OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 119

 

III

 

Tot en met vers 56 is deze Psalm in de nummers van april en juni besproken. In de verzen 57-64 is het onderwerp:

 

De Here het deel der ziel

Wie het Woord des Heren in het hart bewaart en dat liefheeft, vindt vanzelf Hem die Zich in dat Woord heeft geopenbaard. Het is een groot voorrecht te mogen weten dat de Heer Zelf ons deel is, zoals we zingen in het lied:

"Ik ben uw en Gij zijt mijn,
liefde heeft ons saam verbonden".

Ieder die de werkelijkheid van deze woorden in zijn leven ervaart, zal er behoefte aan hebben door het gebed gemeenschap te oefenen met God. Hij zal dan steeds meer en beter Hem leren kennen en de vreugde genieten door genade te leven. Laten we nooit vergeten dat, hoe nauw we ook aan Hem verbonden zijn, Hij genade bewijst en dat wij de begenadigden zijn. Hij is de grote gever, wij zijn de ontvangers.

Omdat de Heer zijn deel is, stort de psalmist niet alleen zijn hart uit in het gebed, hij is ook vol dankzegging. In de stilte van de nacht, als hij door niets gestoord of afgetrokken wordt, looft zijn ziel de Heer en geniet persoonlijk de gemeenschap met Hem die zijn deel is (vs. 62). Een beschamend voorbeeld voor ons, die in nog veel nauwere betrekking tot de Heer gebracht zijn dan de gelovige van de oude bedeling. Mochten ook onze harten meer tot de Heer uitgaan.

Het is ook van belang om te zien hoe de gelovige de gemeenschap zoekt met andere gelovigen (vs. 63). De ziel die zelf gemeenschap met de Heer smaakt, heeft ook behoefte aan gemeenschap met hen die hetzelfde kennen. Zulke zielen begrijpen elkaar en kunnen samen spreken, samen bidden, samen danken.

Persoonlijk de vreugde hebben om van de Heer te genieten, is een grote genade. De gemeenschap der heiligen op aarde is echter een voorsmaak van wat in de hemel het deel zal zijn van alle verlosten. Dan zullen allen geschaard zijn om Hem, die hun eeuwig deel is.

 

Gevolgen van de tucht

In de verzen 49-56 hebben we gelezen dat de gelovige in ellende was. Bij de overdenking van de verzen 65-72 willen we ons in hoofdzaak bezighouden met de gezegende uitwerking van de tucht van God. Twee verzen spreken daar heel bizonder van:

"Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik uw woord" (vs. 67)

"Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik uw inzettingen zou leren" (vs. 71).

De beproeving van het geloof is, zoals Petrus schrijft, veel kostbaarder dan van het goud dat vergaat. Als het geloof beproefd wordt, zal het tenslotte strekken tot lof en heerlijkheid en eer in de openbaring van Jezus Christus.

Paulus schrijft aan de Hebreen, dat de kastijding van God voor het ogenblik zelf geen reden geeft tot vreugde, maar tot droefheid. Later, als de gelovige door de tucht geoefend is, geeft zij een vreedzame vrucht van gerechtigheid. Daarom zullen wij de kastijding niet gering achten en er niet onder bezwijken. Dit te doen zijn twee gevaren, die ons altijd bedreigen.

De psalmist erkent: "Gij hebt goedgedaan aan uw knecht". Hij had zich reeds gesteld onder de tucht van de Heer en moest erkennen dat het goed en nodig was, omdat hij vr die tijd dwaalde. Wanneer de tucht deze uitwerking heeft op de gelovige, vloeit er een zegen uit voort. Dan kan er in werkelijkheid worden gesproken van een geoefende ziel en deze krijgt deel aan Gods heiligheid.

Het kan echter ook zijn dat de kastijding de gelovige in opstand brengt, dat hij klaagt en moppert over de wegen die God met hem gaat. Dan zal de tucht zonder uitwerking blijven en de gelovige daardoor niet geoefend worden. Alleen als de eigen wil gebroken is, leren we in Gods wil berusten en komen we gereinigd uit de smeltkroes te voorschijn.

Laten wij acht geven op de tucht des Heren en er ons door laten dienen. Dan zullen we dezelfde ervaringen opdoen als de psalmist heeft gehad. Onder de tucht was hij rustig en onderworpen aan de wil des Heren. Daarna was hij gelukkig en verblijd, zodat hij de Heer kon danken voor zijn wijsheid en liefde in de tucht.

 

Trouw van God

In vs. 73 lezen we dat de gelovige er zich van bewust is, dat God zijn schepper is. Reeds het feit dat hij zijn leven, zijn bestaan aan God te danken heeft, doet hem erkennen dat hij dan ook aan Hem toebehoort en dat God recht heeft op dat leven. Daarom vraagt hij verstand om de geboden des Heren te leren. Dat zal ook tot blijdschap zijn van zijn medegelovigen, zij zullen zich verblijden als hij deze geboden houdt. Zo is het ook nu. Allen die de Heer vrezen, voelen zich tot elkaar aangetrokken en verblijden zich in hun gemeenschappelijk geluk. Zij die de Heer vrezen worden tweemaal in dit gedeelte genoemd (vs. 74 en vs. 79).

