Het eeuwige leven

(Slot)

 

De getuigenis van God

Aan het eind van het eerste artikel is uit Joh. 5 :24 duidelijk gebleken, dat de gelovige het eeuwige leven bezit. In het vijfde hoofdstuk van de eerste brief van Johannes wordt dezelfde zekerheid voorgesteld. In de verzen 9-11 van dit gedeelte lezen we, dat God een getuigenis geeft betreffende zijn Zoon. Daar middenin staat, dat het niet geloven in God gelijkstaat met Hem tot een leugenaar te maken (vs. 10). Dit is een zeer ernstig woord. Velen zullen er van schrikken. Er zijn nu eenmaal mensen, die de bijbel zonder enige reserve aanvaarden als het geďnspireerde Woord van God, dat voor hen alle gezag heeft. Toch durven ze een uitzondering te maken met 1 Joh. 5 : 9-11.

Juist in deze verzen wordt zo nadrukkelijk gezegd hoe wij het eeuwige leven ontvangen: door het geloof in de Zoon van God. God geeft het eeuwige leven aan hem die gelooft. Alle getuigenissen van mensen vallen hiertegen weg. In vers 12 worden het bezit en het gemis van het eeuwige leven nog eens tegenover elkaar gesteld:

"Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet".

Het eeuwige leven, zo staat in vers 11, is alleen te vinden in verbinding met de Zoon van God. Wij hebben het leven niet in Adam, maar in Jezus Christus. Niet in mensen of door werken, het is Gods geschenk. "God heeft gegeven".

 

Christus' leven - ons leven

"Omdat ik leef, zult ook gij leven" (Joh. 14 : 19) heeft de Heiland gezegd. Dit is onveranderlijk. Indien de dood geen macht meer over Hem heeft, dan heeft hij het ook niet meer over ons. De buitengewone waarde en het meest gezegend karakter van het eeuwige leven is, dat zijn oorsprong is in Christus.

Zo is Hij door genade ons leven geworden. De zetel van ons leven is in Christus. Ons leven is met Christus verborgen in God.

J. N. Darby merkt hierbij op: Het is als met de leden van een lichaam. Zij leven omdat zij tot het lichaam behoren. Maar zij hebben dit leven niet in zichzelf, want als een lid wordt afgesneden, leeft het niet meer.

 

Gods getuigenis van de mens

De mens verwacht soms, dat God nog een goed getuigenis van hem zal geven. Romeinen 3 maakt echter aan alle menselijke illusies in dit opzicht een einde. De zonden en het ongeloof van de mens zijn de enige onderwerpen waarvan God moet spreken. Hoe anders was en is dat ook nu nog betreffende zijn Zoon. In Hem had God al zijn welbehagen gevonden. Het is van het grootste belang te mogen weten dat God ook in deze dagen van ontrouw een getuigenis geeft over zijn Zoon en wat Hij is voor de zondaar. Als we deze getuigenis van God in het geloof aanvaarden, zullen we vrede genieten. Maar zodra we menen op grond van eigen heiligheid een plaats in Gods oog te kunnen bereiken, is dit eigen gerechtigheid. Wanneer mijn ziel zich stelt aan de zijde van God en ik zijn getuigenis betreffende zijn Zoon aanvaard, dan bezit ik de getuigenis in mijzelf (1 Joh. 5 : 10). Christus, die in mij woont, is dezelfde die ook aan Gods rechterhand is. Paulus was hiervan overtuigd toen hij gebonden voor Agrippa stond en zei: "Ik wenste wel van God, dat... allen die mij heden horen, zodanigen werden als ook ik ben".

Al de spitsvondigheden van het ongeloof kunnen de ziel, die zó met Christus verbonden is, niet aantasten. Dikwijls zal men ervaren welke uitwerking het heeft op mensen van allerlei opvattingen, als men ze verzekert volkomen gelukkig te zijn in Christus, en de zekerheid te hebben, het eeuwige leven te bezitten. "Weet u dat zo zeker?" zullen zij vragen. "Ik wilde dat ik dat ook kon zeggen." Aan zulke mensen kunnen we alleen antwoorden, dat men in Christus moet geloven, want nooit is iemand gelukkig buiten Christus, wie hij ook zijn mag. Wij moeten bidden dat God het hart van zo iemand treft. Het is zo eenvoudig, en men maakt er menigmaal een puzzel van.

 

God tot een leugenaar maken

Hieraan maakt men zich schuldig als men de getuigenis die God geeft aangaande zijn Zoon, niet gelooft.

Velen zullen er met u over gaan twisten, als u zegt dat u weet verlost te zijn. Zij zullen vragen, hoe u dat kunt weten. Dat is hetzelfde als ontkennen dat God in staat is, wélke zegen dan ook aan de mens te schenken. Men trekt hierdoor Gods wijsheid in twijfel en ook zijn macht. Het gevaarlijke is, dat de boodschap van God menigmaal door zijn dienaren wordt achtergehouden. God heeft echter deze boodschap duidelijk gegeven en het is zijn recht in te grijpen, als het gaat om zijn gedachten, die Hij in zijn Woord heeft bekend gemaakt.

Telkens als God een openbaring geeft, is de mens verantwoordelijk deze aan te nemen. God heeft een getuigenis gegeven, waarin Hij de heerlijkheid van zijn Zoon openbaart. Indien de mens deze openbaring in twijfel trekt, dan twist hij met God betreffende de getuigenis van zijn genade die Hij ten toon spreidt.

 

Een heerlijke plaats

Op welk een bizondere plaats zijn wij gesteld. Als wij maar konden vrijkomen van de ijdelheid en aardse gezindheid, waarmee onze gedachten vervuld zijn, zouden wij veel meer genieten van al onze zegeningen. De verbinding die wij met God hebben, is dezelfde die Christus heeft. Hij heeft de toorn van God gedragen voor onze zonden, opdat deze volle beker van zegen ons deel zou kunnen worden. In dit alles verlangt God van ons eenvoud des harten.

Als wij in Christus zijn, kan Satan ons niet benaderen, en áls hij komt, zal hij Christus vinden, die hem heeft overwonnen.

Het is een gezegende wetenschap, dat iedere gelovige, al is hij gisteren wedergeboren, alles in Christus vindt wat ook iemand bezit die al lang op de weg des levens is. En als iemand zou menen een te groot zondaar te zijn voor zoveel zegeningen, kunnen we hem antwoorden met de woorden uit 1 Johannes 1 : 7.

"Het bloed van Jezus Christus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde".

B.L.