OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 119

 

II

 

In het aprilnummer zijn we met deze overdenking gekomen tot en met vers 24 van deze Psalm. Nu willen we verder gaan met de volgende gedeelten van telkens 8 verzen.

 

Geen ware blijdschap

We doen goed te bedenken dat onze geestelijke positie niet gelijk is aan die van de gelovige IsraŽliet onder de oude bedeling. In Christus hebben wij een veel hogere plaats gekregen. Maar de konsekwentie is, dat onze geestelijke toestand ook hoger moet staan. Natuurlijk heeft de gelovige van deze tijd wel dezelfde zielservaringen. Dat ondervindt ieder, als hij het oude testament leest.

In de verzen 25-32 lezen we over een bedrukte ziel. Hij is innerlijk bezorgd en daarom kleeft zijn ziel aan het stof en schreit van kommer. Kennen wij ook niet zulke ogenblikken in het leven? Het is niet altijd een gevolg van zonden. Mogelijk houdt het hart zich bezig met de wegen die de Heer met hem gaat. De gelovige wil wel de weg der waarheid gaan en hij stelt zich de verordeningen van God voor de aandacht en klemt zich vast aan zijn getuigenissen. Toch is hij niet werkelijk gelukkig. Vandaar dat de wens in zijn hart leeft, dat God zijn hart zal verruimen.

Als wij nu ons standpunt in Christus begrijpen, zal het voor ons niet moeilijk zijn, om ons in Hem te verblijden. Aan de gelovigen in Filippi schrijft de apostel:

"Verblijdt u in de Heer te allen tijde".

Paulus beleefde dit praktisch. Wanneer we echter met onszelf bezig zijn, of met de omstandigheden, zal de ziel spoedig aan het stof kleven en gebukt zijn weg gaan. Ik geloof dat vele gelovigen zuchtend hun weg gaan, omdat hun hart niet verruimd is. Zij zien niet de vrijheid van de heerlijkheid van Gods kinderen. Niet alleen dat de weg der leugen van ons geweerd moet worden, dat is de negatieve zijde, maar de ziel moet ook een open oog hebben voor de zegeningen die in Christus ons deel zijn. Het gevolg zal zijn:

"Als mijn oog op Jezus ziet,
wankel en versaag ik niet".

Mochten vele zielen, die de vreugde des heils missen, omdat zij op zichzelf zien, hun blik omhoog richten. Als zo hun hart verruimd is, zullen zij genieten van het geloofsleven in gemeenschap met de Heer.

 

Afhankelijkheid

In de verzen 33-40 springt vooral naar voren de gedachte, hoe wij in alles van de Heer afhankelijk zijn. Deze 8 verzen zijn eigenlijk ťťn gebed, in verschillende toonaarden, waarin deze afhankelijkheid wordt uitgesproken. Achtereenvolgens lezen we: "Onderwijs mij"; "geef mij verstand" (geestelijk verstand natuurlijk); "doe mij betreden"; "neig mijn hart"; "wend mijn ogen af'; "bevestig uw belofte"; "wend mijn smaadheid af"; "maak mij levend". Uit alles blijkt dat de ziel voelt de Heer nodig te hebben. Het is ook alsof ons hier de gehele mens, in geestelijk opzicht, voor de aandacht wordt gesteld. De psalmist spreekt van het verstand (het hoofd), zijn treden (de voeten) en ook van het hart en de ogen. De wens leeft in het hart om met de gehele persoon aan God gewijd te zijn. Alle krachten en toegenegenheden moeten voor de Heer zijn.

