Beelddragers van God

I

 

Gods opdracht

Toen God de mens schiep, deed Hij dat naar zijn beeld en naar zijn gelijkenis (Genesis 1 :26).

De bedoeling van God was, dat de mens zich in overeenstemming daarmede zou openbaren, zodat men hierdoor een beeld kon krijgen van wie God is.

Wij weten hoe de mens daarin volkomen gefaald heeft en sindsdien ziet God die mens niet meer als zijn beelddrager, maar als een toonbeeld van zonde en ongerechtigheid. Wat is het wonder groot, dat God de mens niet losliet, maar een weg vond in de overgave van zijn enige, veelgeliefde Zoon, waardoor het mogelijk werd dat God een nieuwe mens kon scheppen (Efeze 2 : 15).

Opnieuw krijgt nu de mens, die door het bloed van Christus gereinigd is en daardoor tot de nieuwe schepping behoort, de opdracht van God om in deze wereld zijn beelddrager te zijn.

Wij weten wat daarvan terecht gekomen is, maar... geprezen zij Gods naam, wij zijn thans geschapen in Christus Jezus (Efeze 2 : 10). God ziet ons in Christus aan. Van het verliezen van een paradijs is geen sprake meer, sinds wij gedaan hebben wat de dichter zegt:

"Wie 't paradijs wil vinden, moet over Golgotha".

Toch blijft voor ons als gelovigen, die behoren tot een nieuwe schepping, de opdracht van God gehandhaafd. Ziende op Jezus moeten wij trachten ons overeenkomstig dit nieuwe leven te openbaren. Wij hebben onze leden voor God te stellen tot werktuigen der gerechtigheid (Rom. 6 :13). Wij moeten dus onze oren, ogen, voeten, handen, mond en gedachten richten op die dingen, die voor de Heer welbehaaglijk zijn. In verband hiermede is het misschien nuttig onszelf eens af te vragen of wij aan deze wens van God voldoen.

 

Oren

In Nehemia 8:4 lezen wij dat het gehele volk aandachtig hoorde naar het lezen van het wetboek. Van de gemeente als geheel kan helaas niet gezegd worden, dat zij het oor gericht heeft naar het Woord van God. Het komt nu aan op het persoonlijk luisteren naar wat het Woord zegt.

Van de Heer Jezus, de enige mens die als zijn beelddrager volkomen aan de wil van God voldeed, wordt gezegd in Psalm 40 : 7: "Gij hebt mij geopende oren gegeven" en in Jesaja 50 : 4: "Hij wekt mij het oor opdat ik hore". Dat deed Hij elke morgen. Elke nieuwe dag legde Hij het oor te luisteren naar wat God voor die dag van Hem verlangde. Doen wij dat ook? Zeggen wij ook met SamuŽl: "Spreek Heer, want uw knecht hoort?" Beginnen we de dag steeds met Gods Woord te lezen in ons gezin of persoonlijk? Daarin spreekt God tot ons. Ja, is het zo dat het Woord werkelijk nog tot ons spreekt? Of wordt het lezen dan misschien zo iets van een opgelegde plicht? Hebben wij het niet eens ervaren, dat een bepaald gedeelte uit de bijbel dat we 's morgens lazen, ons zo'n bizondere kracht en moed gaf, juist voor die dag van bange zorgen?

't Kan ook zijn, dat we op een bepaalde dag in grote verleidingen komen en we daarvoor niet bezwijken omdat God ons aan het bijbelwoord herinnerde, dat we juist 's morgens gelezen hadden. Moge er bij ons steeds meer gevonden worden een gehoorzaam luisteren naar Gods wil, geopenbaard in zijn Woord.

We zullen dan horen hoe wij als beelddragers van Hem ons hebben te openbaren.

 

Ogen

Ook met betrekking tot het gebruik van onze ogen, hebben we een voorbeeld in de persoon van onze Heer.

Van Hem staat geschreven, dat Hij met ontferming bewogen werd bij het zien van de schare. Toen Hij Maria zag wenen, nam Hij deel aan haar droefheid. Hij zag ZacheŁs en nodigde hem uit voor een gesprek, waarvan wij de gezegende gevolgen weten.

