zijn alle dingen gereed".

Drie dingen vallen bizonder in 't oog. Het was een groot avondmaal, er werden velen genodigd, en alle dingen waren gereed. Dit waren wel redenen om van de uitnodiging dankbaar gebruik te maken. Maar allen, zonder uitzondering, weigerden te komen en vroegen om verontschuldiging. De drie redenen die zij daarvoor opgaven zijn op zichzelf geen verkeerde dingen, maar zij worden het als zij de mensen afhouden van het eeuwige leven en van Christus.

De slaaf kwam terug bij zijn heer, want de genodigden vonden al het andere belangrijker dan de Goddelijke maaltijd. Akker, ossen en vrouw vertegenwoordigden voor hen alles wat zij begeerden: macht, bezit en genot.

Toen werd de heer toornig en nodigde tot zijn feest allen die in de ogen van de genodigden verachtelijk waren: armen, verminkten, blinden en kreupelen. Als er dan nůg plaats is zegt de heer:

"Ga uit op de wegen en langs de heggen, en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde".

Dit is een heerlijk woord. Wat de mensen ook moge bewegen om te weigeren de uitnodiging die van Godswege tot hen komt aan te nemen, God wil dat zijn huis vol wordt! Niemand zal Hem dit kunnen verhinderen, zelfs Satan niet.

 

De verontschuldiging

Het moet ons wel opvallen hoeveel moeite de heer moest doen om zijn doel te bereiken. Zoals het in de gelijkenis is, zo is het ook nu. De mens heeft veel verontschuldigingen. De mensen in deze gelijkenis waren geen openlijke tegenstanders, zoals we dat lezen in Matth. 22. Het kan gebeuren dat men met schijnbaar vrome tegenwerpingen komt aanzetten. Allerlei beperkende bepalingen worden voor de aandacht gesteld. Men meent goed te doen hiermee rekening te houden, in plaats van te letten op wat God doet:

Hij bereidt het avondmaal.
Hij nodigt er velen.
Hij heeft alle dingen gereed gemaakt.
Hij wil dat zijn huis vol wordt.

Wat zit er achter bij de mens dat hij niet wil komen? We weten het menigmaal niet en begrijpen het ook niet. Ieder meent een verontschuldiging te hebben: "Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd".

 

De Heer volgen

De verzen 25-35 zijn zeer ernstig. Zij zijn niet gesproken in het huis van de farizeeŽr, maar tot de scharen die de Heer volgden. Toch houden ze verband met het voorgaande. De discipel van de Meester is hij, die nadat hij gehoord heeft, het gehoorde in praktijk brengt, zijn voetspoor volgt en Hem gehoorzaamt. Dit kan voor velen een moeilijke zaak worden. Vader, moeder, vrouw en kinderen, broers en zusters komen in 't geding, ja zelfs het eigen leven. Hier worden mensen genoemd, die ons het naast aan het hart liggen. Bovendien zijn er nog andere betrekkingen die ons in de weg kunnen staan. Wij moeten dit niet gering achten; de Heer doet het ook niet.

De verzen 28-30 zijn overbekend, en toch leest men ze veelal oppervlakkig. De Heer heeft niet gezegd dat we zo maar terloops de kosten moeten berekenen als we een toren gaan bouwen, maar dat we dit rustig en sekuur moeten doen. Er hangt zoveel van af. We moeten "er bij gaan zitten". Niet dat de Heer bedoelt: doe het maar niet. Integendeel! Maar, weet wat je doet. Vers 33 geeft het alternatief:

"Zo dan, een iegelijk van u, die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan mijn discipel niet zijn".

Dit betekent: AFZIEN VAN ALLES.

Het woord "haten" in vers 26 moeten we natuurlijk niet in z'n scherpste konsekwentie nemen. Dit zou geheel in tegenspraak zijn met vele schriftplaatsen, die ons vermanen vriendelijk te zijn jegens alle mensen. Het heeft hier en op andere plaatsen de betekenis van: "op de tweede plaats stellen". Wij moeten er vooral op letten dat we tegenstand zullen ondervinden, zelfs menigmaal boosheid, maar niemand, ook vader en moeder niet, kunnen ons bewaren voor het eeuwig oordeel. Daarom moeten we ons door niemand laten aftrekken van de Heer als het gaat om de behoudenis en ook niet als we onze Heiland in getrouwheid willen volgen. Wat de Heer hier zegt, heeft niets te maken met de plichten van de kinderen ten opzichte van de ouders. Ik stel mij voor dat een kind, dat zich niet laat beÔnvloeden door de tegenstand van de ouders om de Heer te volgen, dus hen in dit opzicht "haat", de eerste zal zijn om ze te eren, om zijn liefde en goedheid jegens hen te tonen, Gehoorzaamheid aan de Heer zal ze hiertoe brengen. Zulke mensen hebben menigmaal een extra kruis te torsen, dat door anderen niet wordt gekend. Zij hebben ons gebed nodig.

"Wie oren heeft om te horen, die hore!" Iedere gelovige heeft oren, maar welk gebruik maakt hij ervan?

 

B. L.