Beelddragers van God

(Slot)

 

In het eerste artikel hebben we gezien hoe wij met onze oren moeten luisteren naar Gods Woord, onze ogen gericht moeten zijn op Jezus en onze wandel behoort overeen te stemmen met de nieuwe positie waarin wij gebracht zijn. Alleen dan kunnen wij beelddragers van God zijn.

Nu willen we ons bezighouden met de functie van onze handen, mond en gedachten.

 

Handen

In Leviticus 8 : 24 lezen wij dat Mozes het bloed van de ram streek aan de rechter oorlel, de rechterteen en de rechterduim van Ašron en zijn zonen. Eerder konden zij hun priesterlijke dienst in de tabernakel niet vervullen. Bij het luisteren naar de wetten des Heren, het gereed maken van de offers en het binnengaan in de tabernakel, was het noodzakelijk dat zij vooraf met bloed bestreken werden. De gelovigen van deze tijd zijn ook priesters. Als zij luisteren naar Gods Woord, bij hun doen en laten in deze wereld, moeten zij rekening houden met het op Golgotha gestorte bloed. Ook voor het gebruik van onze handen geldt, dat wij ons telkens moeten afvragen of wij rekening houden met het feit, dat wij verlost zijn door het kostbare bloed van Christus. Al is het in Exodus enigszins anders bedoeld, toch gelden ook voor ons de woorden: "Gij zult rekening maken naar het lam".

Neem mijn handen, dat zij ít merk
dragen van uw liefdewerk.

Met de handen wordt veel goeds gedaan, maar ook ontzaglijk veel kwaad. De bijbel geeft tal van voorbeelden, van het ťťn zowel als van het ander. Eva greep naar de verboden vrucht. KaÔn doodde zijn broeder. De soldaten namen Jezus gevangen en verrichtten tenslotte de aller-vreselijkste daad door Hem aan het kruis te nagelen. Houden wij, bij het gebruik van onze handen, rekening met zijn doorboorde handen? Zijn handen waren tot zegenen steeds bereid en zijn het nog.

Wanneer wij beelddragers van God willen zijn in de praktijk, dan moeten wij bij het gebruik van onze handen de Heiland volgen, ook in zijn zegenende werkzaamheid.

Zowel in geestelijke als in lichamelijke zin behoren we te doen wat de Prediker zegt:

"Al wat uw hand vindt om naar uw vermogen te doen, doe dat" (Prediker 9 :10).

Paulus heeft beide gedaan. Hij was tentenmaker en apostel.

 

Mond

Ook wat het gebruik van de mond betreft, is het Gods bedoeling, dat de mens een beelddrager van Hem zal zijn.

Tot IsraŽl sprak God twee keer dat zij heilig moesten zijn, omdat Hij heilig is (Lev. 11 : 45: 19 : 2).

Petrus haalt deze woorden aan als hij aan de gelovigen schrijft. Ze zijn dus ook voor ons bestemd.

Ook in ons spreken verlangt God, dat wij de heiligheid nastreven. In Efeze 5 : 4 wordt de gelovige vermaand geen zotte of losse taal in de mond te nemen, omdat dit onbetamelijk is. Helaas moest de apostel Jakobus in hfdst. 3 : 10 schrijven:

"Uit dezelfde mond komt zegen en vloek. Dit moest niet zo zijn, mijn broeders!"

Hoeveel woorden, die verre van heilig zijn, worden er door gelovigen niet gesproken? Hoeveel woorden, die van weinig liefde getuigen? Hoeveel wordt in onze huizen in verkeerde zin gesproken over andere gelovigen, zelfs waar kinderen bij zijn?

Is ons woord altijd in genade en met zout besprengd? (Kol. 4 : 6). De Heer Jezus wist steeds wanneer Hij spreken en wanneer Hij zwijgen moest. Hij wist met de moede een woord ter rechtertijd te spreken (Jes. 50 : 4). Maar Hij was ook in staat door zijn woorden de farizeeŽn de mond te sluiten. Hij zweeg toen men Hem lasterde, maar Hij sprak toen een moordenaar aan het kruis Hem om genade bad.

Wij mogen wel het gebed van de psalmist:

"Here, stel een wacht voor mijn mond, waak over de deuren van mijn lippen" (Psalm 141:3)

voortdurend opzenden tot God.

 

Gedachten

We kunnen soms zo uit volle borst zingen:

"Met mijn gedachten, woorden en daan,
met al mijn krachten, bid ik Hem aan".

Op datzelfde ogenblik zijn onze gedachten misschien met heel andere dingen bezig.

Gods gedachten over de mens waren gedachten van vrede. Toen de mens in het paradijs gezondigd had, gingen Gods gedachten uit naar een middel om die mens toch nog te redden. Nu wij gered zijn, denkt God nog steeds aan ons ten goede. Met de psalmist mogen we zeggen:

"De Here gedenkt mijner" (Psalm 40: 18).

Hij die de werelden dacht en zij waren, voor wie alle volken tezamen geacht zijn als een stofje aan de weegschaal (Jes. 40 : 15), denkt ook aan mij, hoewel ik in zijn ogen slechts gelijk ben aan het 2500 miljoenste deel van dat stofje. Gods gedachten zijn werkzaam tot heil van de mens.

Waar houden onze gedachten zich mee bezig? Zijn wij ook in dit opzicht beelddragers van God? Zijn onze gedachten bezig met hen die de Heer nog niet kennen? Bidden en werken wij daarvoor in het evangelie? Denken we verder wel aan hen die in grote zorg zijn en trachten we dan hen te helpen? Laten we toch veel zien op Hem, onze grote Hogepriester, die altijd aan ons denkt en met ons meelijdt. Toen Hij aan het kruis hing, dacht Hij aan zijn vijanden en vroeg aan zijn Vader vergeving voor hen. Ook aan zijn moeder dacht Hij. Het gevolg was dat zij niet onverzorgd bleef, maar dat Johannes haar meenam naar zijn huis.

Toen de Heer op aarde was, waren de gedachten van de Vader met zijn Zoon bezig. De hemel werd geopend en de Vader zei: "Deze is mijn geliefde Zoon". Op weg naar het kruis waren de Vader en de Zoon tezamen, zoals eens Abraham en Isašk op de Moria. Zijn ook onze gedachten vervuld met wat Jezus voor ons deed? God kent van verre onze gedachten. Voor Hem is niets verborgen. Mogen wij allen daarmee rekening houden.

 

J. H. v. d. B.