De "bloedtheologie" in Genesis

V

 

Het dierenoffer van Abraham

 

In het vorige nummer hebben we aandacht geschonken aan de koe en de geit, die in Genesis 15 : 9 het eerst genoemd worden. Rest ons nog te overwegen welke betekenis de driejarige ram, tortelduif en jonge duif hebben.

Eerst willen we dan letten op de driejarige ram, of

 

Het schaap

Het weerloze en gewillige schaap wordt in Jesaja 53 als een beeld van de Heer gebruikt.

"Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam, dat ter slachting geleid wordt en als om schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open" (Jes. 53:7).

Hieruit blijkt, dat dit dier in de eerste plaats spreekt van gewillige zelfovergave. De overgave van de Heer Jezus wordt in de Schrift vaak verbonden met de gedachte aan onze zonden. Zo moge het schaap ons er aan herinneren, dat de Heiland Zichzelf voor ons tot een schuldoffer heeft gesteld. We vinden deze gedachte ook in Jesaja 53 : 10:

"Wanneer hij zichzelf tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zienÖ"

Het eerste offerdier, de koe, spreekt dus over de betekenis van het kruis voor God. Het tweede, de geit, van de betekenis van het kruis voor de schepping en de zondaar, die in "zonde is geboren".

Het derde dier, het schaap, getuigt in mooie harmonie van de betekenis die het kruis heeft gehad voor de Heer Jezus, en die het nog altijd heeft voor ieder, die belast met zonden tot Hem de toevlucht neemt.

Achtereenvolgens zien we hierin dus de gedachte van het brandoffer, zondoffer en schuldoffer.

In Rom. 4 :25 lezen we van deze overgave van de Heer:

"welke overgegeven is om onze zonden"

en in 1 Petr. 2 : 22-24:

"hij, die geen zonde gedaan heeft en geen bedrog is in zijn mond gevonden, die, als hij gescholden werd, niet wederschold; als hij leed, niet dreigde, maar zich overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt; die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout... "

Merk op, dat in 2 Kor. 5 :21, waar het om het zondoffer gaat, de formulering luidt: "die geen zonde gekend heeft", hier bij het schuldoffer: "gedaan heeft".

Het feit dat Hij gewillig leed, wordt opnieuw verbonden met onze zonden, met de gedachte aan het schuldoffer.

Ook de dichter heeft dit gedaan in het lied, dat we zo graag zingen, waaraan het derde offerdier ons herinnert:

Lam van God, Gij daaldet neder, uit des Vaders heerlijkheid
Hebt gewandeld, hier op aarde, heil verspreidend, God gewijd.
Zwijgend leedt Gij, zonder klagen - met een eindeloos geduld
hebt Ge aan 't kruis van onze schuld, willig al de last gedragen.
Dank zij u, o offerlam, die het oordeel op u nam!

(Geestel. lied. 154: 2)

 

De vogels

De eerste drie dieren behoorden tot het zich op aarde voortbewegende tamme vee. (Nimmer wordt in de bijbel over het offeren van wilde roofdieren gesproken - dat zou dan ook in strijd geweest zijn met het karakter van het ware offer. De Heer Jezus leefde en stierf in gehoorzaamheid en overgave!)

Vervolgens vragen nu twee vogels onze aandacht.

In de Schrift wordt bij voorkeur gesproken over: "De vogelen des hemels". Dit houdt ongetwijfeld een aanwijzing in voor de symbolische betekenis van deze dieren. De machten of personen die er door worden voorgesteld, behoren niet tot de aarde, maar hebben hun tehuis in de hemelse gewesten.

Zodra het om het offer gaat, leren de vogels ons nu - vroeger wezen zij er profetisch op - dat het ware offer niet "uit de aarde, stoffelijk" zou zijn, zoals wij mensen, maar dat zijn afkomst zou zijn van hemelse oorsprong (zie 1 Kor. 15 : 47).

Deze werkelijkheid wordt ons in het bizonder in het evangelie naar Johannes voorgesteld.

"Het Woord was bij God en het Woord was God"...

"Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond..." (Joh. 1 : 1 en 14)

"Niemand is opgevaren in de hemel, dan die uit de hemel nedergekomen is, de Zoon des mensen, die in de hemel is" (Joh. 3 :13).

Onder de pericoop "de vogels deelde hij niet", gaan we nog nader hierop in.

 

De tortelduif

Deze vogel vinden we enkele malen in de bijbelboeken Hooglied (2 : 12), Jeremia (8 : 7) en Psalmen (74 : 19). Het vogeloffer van Abraham bestond uitsluitend uit duiven. In het algemeen spreekt deze vogelsoort ons van oprechtheid (Zie Matth. 10 : 16).