We vinden hier een gelovige, die zich niet alleen bewust is bekeerd te zijn, maar die er zijn vreugde in vindt, dat hij de vreze des Heren is toegedaan (vs. 38). Hij heeft er lust in het pad van Gods geboden te betreden (vs. 35) en hij wil dat doen met een toegewijd hart. Dat kan hij echter niet in eigen kracht en daarom drukt hij zijn afhankelijkheid uit in een achtvoudig gebed. Gehoorzaamheid en afhankelijkheid horen bij elkaar. Mogen beide dingen ook ons meer kenmerken. De wens om gehoorzaam te zijn, zal het kind doen vragen naar de wil van de vader. De gelovige vindt die in de bijbel. Bij het volbrengen van die wil, gevoelt hij zijn afhankelijkheid en daarom zoekt hij kracht in het gebed.

De laatste woorden van vers 40 hebben natuurlijk niet de betekenis: "maak mij arme zondaar levend". De psalmist was immers een levendgemaakte ziel, zoals blijkt uit de voorgaande verzen. Naar mijn mening moeten we deze woorden lezen in de zin van: "Laat mij als gelovige levend gevonden worden in de weg der waarheid, naar uw gerechtigheid''.

 

De goedertierenheid des Heren

De verzen 41-48 beginnen met de vermelding van de goedertierenheid des Heren. Daar vertrouwt de psalmist op, naar de belofte en het woord van de Here.

Het is heerlijk voor ons dat wij, die de toezeggingen van God bezitten in zijn Woord, daarop mogen rekenen door het geloof. We kunnen ze ons toeŽigenen. En hoe talrijk zijn de beloften die, de Heer aan de zijnen gegeven heeft.

De gelovige IsraŽliet spreekt nog van iets anders dat hem bezighoudt. Wanneer de goedertierenheid van de Heer over hem zou komen, wilde hij daarvan getuigen tegen hen die hem smaadden. De vijand mag lasteren; de gelovige kan hem van repliek dienen door te wijzen op zijn heerlijk deel. Maar de ziel heeft ook zelf het genot van de goedheid des Heren. Hij kan daar niet van zwijgen. Hij schaamt zich er niet voor daarvan te getuigen, zelfs voor de groten der aarde of voor wie dan ook. Geve de Heer ook ons genade om bij de ondervinding van Gods goedheid, daarvan vrijmoedig te spreken in deze wereld, tot eer van zijn naam. Hoe gemakkelijk kan valse schaamte ons weerhouden om een ogenblik openlijk voor onze Heer uit te komen. Denken we maar aan Petrus.

 

Het geloof beproefd

In de verzen 49-56 lezen we dat de ziel spreekt over zijn ellende, over de spot van de overmoedigen. Temidden van zulke mensen voelt hij zich eenzaam, een vreemdeling (vs. 54).

Bij de overdenking van Psalm 119 komt telkens weer naar voren, dat we hier in de eerste plaats te doen hebben met de ervaringen van het getrouwe deel van IsraŽl in de toekomst. Toch zien we er ook in welke gedachten de Heer Jezus hebben beziggehouden toen Hij hier op aarde wandelde. Hij was een vreemdeling temidden van zijn vijanden en werd bespot door overmoedige mensen.

Maar ondanks alle verachting en tegenstand, ondervond het geloof van de psalmist veel troost en bemoediging. Waarin vond hij dan zijn troost? Altijd weer in het Woord en in de beloften des Heren.

Ook nu is dit nog, in alle omstandigheden van het leven, het enige waaraan het geloof zich kan en mag vastklemmen. Het oordeel over de verdrukkers ligt te allen tijde in Gods hand. Als de psalmist denkt aan de oordelen in vroeger tijden, dan grijpt de verontwaardiging vanwege de goddelozen hem aan, omdat zij de wet Gods verlaten hebben. Voor hemzelf zijn de inzettingen des Heren als muziek. De tijdelijke verdrukkingen verminderen niet zijn vreugde, die hij vindt in het Woord des Heren. Dag en nacht zijn deze inzettingen hem tot troost en bemoediging. Praktisch is dit echter alleen het deel van hen, die de bevelen des Heren bewaren. Moge de Heer ons allen, als wij iets van deze verdrukking ondervinden, die genade verlenen.

 

J. A. Vellekoop