De weg van afzondering

 

II

 

Op grond van de Schrift zouden we kunnen spreken van drie vormen van afzondering. De eerste hebben we gezien in het voorgaande artikel; aan de tweede willen we nu gaarne onze aandacht schenken.

Deze tweede vorm wordt met name genoemd in Hebr. 13 : 10-14 en is door de Heilige Geest ook ontleend aan de schaduwbeelden van het oude testament.

 

Buiten de legerplaats

Op verschillende plaatsen in de Schrift zegt God met nadruk van zijn volk Isral, dat Hij hen voor Zich had afgezonderd uit alle volken der aarde, opdat zij Hem tot een erfdeel zouden zijn (Lev. 20 : 24 en 26; 1 Kon. 8 : 53). In het midden van dat afgezonderde volk mocht en kon niets wezen, dat in de heilige tegenwoordigheid van God niet zou kunnen bestaan. Daarom moest alles wat zondig en onrein was, worden geoordeeld en uit hun midden weggedaan. Verschillende voorbeelden worden daarvan genoemd. Een vloeker b.v. moest "buiten de legerplaats" worden gestenigd; een melaatse moest "buiten de legerplaats" blijven. Zo zouden nog meer dingen genoemd kunnen worden.

Dit gold evenwel niet alleen voor personen, maar ook voor bepaalde offers. Er waren namelijk dieren, waarvan, als ze geofferd werden, het bloed door de hogepriester gedragen werd in het heiligdom. Van deze dieren moesten de lichamen buiten de legerplaats worden verbrand. Het was alsof God daarmede wilde getuigen, dat deze dieren, die beladen waren geworden met de zonden van het volk, daarom niet mochten blijven in de legerplaats, in zijn heilige tegenwoordigheid. Zij moesten buiten de legerplaats worden verbrand!

Het bloed van deze dieren was door de hogepriester gebracht in het heiligdom en vr Gods aangezicht gesprengd op het verzoendeksel. Dat was nodig, want bloed sprak van verzoening en zonder bloedstorting is er geen vergeving! Door dat bloed van verzoening werd de heilige God bevredigd! Op grond daarvan kon God zijn volk weer aanzien en hun zijn genade en barmhartigheid bewijzen.

Nu spreekt de Heilige Geest in Hebr. 13 over Jezus, in wiens werk alle schaduwbeelden hun volkomen vervulling hebben gevonden. Hij wijst op Hem, het ware offer, dat op het kruis van Golgotha is gebracht! Daarom wordt in vers 12 van Hem gezegd "dat Jezus buiten de poort geleden heeft". Buiten de poort, dat is buiten Jeruzalem. Op Golgotha werd Hij op het vloekhout der schande tot zonde gemaakt en droeg Hij in zijn lichaam de zonden van allen die in Hem zouden geloven. Het volk der Joden, dat in die tijd uiterlijk weer geheel opging in de dienst van God, veroordeelde Hem ter dood buiten de legerplaats, buiten hun godsdienstig stelsel. Het behandelde Hem dus als een onreine, als een vloeker! Ontzettend zal het oordeel zijn, dat straks over dat volk komen zal, om hun vergrijp aan de Zoon van God.

 

Het bloed der verzoening

Zo deed de mens met Hem! Maar hoe was dit nu van de zijde van God? Onbegrijpelijk wonder! Diepte des rijkdoms, zowel van de wijsheid als van de kennis Gods! In dit werk, dat de mens in zijn haat verrichtte, heeft God zijn onnaspeurlijke gedachten van genade en erbarming over een gevallen mens ten hoogste verheerlijkt! Toen Jezus leed buiten de legerplaats, heeft God zijn aangezicht van Hem afgewend, omdat Hij Hem voor ons tot zonde maakte en omdat Jezus toen op het hout onze zonden in zijn lichaam droeg. Buiten de legerplaats verbrand! Blootgesteld aan de volle hitte van het vuur van Gods toorn over onze zonden! God kon in zijn heiligheid en gerechtigheid geen gemeenschap hebben met En die de zonden droeg en daarom moest Jezus in die bange ogenblikken uitroepen: "Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?" Aanbiddend mogen wij nu zeggen "Het oordeel dreigt niet meer, daar Gij het droegt, o Heer!" Immers Hij, die onze Heiland geworden is, heeft het vuur van Gods toorn over onze zonden ondergaan.

Er was evenwel in het oude testament niet alleen sprake van het verbranden der lichamen van dieren buiten de legerplaats, neen, er werd ook gesproken over het bloed van die bepaalde dieren. Dat bloed werd door de hogepriester gedragen in het heiligdom. Christus is z door God in het oordeel gebracht, dat wij mogen en kunnen zeggen dat Hij is geweest in het vuur van Gods toorn over de zonde. Van Hem getuigt de Heilige Geest "dat Christus, als Hogepriester der toekomende goederen, niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed in het heiligdom is ingegaan". Daardoor heeft Hij eens voor altijd een eeuwige verlossing verworven. Gode zij dank, Hij die leed buiten de legerplaats heeft door n offerande voor altijd volmaakt degenen die geheiligd worden. Christus Zelf bracht zijn bloed in het binnenste heiligdom; God rustte in zijn werk en aanvaardde zijn bloed als het bloed van verzoening en nu is het voor ons zo, dat "Hij in wie God Zelf kan rusten, ook voor ons het rustpunt is".