Zijn ogen waren gericht op hen, die zijn hulp zo dringend nodig hadden. Hij kon zeggen: "Die Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien". Hij was dan ook werkelijk beelddrager van God. Zijn ook onze ogen gericht op hen die geestelijk en lichamelijk onze hulp nodig hebben? Of moet tot ons gezegd worden wat in Matth. 18 :9 staat?

Wat kan het verkeerd gebruik van het oog menigmaal oorzaak zijn, dat de gemeenschap met onze Heer verbroken is, omdat het gericht was op dingen of personen die zich plaatsten tussen de Heer en ons, zodat er geen gebaande weg was tussen ons hart en dat van de Heer (Psalm 84 : 6). Het verkeerde gebruik van onze ogen kan ons brengen tot zondige daden (2 Sam. 11 :2). Wat kan voorts het steeds maar zien op onze zorgen, onze levensvreugde temperen. Hoe kan ook het zien op personen, die ons op enigerlei wijze onaangenaam behandeld hebben, onze harten ongelukkig maken. Hoe vaak bedroeven wij het hart van God en toch blijft zijn oog vol liefde op ons gericht. Mochten we toch meer de gezindheid van Christus hierin openbaren.

 

Voeten

Van de natuurlijke mens wordt in Rom. 3 :15 gezegd, dat zijn voeten snel zijn om bloed te vergieten. Nadat onze voeten zich gericht hebben naar het kruis van Golgotha, worden wij in Efeze 6 : 15 vermaand onze voeten te schoeien met de toebereiding van het evangelie des vredes. Wanneer wij spreken over onze voeten, dan denken wij aan onze wandel. In 't bizonder in het nieuwe testament worden ons vele aanwijzingen gegeven hoe wij deze te richten hebben. Maar ook het oude testament spreekt daarvan. Zo zegt God o.a. tot Abraham in Genesis 17 : 1:

"Wandel voor mijn aangezicht en wees onberispelijk."

Voor Gods aangezicht, dat betekent dus onder het toeziend oog van God. Dat is ernstig, maar geeft ook rust. Zoals een kind dat lopen leert, zich veilig weet, omdat vaders oog op hem gericht is, zo staat ook van IsraŽl in Hosea 11 : 3: "Ik leerde EfraÔm lopen".

Over de wandel van de gelovige van onze tijd, worden vooral in de brief aan de EfeziŽrs vele aanwijzingen gegeven.

Na in Efeze 2 : 1-3 gesproken te hebben over onze wandel in de tijd dat we de Heer nog niet kenden, spreekt de apostel in de volgende schriftplaatsen over de wandel van de gelovige (zie daarvoor Efeze 2 : 10; 4 : 1, 17 en 22; 5 : 1, 2, 8 en 15). Allemaal aanwijzingen hoe wij als gelovigen ook in onze wandel beelddragers Gods behoren te zijn.

Als men over wandelen spreekt, denkt men aan een bezigheid, die ons een zeker genoegen verschaft. Het brengt ons een zekere rust en maakt ons los van de zorgen van het leven.

Hoeveel temeer geldt dit voor de gelovige, wanneer hij de Heer waardig wandelt. Het brengt hem die echte zielerust, omdat hij weet dat hij wandelt achter Jezus aan (MattheŁs 11 :29).

Helaas is het gevaar niet denkbeeldig dat de gelovige wandelt op een weg die afvoert van Hem, die hem toch zo duur gekocht heeft. Psalm 1 : 1 waarschuwt ook ons als gelovigen wel zeer ernstig. Eerst is in deze Psalm sprake van wandelen, dan van staan en tenslotte van zitten.

Denken we hierbij maar aan Lot. Van hem lezen we in Genesis 19 : 1, dat hij zat in de poort van Sodom. Van Henoch daarentegen lezen we, dat hij wandelde met God en dat hij, zonder te sterven, door God werd weggenomen.

Geve de Heer dat, als Jezus komt en wij zonder te sterven de hemel ingaan, wij dan op dat ogenblik met God wandelen. Volgen we ook hierin onze Heiland na, bij wie elke voetstap die Hij deed, tot verheerlijking van God was. Zijn voetstappen richtten zich tenslotte naar Golgotha. Elke schrede die Hij deed, bracht Hem dichter bij dat kruis, waarop Hij zijn grote liefde openbaarde, maar ook een beeld gaf van Gods liefde, die Hem voor ons overgaf in de dood. Elke voetstap die wij doen, brengt ons dichter bij 't Vaderhuis.

 

J. H. v. d. B.