De in het bizonder genoemde "tortelduif" wordt in het Hooglied genoemd in verband met de liefde; in Psalm 74 in verband met het lijden en de smart; in Jeremia in verband met het kennen van de gezette tijden en het recht des Heren.

Zo getuigt deze vogel wel van Hem, die uit liefde tot de zondaar, en in de volheid des tijds verscheen, om te worden de Man van smarten.

"De tortelduif neemt de tijd van zijn komst in acht" (Jer. 8 : 7). Hoe heeft ook de Heer zijn tijden in acht genomen. We herinneren slechts aan de uitdrukkingen:

"Mijn tijden zijn in uw hand". "Vrouw, mijn ure is nog niet gekomen". "En hij moest door SamariŽ gaan". "De ure komt en is nu". "Ik moet werken zolang het dag is, de nacht komt, waarin niemand werken kan".

En hoe heeft de Heer Jezus liefgehad!

"Vůůr het feest van het pascha nu, Jezus wetende, dat zijn ure gekomen was, dat hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader, alzo hij de zijnen, die in de wereld waren liefgehad had, zo heeft hij hen liefgehad tot het einde" (Joh. 13: l).

En hoe heeft Hij in verband met dit einde moeten lijden!

"Aanschouwt en ziet of er een smart is als de smart die mij werd aangedaan" (Klaagl. 1 : 12).

 

O, man van smart, dat ieder voor u kniel',
Gij droegt geheel de krankheid onzer ziel.
't Was onze smart die op uw schedel viel,
ons overtreden heeft u verwond,
om de ongerechtigheden, door ons begaan,
zijt Ge in dit leed gekomen.
De straf, die ons de vrede toe doet stromen,
die naamt Gij aan.

 

De jonge duif

De nakomelingen van Abraham kenden in de woestijn en in het beloofde land vele offerdieren. God wilde het voor iedere IsraŽliet mogelijk maken een offer te brengen. Was iemand te arm om een koe of schaap te betalen of af te staan - welaan, de wet stond hem toe dan slechts twee jonge duiven te offeren. Ongetwijfeld heeft God bij dit voorschrift vooruitgezien naar de volheid des tijds. Daar zien we Jozef en Maria in grote armoede naar Bethlehem trekken. De Heiland der wereld werd geboren in een stal, gewikkeld in lappen en gelegd in de kribbe. Zo arm waren zijn ouders, dat zij tot de reiniging moesten grijpen naar de oplossing, die God in de wet voor de armen had gegeven. Twee jonge duiven werden door hen geofferd (Zie Lukas 2 :24). De jonge duiven spreken dus van de armoede. Het is in dit verband, dat de apostel de herinnering van de KorinthiŽrs wakker schudt met de woorden:

"Want gij kent de genade van onze Heer Jezus Christus, dat hij, rijk zijnde, om uwentwil arm is geworden, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden" (2 Kor. 8:9).

Met het oog op, deze armoede zegt Filippenzen 2 : 7:

"Hij heeft Zichzelf vernietigd".

 

Het delen van de stukken

Abraham heeft niet alleen de offerdieren gehaald en gedood. Neen, maar "hij deelde deze midden door en legde de stukken tegenover elkander". Ongetwijfeld gebeurde dat met het oog op de gebruikelijke verbondsprocedure, waaraan dan ook in Jeremia 34:18-19 wordt herinnerd. We gaan in deze artikelenreeks niet nader op deze verbondskwestie in, maar menen dat uit deze symbolische handeling nou enkele andere dingen zijn te leren.

Ook na de wetgeving moesten de offers in stukken worden gedeeld. De stukken kregen in de wetsvoorschriften zelfs allerlei verschillende bestemmingen. Daar stond het in stukken delen dan ook niet in verband met een te sluiten verbond. Veeleer had het ten doel, de innerlijke aard van het offer bloot te leggen.

Laten we er deze les uit trekken, dat we maar niet oppervlakkig bij het offerwerk van Christus moeten stilstaan. Veel christenen verkeren in de mening, dat het prachtig is dat ze bekeerd zijn, en dat hun enige roeping nu bestaat in het getuigen tegenover anderen, van 's Heren werk en eventueel van 's Heren komst. Nu, dat is alles goed en nodig, maar er is meer.

God wil, dat we onderzoeken wat de betekenissen zijn van Christus' werk. Dat we leren wie Christus was, en wat Hij openbaarde in zijn leven en sterven en opstanding.

Zo leefde ook bij Paulus de bede:

" Opdat ik hem kenne, en de kracht van zijn opstanding en gemeenschap aan zijn lijden" (Filippi 3 : 10).

Naarmate dat meer het geval is, zal ook Christus meer gestalte in ons verkrijgen.

J. Ph. F.