 

Tot Hem uitgaan

Maar hoe kunnen we nu tot Hem uitgaan buiten de legerplaats? Het is goed om deze vraag ook te beantwoorden aan de hand van hetgeen Gods Woord ons zegt. Uit het voorgaande is immers al gebleken, dat de Heilige Geest Jeruzalem "de legerplaats" noemt, want "buiten de poort" d.i. op Golgotha, heeft Jezus geleden. Dan volgt de opwekking om tot Hem uit te gaan, zijn smaad dragende! De Joden die Hem aan het kruis lieten nagelen, hebben na zijn dood in Jeruzalem de gehele joodse eredienst voortgezet. Maar al hun offeranden en hun gehele dienst waren volkomen waardeloos geworden, want Hij die het ware offer was, hadden zij verworpen. Wat een ontzettende smaad hebben zij Hem aangedaan!

Toch was het na de opstanding en hemelvaart van de Heer Jezus voor de gelovigen uit de Joden ontzaglijk moeilijk om te zien, dat al deze dingen, die God Zelf had ingesteld, nu geen betekenis meer hadden. Toen zij dan ook verschrikkelijk verdrukt en vervolgd werden om de naam van Jezus, kwam er in hun hart de gedachte op, om in meerdere of mindere mate maar terug te keren tot dat wat zij om Jezus' wil hadden prijs gegeven. God kwam hun echter in zijn genade tegemoet. Door de Heilige Geest heeft Hij hen in de brief aan de Hebreen overal gewezen op de alles overtreffende heerlijkheid van de persoon en het werk van Christus. In het laatste hoofdstuk wordt hun dan getoond hoe Jezus uitgeworpen en gekruisigd werd door hen, die in het wereldlijk heiligdom dienden. Hij werd uitgeworpen! Als ze dus zijn gemeenschap wilden genieten, moesten ze uitgaan tot Hem, buiten de legerplaats. Dan zouden ze met Hem zijn smaad moeten dragen. In Jeruzalem en de daar uitgeoefende dienst konden ze Hem niet vinden, maar daarbuiten zouden ze in Hem alles zien en vinden! Jeruzalem, waarnaar ze wilden terugkeren, was geen blijvende stad; de blijvende stad konden ze alleen zoeken en vinden bij Jezus! En als ze bij Hem zouden zijn, dan zouden ze door Hem Gode kunnen opofferen een offerande van lof, dat is de vrucht van de lippen die zijn naam belijden.

 

Niet naar eigen gedachten

In onze tijd is het niet anders. Want waar is nu de legerplaats? Daar waar mensen hun eigenwillige eredienst, die in Gods Woord niet te vinden is, hebben ingesteld. Daar, waar dikwijls GELOVIGEN en ONGELOVIGEN als een eenheid samenkomen in eigen bedachte systemen, stelsels en organisaties, waar de vrije werking van Gods Geest is uitgeschakeld. Daarom moeten de gelovigen uitgaan uit deze legerplaats en hun plaats innemen bij allen die de Heer aanroepen uit een rein hart. Dan zullen ze in wereldse godsdienstige kringen niet worden geerd of begrepen, misschien is er zelfs wel smaad aan verbonden, maar ze zijn bij Jezus, die wenst dat de zijnen rondom Hem vergaderd zullen zijn. Dat doen zij niet in een eigen gemeente, kerk, kring of sekte, maar dr waar alleen levende stenen, gebouwd op Christus die de hoeksteen is, Gode geestelijke offeranden opofferen, die Hem aangenaam zijn door Jezus Christus. Als we op zulk een wijze zijn uitgegaan, betekent dat, helaas, niet dat we dan samenkomen als de gemeente van God. Dat kan niet meer door de ontrouw van ons allen, maar wel zijn we dan samen als de twee of drie, in zijn naam, en met Hem Zelf in ons midden. Dan kunnen we wel, al zijn we maar met weinigen samen, uitdrukking geven aan de eenheid van het lichaam van Christus. Bij het breken van het brood en het drinken van de drinkbeker getuigen we dan aan de tafel des Heren, dat wij in Christus n zijn met alle kinderen Gods, waar ze zich ook bevinden op aarde en in welke systemen ze ook zijn mogen. Dat blijft waar, al hebben we ons ook van hun wereldse stelsels moeten afscheiden.

Zij die samen zijn rondom Jezus, verblijden zich in Hem, dragen zijn smaad, maar verheugen zich nu reeds in de toekomende stad, waarin de eenheid van de gemeente in haar volle heerlijkheid zal worden ontplooid!

H. Z.