OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 119

 

I

 

De knecht des Heren

Het is mijn bedoeling enkele opmerkingen te maken over sommige gedeelten van deze langste van alle psalmen. Naar ik hoop zal dit van dienst zijn voor onze harten en ons geestelijk leven. Dat wil niet zeggen dat andere verzen, waaraan ik voorbij ga, niet van betekenis zijn. Ik wil de lezers dan ook aanraden de gehele Psalm ernstig te overdenken.

Naar mijn mening vinden we in deze Psalm de geest van Christus, die op aarde de volmaakte knecht des Heren was (vs. 17). Niet minder dan 12 keer noemt de psalmist zich "uw knecht" (zie de verzen 17, 23, 38, 49, 65, 76, 84, 122, 124, 135, 140, 176).

Zoals reeds opgemerkt, is het niet Christus Zelf die deze woorden spreekt, maar de geest van Christus verbonden met de getrouwen van Isral in de toekomst. Van Christus kan nooit gezegd worden wat we lezen in de verzen 67 en 176. Daarentegen zijn er andere verzen, die wel op Hem persoonlijk kunnen worden toegepast (zie b.v. de verzen 99 en 100). Maar de geest van Christus vinden we in de gehele Psalm.

 

Het Woord des Heren

Er is in deze Psalm haast geen vers, waarin niet genoemd wordt: het woord, de inzettingen, de verordeningen, de getuigenissen, de geboden, de bevelen of de wet des Heren. Daaruit blijkt duidelijk dat we ook hier weer op het standpunt staan van het oude verbond. Dit neemt niet weg, dat er ook voor ons, die in de tijd van de genade leven, veel uit deze Psalm te leren is. We moeten zelfs beschaamd zijn, als we opmerken hoe groot de liefde van de psalmist voor het Woord van Jehova was. In elke afdeling van 8 verzen schittert ons deze gezindheid tegen en met de hulp des Heren willen we trachten hieruit lering te trekken voor ons hart en geestelijk leven.

 

Welzalig

Psalm 119 is n van de zes Psalmen die begint met het woord "Welzalig", dat, vrij weergegeven, misschien de betekenis heeft van "bizonder gelukkig". De andere Psalmen met deze aanhef zijn Psalm 1, 32, 41, 112 en 128.

De eerste drie verzen van Psalm 119 hebben veel overeenkomst met de inhoud van de eerste Psalm. In het 4e vers spreekt de ziel tot de Heer Zelf en herinnert hij zich het gebod van de Heer, dat de gelovigen zijn bevelen zullen bewaren. In Johannes 14 en 15 spreekt de Heer Jezus ook tot ons, dat wij zijn Woord en zijn geboden zullen bewaren. Hij voegt er daar aan toe dat de liefde tot Hem ons in staat kan stellen om dit in praktijk te brengen. We doen immers graag naar de wensen van iemand die we liefhebben?

In vers 5 lezen we de verzuchting van de psalmist, dat zijn wegen toch altijd in overeenstemming mogen zijn met de inzettingen van de Here. Hij weet dat hij dan niet beschaamd zal uitkomen. Zou er wel ooit iemand teleurgesteld zijn door het bewaren van de geboden des Heren? Zeer zeker niet. Laten we daar telkens aan denken.

Het leren van de rechtvaardige verordeningen Gods heeft tot gevolg een lofzang met een oprecht hart. Alle dingen moeten terugkeren in lof en dank tot Hem van wie alle dingen zijn.

Maar ieder die wil leven in overeenstemming met de wil en gedachten van God en zijn geboden wil bewaren, heeft zelf nodig door de Heer bewaard en geleid te worden. Daarom eindigt de eerste afdeling van deze Psalm met de woorden "verlaat mij niet geheel en al". Alleen in Hem ligt onze kracht om te doen wat de Heer welbehaaglijk is.

 

Een hartezaak

De enige veilige gids voor de gelovige, of hij jong of oud is, is in alle eeuwen het Woord van God. Dit geldt voor alle verhoudingen in het leven. De man, de vrouw, het kind, werkgever en werknemer, allen vinden in het Woord de voorschriften voor hun speciale plaats en verantwoordelijkheid.

In vers 9 denkt de psalmist vooral aan de jongeling. Hoe kan de jonge gelovige man of vrouw het pad des geloofs rein bewaren? Alleen als hij dat houdt naar het Woord van God. Dan moet dat Woord niet alleen verstandelijk gekend worden, maar vooral een plaats hebben in het hart (vs. 10, 11). Er kan een zekere kennis van het Woord zijn, zelfs inzicht en onderscheidingsvermogen in geboden en inzettingen, maar daardoor wordt de gelovige niet bewaard. Gods Woord moet een plaats hebben in het hart, want dat is de zetel en het centrum van de menselijke overwegingen. Vooral voor jongemensen bestaat het gevaar dat het Woord te hoog zit, in het hoofd, in plaats van in het hart. Dan zal deze kennis niets anders uitwerken dan hoogmoed en eigendunk. Wanneer het Woord echter een hartezaak wordt, dan zal de gelovige voor zichzelf de weg weten en zal hij ook tot anderen kunnen spreken (vs. 13).

In de weg van Gods getuigenissen (vs 14) vindt de gelovige echter niet alleen zekerheid welke weg hij moet gaan, er is daar ook reden tot blijdschap. Wat in de wereld gevonden wordt, geeft geen waar geluk. Rijkdom en eer mogen aantrekkelijk zijn voor de natuurlijke gevoelens, zij bevredigen het hart niet. De ware blijdschap vindt de ziel in het Woord. Daarin spreekt, in het bizonder voor ons, de Vader tot zijn kinderen. Dat bewerkt gemeenschap met de Vader, waardoor ook de jongeling zijn pad zuiver kan houden.

 

Knecht en vreemdeling

De gelovige mag niet alleen weten dat hij verlost is van zijn zonden, hij is ook het eigendom van de Heer geworden. In de verzen 17-24 wordt tweemaal gesproken over de knecht des Heren. Een knecht heeft als bizondere roeping om het woord van zijn meester te bewaren. Hij behoort niet te vragen wat hijzelf graag wil, maar naar de wil van zijn heer. Zo moet het ook zijn met de gelovige wat betreft zijn dienst tegenover de grote Meester. Al zou het gebod van de Meester ook helemaal tegen eigen gedachten indruisen, toch moet de dienstknecht gehoorzamen.

Als iemand een knecht van de Heer is, moet hij altijd naar boven zien. Omdat de Meester in de hemel is, is de dienstknecht een vreemdeling op aarde (vs. 19). Wel zeer duidelijk ontdekken we hier de geest van Christus. Bij Hem was er een volmaakte eenstemmigheid met de wil van God. Hij was werkelijk een vreemdeling toen Hij op aarde wandelde.

Bij Paulus, die zich een navolger van Christus noemt, vinden we dezelfde dingen, hoewel onvolkomen. Bij ons moet het ook zo zijn. Het vreemdeling zijn op aarde brengt uit de aard der zaak bezwaren mee, want het terrein waarop we ons bevinden is dat van de vijand. Dat blijkt ook uit deze verzen. De dienstknecht stelt echter de smaad en verachting in de hand van de Meester. Een vreemdeling heeft op aarde geen rechten en kan daar ook geen eisen stellen. Zijn verwachting is alleen van boven en zijn opdracht om de inzettingen van zijn Meester te overdenken en te doen. Gelukkig als het hart daarmee tevreden is en er zelfs zijn verlustiging in vindt. Dan zal het vreemdelingschap geen bezwaar zijn.

J. A. Vellekoop