De gelovige denkt daarna opnieuw terug aan de verdrukking waarin hij geweest is. Hij is ervan overtuigd dat het de trouw van God was, die daarin met hem handelde (vs. 75). Ook als wij ontrouw zijn, blijft God getrouw, zelfs in de tucht. Gelukkig als de ziel het zo ziet en zich er onder buigt. Dan zal de heiligmaking niet uitblijven. Verder doet de gelovige weer een beroep op de goedertierenheid van de Heer en op zijn barmhartigheid (vs. 76, 77). Hij wil zich daardoor laten vertroosten en er in leven, want de wet des Heren is zijn verlustiging. Hij heeft echter nog n wens en bidt om een onverdeeld hart (vs. 80). Hij wil niet alleen voor het oog van de mensen zijn, als iemand die God vreest, maar wenst ook dat de Heer, die het hart kent, oprechtheid bij hem zal vinden. Moge het ook zo bij ons zijn, want de Heer vindt er zijn vreugde in, als ons hart oprecht is voor Hem.

 

Verlangen naar hulp en heil

Een duidelijk beeld van de heiligende invloed die de verdrukking voor de ziel had, zien we in vs. 83. Ongetwijfeld beluisteren we hier profetie en is de psalmist de mond van het verdrukte volk in de toekomst. Dan zal in de verschrikkelijke tijd van de antichrist de nood tot het hoogst gestegen zijn.

De ziel smacht naar Gods heil en zijn belofte, zij hoopt op zijn woord en ziet uit naar zijn vertroosting. Een dringend gebed stijgt tot de Heer op. Hoelang zal het duren vr Hij tussenbeide komt? Zal hij, die zich "uw knecht" noemt, omkomen? Zullen zijn dagen afgesneden worden? Is hij niet reeds bijna door de vijand vernietigd geworden? Wanneer zal de Heer als de rechtvaardige rechter gericht oefenen aan zijn vervolgers? Allemaal vragen die de ziel bezighouden. Toch klemt hij zich vast aan het woord, aan de bevelen en getuigenissen des Heren. Zijn benauwdheid drijft hem uit tot de enige hulpbron, zoals blijkt uit de bede: "kom mij ter hulp".

In vs. 83 vinden we een bevestiging van de waarheid, dat ook al wordt de uiterlijke mens verdorven, de innerlijke mens van dag tot dag vernieuwd wordt (2 Kor. 4 : 16). De lederen zak in de rook stelt ons dit voor.

In oosterse huizen wordt de lederen zak, gevuld met wijn, opgehangen boven het haardvuur en daar blootgesteld aan rook en warmte. De lederen zak heeft daarvan te lijden, maar de wijn die er in zit, wordt er beter van en geschikt voor consumptie. Zo is het ook met de verdrukking. De hitte van het vuur is voor de uiterlijke mens moeilijk te verdragen. Voor het innerlijk van de mens is zij echter nodig voor de heiligmaking.

Dat zal straks de ervaring zijn van het overblijfsel van Isral en gedurende alle tijden ondervinden alle gelovigen het.

Laten wij dan in moeilijke tijden niet klagen, maar ons vasthouden aan Gods beloften en tegelijk tot Hem opzien om hulp.

"Uw doen is steeds gezegend,
al schijnt het soms ook hard."

 

Gods Woord blijft eeuwig

Het Woord van God is onafscheidelijk verbonden met zijn persoon. Daarom kan ook het ene geslacht na het andere op de trouw van God rekenen. De aarde, het werk van Gods handen, is door Hem gegrond en blijft bestaan zolang Hij het verordent. Maar het Woord des Heren is vaster dan dat. De Heer Jezus heeft gezegd:

"De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan" (Lukas 21:33).

Hoe vast de aarde ook staat, zij behoort volgens Hebr. 12 : 27 tot de "beweeglijke dingen". Het Woord van God kan echter niet veranderen. Het blijft tot in eeuwigheid (1 Petr. 1 :25). Welk een zekerheid voor het geloof.

In de tijd van zijn verdrukking was deze zekerheid ook tot steun voor de psalmist. Als hij die zekerheid niet had gehad, was hij vergaan in zijn ellende (vs. 92). Z zal het straks ook met het verdrukte volk van Isral zijn. Wanneer Gods Woord onze verlustiging is, zal het nu ook met ons zo zijn.

De ziel herinnert zich dan, dat hijzelf het eigendom van de Here is (vs. 94) en dus mag roepen om verlossing, ook omdat hij Gods bevelen zoekt. Wij zijn ook het eigendom van Christus, hoewel in een andere positie als de oudtestamentische gelovigen. Toch maakten zij deel uit van Gods volk en waren zijn eigendom (Lev. 26 : 12) en dit was dus gegrond op het Woord des Heren.

Wat zich op aarde ook beroept of aanspraak maakt op volmaaktheid, het is in elk geval slechts tijdelijk. Er zal een eind aan komen, maar het Woord is zeker en blijft eeuwig.

J.A. Vellekoop